Na de stilgeboorte van haar zoon Revi schrijft Anneleen Van Offel als een bezetene. Maar “onder alle verhaal, verslag van gebeurtenissen en benoemen van gevoel blijft een diepte zitten die ondeelbaar is”. Zijn er woorden voor het verlies van een kind?
Anneleen Van Offel – De Standaard
25 september 2025
Leestijd: 9 min
Schrijfster Anneleen Van Offel over het verlies van haar zoon Revi
Het was de bedoeling dat onze zoon Revi geboren zou worden op Sleep van Max Richter, een album van achtenhalf uur – zodat hij niet door stilte zou worden opgevangen, het kind dat doodstil ter wereld zou komen, doodstil in de warme wieg van mijn handen werd gelegd – maar de bevalling duurde negen uur.
Helemaal stil kan het natuurlijk niet geweest zijn in die kamer, er stonden dokters en een vroedvrouw aan het bed, er waren woorden, “hij is er” galmt nog ergens in mijn herinnering, maar terwijl ik het lijfje dat ik die ochtend nog in me had voelen bewegen tegen het mijne aan drukte, leek het alsof alle geluid haastig werd ingetrokken.
Er was maar één klank die door de glazen wand brak die me scheidde van alle mensen om mijn kraambed: iets hoogs, smals, dat diep uit de keel van mijn man kwam, iets tussen een kreun en een piep in, een taalloos woord, total loss als hij was, en tegelijk was het zo totaal als een roman nooit kan zijn. Een woord dat voorbij elke betekenis ging en dat iedereen in de kamer toch begreep.
Er zijn geen woorden voor. Ik las de berichtjes in de dagen die daarop volgden, en ze kwamen bijna allemaal daarop neer, terwijl ik koortsachtig schreef.
Ik tilde mijn pen nauwelijks op van het blad papier, de woorden hingen onleesbaar aan elkaar, als een glanzende blauwe streng die me verbond met mijn zoontje.
Alles probeerde ik vast te houden: zijn kleur, zijn geur, het bloed op het dekentje waarin hij werd gewikkeld, het bloed op de badkamervloer, de vroedvrouw die zei: “Zal ik iets geven tegen de fysieke pijn?”
Een vals koor
Het meest rauwe hield ik voor mezelf, maar een deel van wat ik schreef, blonk ik op en deelde ik op sociale media.
Er kwam reactie, ik schreef meer en deelde meer, tot ik op een dag de schaar nam en de draad doorknipte.
Niet omdat er geen woorden meer waren, maar omdat woorden transformeren wanneer je ze deelt.
Het schrijven om te delen creëerde afstand tot de ervaring. Het werd iets esthetisch, de hoeken werden afgerond, en er kwam ook iets terug, een gezoem: rondom het bed hadden de aanwezigen zich vervormd tot een vals Grieks koor.
Ze loopt met haar verdriet te koop,
is ze daar nu weer met haar dode baby,
hoe kan je nu zoveel verdriet hebben om een kind dat je niet hebt gekend, er zijn ergere dingen, het verlies van een voldragen/volwassen kind bijvoorbeeld, het was toch haar eigen beslissing om de zwangerschap af te breken?
Bij alles wat ik nog schreef, overstemde het koor mijn eigen gedachten. De schrijver en de moeder kwamen in conflict met elkaar.
Zet de schrijver de moeder te kijk? Moet er een gezonde afstand zijn tot het verlies? En zo ja, hoe meten we die? Is er een bepaalde verhouding tussen waar de pijn zich op De Schaal van Erg bevindt en hoe vaak je erover mag schrijven?
Ik kreeg een brief van Jeroen Olyslaegers.
“Pijn is onze akker”, schreef hij me. Hij hoopte dat hij me niet kwetste wanneer hij zei dat de pijn om mijn kind niet alleen mijn pijn was, maar de pijn van iedereen.
“Nee, we zitten nu niet in jouw specifieke duisternis, maar ieder van ons kent wel duisternis, wanhoop en verdriet. Jouw woorden brengen ons naar die plek.”
Toen Ursula K. Le Guin in 1984 de afstuderende studenten van het Bryn Mawr College in Pennsylvania mocht toespreken, had ze het over moedertaal versus vadertaal.
Vadertaal, zei ze, “is de taal van het denken die objectiviteit nastreeft”. Het is een taal die afstand neemt, een ruimte creëert tussen het subject en het object. Een taal die opsplitst in dichotomieën – ik/jij, erg/niet erg – en waarde toekent aan die polen. Die taal heeft traditioneel de overhand in het publieke domein en wordt beschouwd als ‘serieus’, en ‘van bovenaf gesproken’. Vadertaal bepaalt wat een geldig discours is.
Moedertaal, daarentegen, is een netwerk. In de moedertaal vertegenwoordigt iemands eigen ervaring de waarheid. “Hoe kan de ene ervaring immers een andere ervaring ontkennen, tegenspreken, weerleggen? Zelfs als ik veel meer heb meegemaakt, is jouw ervaring jouw waarheid.”
In de relationele ruimte van moedertaal worden woorden drager van iets wat voorbijgaat aan het ik.
De individuele ervaring is eigenlijk een gedeelde werkelijkheid, die in elk van ons een andere vorm aanneemt. Wat wij als ‘onszelf’ zien, is iets collectiefs.
Moedertaal gaat naar die gedeelde oorsprong, we zijn allemaal ooit fysiek deel geweest van een ander lichaam, dat voelde, dat herinnerde, dat geluk kende en dat pijn leed.
Moedertaal is niet alleen voor vrouwen, vadertaal niet alleen voor mannen.
Door zelf een tweedeling naar voren te schuiven als antwoord op de maatschappelijk gesproken vadertaal, legt Le Guin een probleem bloot: hoe spreek je over alles wat daartussen sijpelt?
De lichamelijke verscheuring, de mentale pijn van een beslissing die in een maatschappelijke context genomen werd?
Er zijn geen woorden voor, misschien klopt dat wel?

