Tafelrede van Josse De Pauw – Lieve, lieve Standaard der Letteren


Zo’n kleine maand na mijn geboorte in 1952 verscheen de allereerste Standaard der Letteren. Dat wordt mij in 2022 vanuit het niets gemeld: dat wij even oud zijn, DSL en ik, dat wij in hetzelfde jaar zijn verschenen. En of ik voor dat verjaardagsfeest een tafelrede wil schrijven?

Nu is een tafelrede afgaande op mijn zeventigjarige ervaring doorgaans niet iets om naar uit te kijken. Ze houdt de maaltijd op en is al te zelden begeesterend genoeg om de aandacht af te leiden van de keuken. Een aperitief kan nog enig soelaas bieden bij het uitstel, maar aanschuiven doe ik al die jaren in hoofdzaak om te genieten van de maaltijd en indien mogelijk van het gezelschap. Nog niet zo lang geleden zat ik aan een tafel tegenover een Congolese man met de hem perfect passende naam Jovial. De dienster vroeg hem of hij misschien een aperitief wou gebruiken en hij antwoordde met een innemende glimlach: ‘Nee, ik wil eten.’ Juist.

Maar dit is de krant. We gaan straks niet aan tafel en dus kan ik – in de wetenschap niks of niemands genot in de weg te staan – een tafelrede schrijven bij een maaltijd die nooit zal worden opgediend. En zo hef ik hier op vijf hoog eenzaam het glas, met zicht op de eerste blaadjes en de wild om zich heen schijtende duiven, en wens ik De Standaard der Letteren – zoals ik dat een kleine maand geleden mezelf heb toegewenst – nog vele jaren en een goede gezondheid.

Wanneer verkeert de geliefde krantenbijlage in een goede gezondheid? En moet ook zij – net als wij – bij tijd en wijle niet geprikt en geboosterd worden, om weerbaar te zijn tegen aanvallen van virussen allerhande?

En dan is er altijd wel een ouderling die vanuit een donkere hoek van de kamer krast: ‘Een goeie gezondheid ja, dat is het belangrijkste!’. Zo heb ik het mijn hele leven gekend: een krakende zetel, wat geschuifel van geruite pantoffels, de keel wordt geschraapt en vervolgens: ‘Een goeie gezondheid, dat vooral!’. Ik zal die belangrijke bijrol in de toekomst graag op mij nemen.

Maar wat zou dat willen zeggen voor De Standaard der Letteren? Wanneer verkeert de geliefde krantenbijlage in een goede gezondheid? En moet ook zij – net als wij – bij tijd en wijle niet geprikt en geboosterd worden, om weerbaar te zijn tegen aanvallen van virussen allerhande?

Het mag geen wonder heten dat, bij het bekijken van die allereerste Standaard der Letteren uit 1952, mijn oog valt op de rubriek Kleine Notities, een verzameling korte berichten uit de wereld van de letteren en de kunsten in het algemeen. Zo staat daar onder andere geschreven en gedrukt:

‘In zijn essai Bâtons, chiffres et lettres (Gallimard, Parijs) schrijft Raymond Queneau:

“L’orthographe est plus qu’une mauvaise habitude, c’est une vanité”.

Queneau houdt een pleidooi voor het gesproken en tegen het geschreven woord.’

Bij het lezen van deze Kleine Notitie heb ik het gevoel dat er venijn door de inkt zit, dat iemand in zijn wiek geschoten was en snerend wilde zeggen: kijk hier, een schrijver die de geschreven taal neerhaalt. Maar voor zover ik het kan nagaan hield Queneau veeleer een pleidooi tegen de hoogdravende taal van de Académie Française en van al dat andere zichzelf makkelijk overschattend volk (neus in de lucht bij ’t binnenkomen, pink omhoog bij ’t koffiedrinken) en zocht hij een geschreven taal die dichter stond bij wat er door de mensen gesproken werd. Door mensige mensen in het levendige leven en niet enkel door hoogwaardigheidsbekleders in hun galmende wandelgangen en echoënde cenakels.

Het doet mij veel deugd te weten dat er iemand was die zich, toen ik mijn eerste min of meer verstaanbare woord nog moest uitkramen, daar al mee bezighield. Merci, Monsieur Queneau!

Want het is deel van de toegewenste ‘goede gezondheid’. Dat de taal zich tot de mensen richt.

Met sterke beelden, met zwierig elan, met secuur uitgezochte versierselen, met af en toe een flauwiteit tussendoor, scherp als een pas geslepen mes of strak als gespannen staalkabel, maar altijd tot de mensen. En humor kan helpen, daar was Raymond Queneau erg goed in.

En dat de fontanel uiteindelijk is dichtgegroeid, wil niet zeggen dat de kop niet open moet blijven.

