Pseudowetenschap is een wapen in de academische cultuuroorlog, schrijft Marc Reynebeau. Trollen willen de universiteit verdacht maken en destabiliseren.
Marc Reynebeau – De Standaard
24 maart 2026
Leestijd: 6 min
Ive Marx maakte dinsdag in deze krant een interessante opmerking.
Kreeg niemand in het allicht hooggeleerde publiek van Petra De Sutter in de smiezen dat ze in haar inaugurale rede als rector van de UGent Einstein citeerde met een, zo bleek later, door AI verzonnen uitspraak?
Misschien had Einstein het wel gezegd kunnen hebben. Wat argwaan had kunnen wekken, was dat het een citaat in het Engels betrof.
Zou Einstein in een toespraak in 1929 aan de Sorbonne, waaruit het citaat afkomstig heette te zijn, Engels hebben gesproken?
Onwaarschijnlijk.

Maar op Amerikaanse sites wemelt het van lijstjes met vermeende wijsheden van zowel Oude Grieken, Chinese mandarijnen, Franse verlichtingsfilosofen als 19de-eeuwse Russische schrijvers.
Uitsluitend in vlot Engels, een taal die ze nooit machtig waren. In het Engels citeren wijst vaak op tweedehands citeren. Controle in de oorspronkelijke bronnen is dan ook altijd aangewezen.
Citeren is geen academisch monopolie. Ook Belgische politici halen graag eens een citaat of parafrase boven om het wat gewichtiger te doen klinken.
Die citaten worden niet zelden onvolledig, zonder context of in een andere betekenis aangehaald.
Premier Bart De Wever (N-VA) gaf er nog een staaltje van weg omtrent zijn mislukte btw-hervorming.
Het “raspaard” dat hij in gedachten had, bleek als “een stinkende, lelijke en gehandicapte kameel” uit het coalitieberaad te zijn gekomen.
De Wever suggereerde zo dat compromissen alleen tot misbaksels kunnen leiden, al kwam dat, zeker in dit geval, door een gebrek aan politieke coherentie en leiderschap.
Om zijn gelijk te staven maakte De Wever een allusie op een stelling van zijn verre voorganger, de christendemocraat Gaston Eyskens.
Die illustreerde ermee hoe politiek overleg plannen grondig kan transformeren, dat wat als een paard in de kabinetsraad wordt gebracht, er als een dromedaris weer uitkomt.
De Wever maakte van Eyskens’ paard een raspaard, wat al een zweem van raciale superioriteit oproept.
Dat contrasteert met het inferieure scharminkel – geen dromedaris (één bult) meer, maar een kameel (twee bulten) – inferieur door fysieke gebreken, lelijk en gehandicapt.
Het zijn eigenschappen die niet alleen neerbuigend klinken, maar in het register van de discriminatie bekendstaan als bodyshaming en validisme.
Zo schoot De Wever twee keer een kemel.
Vooringenomen slogans
Het vraagt dus wat kritische aandacht om attent te blijven voor AI-hallucinaties, zoals ook Ive Marx betoogt, of, in het geval van de premier, voor de gehallucineerde aannames in het immer falende geheugen.
Maar in het publieke en het academische gesprek verdient ook die andere universitaire plaag aandacht, de pseudowetenschap.
Het bevreemdt daarom dat Marx die aberratie maar aan één kant lijkt te ontwaren, in een ideologisch conformisme, dat bij nader toezien geen pseudowetenschap voortbrengt, maar slechts weinig interessant, in vermeend maatschappijkritisch jargon gehuld onderzoek.
Marx gebruikt het woord ‘woke’ niet, maar het schemert er wel in door, als nieuwe versie van het spook ‘theory’ dat de Angelsaksische universiteiten in de jaren 90 teisterde, maar waarvan de invloed en betekenis uiteindelijk even fel waren overdreven.