Vrije val
Er is iets aan de pijn waar ik niet bij kan.
Toen ik na de dood van haar volwassen dochter Alice met Gerda Dendooven belde, zei ze dat ze dat herkende: onder alle verhaal, verslag van gebeurtenissen en benoemen van gevoel blijft een diepte zitten die ondeelbaar is. Een inktzwarte plek waarin taal wordt verzwolgen.
Hoe verder ik op de glibberige trap van het schrijven naar die duisternis afdaal, hoe meer mijn zinnen uit elkaar vallen, hoe ijler de ruimte tussen de treden wordt.
Mijn taal stamelt, versplintert in witruimte en losse beelden, tot ze zich uitrekt tot een langgerekte kreet, die zich bij de klank voegt die mijn man uitstootte op het precieze moment van de geboorte van ons kind.
De laatste treden zijn een vrije val.
Ik wil een boek schrijven dat bestaat uit één woord: AAAAAUWWWW.
Om mijn bed neemt het Griekse koor een nieuwe verschijningsvorm aan, van klaagvrouwen: ze becommentariëren het verlies niet maar helpen het dragen, met een weeklacht die opstijgt vanuit die duisternis in het lichaam.
Ze vervormen hun woorden tot uithalen en langgerekte lamentaties.
In vele culturen is het een traditie om de doden naar het hiernamaals te begeleiden met gezang, maar vooral over de Ierse context van keening women is relatief veel bewaard.
Volgens de Ierse folkloriste Patricia Lysaght was de klaagzang “een centraal element van de vrouwencultuur”, waarbij vrouwen sowieso al een verbinding vormden tussen het aardse en het niet-aardse leven.
Hun klaagstem veruitwendigde het verdriet van de hele gemeenschap, door hun werk hoefde niet iedereen te jammeren.
Met hun lichaam als instrument maakten ze de pijn deelbaar. Ze klopten op hun borst, trokken aan hun haren, wiegden, terwijl het lied wisselde tussen taal en kreten die vanuit een gevoel komen dat alleen woordeloos herkend kan worden.
Zo vertaalden ze het individuele verdriet naar het collectieve, hun lichaam als grensgebied.
Krop
De klaagvrouwen hebben we achtergelaten, achter de krop in onze keel.
Verdriet houden we nu voor onszelf, volgens een set strikte regels: we beslissen waarover je rouwt en je houdt het beheerst, je toont enkel de bovenste laag, niet de nachtelijke worsteling met het verstikkende beest op de borst, het kokhalzen, het verkrampen, de blinde woede die zich richt op alles en niets.
Net omdat we in de tweedelingen van de vadertaal denken – erg/niet erg, jouw verdriet/het mijne – begraven we die vormeloze massa die geen taal heeft.
We proberen ze te verteren, maar hij bepaalt wel ons handelen, onze emoties, ons gedrag. Het lichaam vergeet nooit.
Er zijn geen woorden voor, hoe troostend bedoeld ook, duidt in de vadertaal afstand aan, een onwil om écht naar de pijn te gaan, terwijl in de sprakeloze lichaamstaal net een gedeelde toegang tot onze pijn zit.
Die wordt niet alleen aangeraakt, maar kan zo ook geheeld worden.
Het rituele zoeken naar een taal om die pijn toch onder woorden te brengen, vangt het verdwijnen van de klaagvrouw ten dele op. Ook al is het schrijven een ritueel dat zich individueel en in stilte voltrekt.
Dat is wat Le Guin ‘de derde taal’ noemt: een taal die ruimte probeert te maken voor iets wat buiten de twee bestaande systemen valt.
Een andere manier van denken en spreken, die zich kenmerkt door het zoeken ernaar.
Le Guin noemt het de taal die je je hele leven leert.
Ze is de versmelting van het publieke discours met de privé-ervaring, ze biedt erkenning aan het woordeloze lichamelijke in de helderheid van de vadertaal. In de derde taal kunnen maatschappelijke kaarten hertekend worden.
Hoe kun je moeder zijn van een kind dat niets tastbaars achterliet? Zelfs het bloed op het deken waarop hij lag, is het mijne. Mijn lichaam met al haar talen is het enige spoor naar mijn zoon.
Dit moederschap is er één van schrijverschap. Zinnen geven is de enige manier om wat er gebeurd is zin te geven.
De wrede ironie dat ik met de zware zorg die zijn leven had geëist, in een samenleving waarin die zorg onvoldoende wordt ondersteund, wellicht niet meer had kunnen schrijven.
Het is een bitter besef dat mijn taal voorgoed onder hoogspanning zet.
Bio Anneleen Van Offel
- Anneleen Van Offel (1991) groeide op in Antwerpen en woont in Gent
- Ze debuteerde met Hier is alles veilig (2020)
- Dit jaar volgde De stem van Sulina
- Ze maakt ook de podcast De zin van mijn leven
- Leerkracht aan de Academie Muziek Dans Woord Mortsel-Edegem-Kontich



Anneleen Van Offel is de curator van de nieuwe thema expo Moeders in het Letterenhuis en van SCH/OUDERS, een tweedaags festival rond ouderschap in Antwerpen.
Deze tekst verscheen in ‘Moedertaal’,
het nummer van Deus Ex Machina

Overzicht
Lees andere berichten in deze categorieën
Bron: De Standaard