Beeld Johan Dockx

Er is veel meer te koop bij de letteren dan alleen maar boeken. De letteren spelen evengoed al heel lang mee in de beeldende kunsten, in de muziek, in de film, in de architectuur, in de dans en ‘par excellence’ in het theater. Daar was men zich bij het verschijnen in 1952 terdege van bewust.

In die eersteling staat een artikel onder de titel ‘Toneel te Parijs’ met als ondertitel ‘plezier, begrip, poëzie’ (een mogelijke definitie van het theater voor mijn part). Iemand met de initialen L.P. werd uitgestuurd naar de lichtstad om te gaan kijken wat er zich daar op de podia zoal afspeelde. Ik heb het geslacht van L.P. niet kunnen achterhalen of ik heb er niet de nodige moeite voor gedaan. Ook al omdat het in die tijd met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid een man moet geweest zijn. Niemand stuurde toentertijd een vrouw vanuit Vlaanderen in haar eentje naar Parijs. Daarenboven versterkt de aanzet van zijn bespreking op een of andere manier mijn vermoeden.

La feuille de vigne, een toneelbewerking van een rapport over de seksuele gedragingen van mannelijk Amerika. ‘Een dergelijk rapport vraagt in eerste instantie de aandacht voor het abnormale,’ schrijft hij of zij maar ik denk dus hij, en ‘De toneelbewerking zal er wel de dolste stukjes uitgehaald hebben.’ L.P. heeft derhalve besloten de voorstelling niet te gaan zien.

Maar naar Jésus la Caille van Francis Carco gaat hij wel kijken. Dat is nochtans ook een ‘vijgenbladstuk’. De scène wemelt van zowel vrouwelijke als mannelijke prostituees. L.P. heeft de roman van Carco gelezen. ‘Er wordt zeer goed gespeeld,’ vindt hij, ‘maar het fijne proza van Carco valt weg. Wat overblijft is niets bijzonders.’

Er worden nog stukken van Aymé (La tête des autres) en van Thierry Maulnier (Le profanateur) besproken, met verwijzingen naar het successtuk van Sartre (Le diable et le bon Dieu), waarbij spelers en regie bewonderd worden, maar evengoed is er een groot gemis. ‘Het blijft eigenlijk een andere soort betogende journalistiek,’ zegt L.P. En zelfs de ‘geroutineerde theaterman’ Jean Cocteau kan hem niet bekoren met zijn Bacchus. Ook daar is ‘het geredeneer toch al te zwaar op de hand’ en het carnavalsfeest tijdens hetwelk dat ‘geredeneer’ plaatsvindt, lost niks op.

Maar dan komt Jean Vilar en breekt de zon eindelijk door de sombere wolken. Prinz von Homburg van Heinrich von Kleist en De bloedbruiloft van Lorca. ‘Hier waren gedachten en emoties volkomen met elkaar verbonden.’ En L.P. eindigt zijn verslag met een hoopgevend bericht: ‘De twee vertoningen welke wij in zijn schouwburg (van Jean Vilar, red.) hebben bijgewoond hebben ons de overtuiging gegeven dat het met de toneelkunst toch nog niet afgelopen is.’

En daar is de schrijver dezer tafelrede het om nogal vanzelfsprekende redenen zeventig jaar later nog altijd helemaal mee eens. Maar men had het op diezelfde bladzijde toentertijd ook over een huldiging van Le Corbusier en over Henry van de Velde. ‘We hadden nu eens een figuur van volstrekt internationaal formaat – we maakten het hem onmogelijk, we joegen hem over de grens.’

Om maar te zeggen: ik heb die allereerste bladzijde zeventig jaar later graag gelezen. En hoewel we intussen verwend worden met een veelbladige bijlage, viel me toch de ‘breedte’ van toen op. Zoveel verschillende onderwerpen, een waaier – verkoeling in een oververhitte wereld.

Is het geen idee, wil ik maar zeggen? Altijd vertrekkend vanuit de letteren, maar uitwaaierend over het hele kunstenveld. Een boosterprik? Niet dat het nu nooit gebeurt, maar het mag voor mij altijd iets meer zijn. Tegelijkertijd is dat ook wel een van mijn gebreken, besef ik terwijl ik het schrijf.

Laat mij eindigen met de verklaring van mijn liefde: ‘Lieve, lieve Standaard der Letteren, ik ben blij dat je er was vanaf mijn eerste levensdagen en dat we het samen tot nu hebben gered. Laten we elkaar tijdens een innige omhelzing beloven dat we het nooit zomaar zullen opgeven, dat we al het gelul van de wereld blijven omzetten in woorden, in goedgebouwde zinnen, voor de duidelijkheid.’

Raise high the roof beam, carpenters!


Bron: De Standaard

Naar Facebook

Naar de website


Scroll naar boven