Misschien is het datzelfde spookbeeld dat Ive Marx er nu toe brengt om de kritiek op de benoeming van de Amerikaanse onderzoeker Nathan Cofnas aan de UGent niet zeer ernstig te nemen, omdat het motief ervoor te zoeken zou zijn in ideologisch dogmatisme.
De vraag of de zelfverklaarde “rassenrealist” Cofnas dan toch geen pseudowetenschap bedrijft, blijft zo van weinig tel te zijn.
Marx, zelf een robuuste wetenschapper, lijkt het moeilijk te hebben met wat zich aandient als kritisch of critical, wat een uitnodiging zou zijn om een batterij ideologisch vooringenomen slogans in stelling te brengen.
Het academische debat kent inderdaad lichtzinnige uitwassen, maar het dient net om die eruit te wieden.
De inzet ervan is allerminst een populaire modegril. Oorzaken en gevolgen van sociale fenomenen verdienen aandacht in een breder kader, waarin maatschappelijke macht en vooroordelen ook een rol spelen.
Dat inzicht werd al in de jaren 30 geformuleerd in wat de sociologen en filosofen van de Frankfurter Schule “kritische theorie” noemden.
Historische kritiek is al decennialang een kernvak voor historici.
Cancelcultuur
Als Cofnas meent dat zwarte mensen genetisch niet in aanmerking komen voor een academische carrière, is dat een provocerende stelling.
Maar goed, hypothesen zijn er om met de falsificatietheorie en trial-and-error gestaafd of ontkracht te worden.
Academische peers zijn er om de soliditeit van de data en de argumentatie te beoordelen. Dat zal in het geval van Cofnas niet eenvoudig zijn, want ‘ras’ is een begrip dat zelfs in de Belgische wet al als onwetenschappelijk is afgeserveerd, als een verzinsel uit de 19de eeuw, dat alles te maken had met kolonisatie en imperialisme.
Een empirische tegenproef: wie pakweg de universiteiten van een halve eeuw geleden had geobserveerd, had toen tot de conclusie moeten komen dat ook vrouwen het met een laag IQ moeten stellen, want vrouwelijke professoren of onderzoekers waren er toen nauwelijks.
En, zo wilde het inderdaad patriarchale vooroordeel verder, soms tot laat in de vorige eeuw, een ambitieuze academica had ongetwijfeld niet meritocratisch, maar ‘horizontaal’ carrière gemaakt.
Tot nu riep Cofnas weinig controverse op met zijn strikt academische publicaties, net zomin als de Britse sociaalgeograaf Harry Pettit, die onlangs aan de VUB toch werd ontslagen.
Beiden ventileren hun omstreden stellingen en opinies (bij Pettit ging het om zijn kritiek op Israël) op sociale media, in blogs en tweets.
Daarin is de ruimte voor argumentatie en nuance – de onderbouw van het wetenschappelijke onderzoek – doorgaans erg beperkt.
Dat type controversiële publieke communicatie is niet ongelijk aan het nu al klassieke trollen op het internet, niet meteen bedoeld om wetenschappelijke inzichten te delen, maar om te provoceren, controverse en ophef op te roepen, om te treiteren, maar uiteindelijk om instituties verdacht te maken en te destabiliseren.
En om de aandacht te trekken als dappere en vrijmoedige en daarom door cancelcultuur bedreigde wetenschappers.
Daar toont zich weer de cultuuroorlog, de strijd om ideologische hegemonie.
Het is helaas geen blijk van institutionele weerbaarheid dat alvast meerdere Amerikaanse universiteiten zonder slag of stoot overstag zijn gegaan voor de druk van de radicaal-rechtse regering in de VS om en eind te maken aan kritiek en emancipatie.

© Jimmy Kets
Marc Reynebeau is journalist, verbonden aan deze krant. Zijn column verschijnt wekelijks op woensdag.
Lees ook
Lees meer berichten
Marc Reynebeau
Bron: De Standaard