Leef-Tijd – Swa Pelemans (78)  


Dorpsdichter Swa Pelemans (78) is een man van twaalf stielen, gelukkig zonder dertien ongelukken. ‘Ik stond liever op een cafétafel voor te dragen dan met mijn neus in de schoolboeken te zitten.’

Joke Van Caesbroeck – De Standaard


‘Ik kan morgen sterven of nog 30 jaar leven. Alles kan nog’

Swa Pelemans


‘Er zijn dagen waarop ik me maar 58 voel, en er zijn dagen waarop ik me 108 voel. Dat bedoel ik vooral lichamelijk. Anderhalf jaar geleden werd ik geopereerd aan mijn rug. Dat is mislukt, waardoor ik dagelijks pijn heb. Maar mijn geest is nog heel fris, ik ga ook erg graag om met jonge mensen.

‘Mijn vrouw en ik hebben vier kinderen en acht kleinkinderen. Omdat onze jongste zoon een nakomertje is, hebben we zowel heel jonge als volwassen kleinkinderen. Dat is fijn, in contact blijven met verschillende generaties.’

‘Dat probeer ik ook te doen via poëzie. Tien jaar geleden werd ik dorpsdichter van Londerzeel, waar ik geboren en getogen ben. Ik grijp gelegenheden aan om gedichten te schrijven en voor te dragen voor mijn dorpsgenoten, jong én oud. Dat is het mooie aan gedichten, zeker als je er wat humor in stopt: je kunt er mensen van alle leeftijden mee bereiken.’

Zoeken en proberen

‘Al in de humaniora raakte ik gefascineerd door taal, voornamelijk door poëzie. In het college van Kapelle-op-den-Bos, waar ik schoolliep, kwam dat vaak aan bod. Als er geschreven moest worden, was ik in mijn nopjes.

‘Ik nam ook deel aan de jaarlijkse gedichtenwedstrijd, die ik altijd won. Ik wilde iets in de journalistiek doen, maar koos de verkeerde richting aan de universiteit: politieke en sociale wetenschappen. Achteraf bekeken had ik Germaanse moeten doen.’

‘Als ik moet voorlezen op een uitvaart, voel ik dat mensen daar iets aan hebben. Ook omdat ik iedereen ken, of gekend heb, want ik woon hier al bijna tachtig jaar’

Swa Pelemans

‘Ik heb geen universitair diploma behaald. Ik amuseerde me rot in Leuven, maar dat ging ten koste van mijn studies. Ik zat op café met studiegenoten, zat achter de porrekes – zo noemden we de studentes in die tijd – en ik stond op cafétafels spontaan mijn gedichten voor te lezen voor al wie het horen wilde. Dat deed ik veel liever dan met mijn neus in de schoolboeken te zitten.’

‘Ik kwam mijn vrouw tegen op de werkvloer, een van de vele vloeren die ik betrad, want ik ben een man van twaalf stielen, maar dan zonder de dertien ongelukken. Mijn vrouw kwam net van de humaniora en ik had net mijn legerdienst achter de rug. Ze is vijf jaar jonger dan ik. Het was meteen koekenbak. We hadden, zoals dat in die tijd bij bijna alle koppels ging, een paar jaar verkering, trouwden en kregen kindjes. Drie in vier jaar tijd. De jongste kwam, als een welgekomen verrassing, ­negen jaar later.’

‘Ik heb de laatste dertig jaar van mijn professionele leven in hetzelfde transportbedrijf gewerkt, als dispatcher. Dat was hard werken, vaak ook in het weekend stand-by zijn, maar ik deed dat enorm graag. Voordien heb ik allerhande jobs ­gedaan.

‘Ik ben onder andere notarisklerk geweest, gerant van een meubelbedrijf, handelsreiziger en heb allerlei jobs in de verkoop gedaan. Zonder diploma was het wat zoeken en proberen, maar ik heb altijd mijn plan getrokken, en kon vrouw en kinderen goed onderhouden, wat ook mijn ouders toch wat geruststelde.’

Wegvallende vrienden

‘Ik vond, zoals velen, de lockdowns niet gemakkelijk. Ik zag de kleinkinderen veel minder, net als mijn vrienden. Ik kan heel moeilijk mensen missen.

‘In normale tijden ga ik een keer of twee per week op ­café. Pintjes drinken met kameraden, bijpraten, lachen. Of samen iets gaan eten. Toen de horeca weer opende, was ik dolgelukkig. Net als de dag waarop we allemaal “ontmaskerd” werden. Ik vond dat vreselijk, rondlopen met die lap voor je mond, en slechts halve gezichten zien.’

‘Gelukkig ben ik niet ziek geworden. Toch niet van het coronavirus zelf. Wel van de vaccins, gek genoeg. Ik heb twee keer een paar dagen in bed doorgebracht. Naar die derde prik kijk ik dus niet echt uit. Maar ik ga het uiteraard wel doen, ik ben absoluut voorstander.’

‘Dat is het mooie aan gedichten, je kunt er mensen van alle leeftijden mee bereiken.’ 
Beeld Alexander Meeus

‘Er zijn periodes in mijn leven geweest waarin ik meer angst had voor de dood. Dat is verminderd. Ik denk omdat ik besef dat ik hier al 78 jaar mag rondlopen, gezond, met fijne kinderen en een vol en gekleurd leven om op terug te kijken. Er is een soort dankbaarheid.

‘Wat ik wel lastig vind aan ouder worden is dat je mensen ziet wegvallen, moet afgeven. Mijn broer is al dood, mijn zus, mijn schoonbroer. En ik heb al enkele zeer goede vrienden verloren. De dood hoort bij het leven, dat weet elke mens al vrij vroeg, maar als het dichterbij komt en je ziet mensen verdwijnen, wordt het toch heel écht.’

‘Je beseft ook: er is maar één leven, dus je moet genieten. Ik ben blij dat ik, samen met mijn vrouw, veel gereisd heb. De wereld gezien. We bezochten vier continenten en ook in Europa hebben we het een en ander gezien.

‘Reizen trekt je blik open. Het is ook door die andere culturen dat ik heb gezien hoe anders je met de dood kunt omgaan. In Mexico, bijvoorbeeld, zagen we mensen picknicken op de graven van geliefden. En in India baden mensen in de Ganges, waar ook de assen in verstrooid worden.’

‘Zelf doe ik als dorpsdichter ook altijd iets rond Allerheiligen, op het kerkhof, ­samen met een muzikant. Poëzie, muziek, kunst: het zijn heel mooie vormen om doden te herdenken.

‘Als ik moet voorlezen op een uitvaart, voel ik dat mensen daar iets aan hebben. Ook omdat ik iedereen ken, of gekend heb, want ik woon hier al bijna tachtig jaar.’

Het einde van de wereld

‘Ik ben altijd al een plantrekker geweest. Toen ik dorpsdichter werd, was dat omdat ik daar zelf op heb aangestuurd. Ik zei ­tegen de toenmalige burgemeester, die ik goed kende: een dorpsdichter, zou Londerzeel dat niet kunnen gebruiken? Een spontane sollicitatie was het. Als je iets wilt, moet je er zelf achteraan durven te gaan.

‘In tegenstelling tot andere stadsdichters word ik niet vergoed, maar daar is het me ook niet om te doen. Ik schrijf vier à vijf gedichten per jaar, over de streek. Met Nieuwjaar is dat een soort humoristisch jaaroverzicht. Of ik word ingeschakeld als er iets speciaals te doen is. Een inwoner die honderd jaar wordt, bijvoorbeeld.’

‘Wie weet word ik het zelf ook ooit. Ik zit op een leeftijd waarop alles mogelijk is. Ik kan morgen sterven, maar ik kan ook nog dertig jaar leven. Je weet het niet, en dat is maar goed ook. Wat het ook wordt, het staat nu al vast dat ik kan terugblikken op een mooi leven.’

‘Als ik kon terugkeren in de tijd, dan zou ik kiezen voor mijn legerdienst. Velen omschrijven die als een soort verloren jaren, maar ik vond het net een mooie tijd. Soms vind ik het zelfs jammer dat de dienstplicht is afgeschaft. Ik denk dat de jeugd daar nog veel uit zou kunnen bijleren. Discipline, bijvoorbeeld. (lacht)

‘Ik was reserveofficier in Kassel, Duitsland. Vijfhonderd kilometer van huis, dat was in die tijd hetzelfde als het einde van de wereld. Als pelotonscommandant had ik een dertigtal soldaten onder me, heel jonge gasten die nog nooit een stap buiten hun eigen tuin hadden gezet, en toch wat panikeerden.

‘Ik was voordien leider geweest in de Chiro, en die skills kwamen van pas. Ik nam die jongens onder mijn hoede, probeerde zo goed ik kon iedereen op zijn gemak te stellen.

‘De winter was er vreselijk koud, in de zomer was het snikheet. Alles was extreem. Maar je smeedt daar ook heel intense banden. Het zijn herinneringen die ik koester.’

Swa Pelemans: ‘Soms vind ik het jammer dat de dienstplicht is afgeschaft.’ 
Beeld Alexander Meeus

Tweewekelijks vertelt iemand van telkens weer een andere leeftijd hoe die in het leven staat. Wilt u dat ook doen? Mail naar joke@jokevancaesbroeck.be


Lees ook

Lees andere getuigenissen


Bron: De Standaard

Naar Facebook

Naar de website


Scroll naar boven