Als je Brussel langs de zuidkant met de trein verlaat, is de Audi-fabriek een van de eerste dingen die je ziet. De site herbergde lange tijd een van de grootste autofabrikanten van België, maar bezweek dit jaar onder de industriële crisis die het continent overspoelt. Het verhaal van de Audi-fabriek is het verhaal van Europa geworden, schrijft Anton Jäger, historicus van het politieke denken aan de Universiteit van Oxford en columnist bij De Morgen en The New York Times.
Anton Jäger – De Morgen
1 juli 2025
Leestijd: 5 min
Zowel de Audi-fabriek als Europa loopt het risico te worden weggevaagd door de nieuwe geo-economische golven van deze eeuw.
In Brussel is de reactie op deze situatie in overeenstemming met de tijdgeest: als onderdeel van een bredere militaire relance moet de voormalige autofabriek volgens minister van Defensie Theo Francken (N-VA) worden omgevormd tot een wapenfabriek.
Een dergelijke herstart zou de strategische autonomie van Europa ten goede komen en 3.000 nieuwe banen opleveren.
In heel Europa bereiken beleidsmakers nu dezelfde conclusie, in de hoop twee vliegen in één klap te slaan.
Enerzijds zou een verhoging van de militaire uitgaven Europa veiligstellen tegen Rusland en het onafhankelijk maken van Amerika.
Anderzijds zou het de kwakkelende Europese industrie nieuw leven inblazen.
Onbeperkt geld in het leger pompen is volgens deze redenering de manier om de dubbele crisis van geopolitieke kwetsbaarheid en economische malaise te bestrijden.
Deze hoop zal waarschijnlijk ijdel blijken. De militarisering van Europa kampt met problemen van schaal en een gebrek aan efficiëntie.
Door zich ten koste van al het andere op defensie te concentreren, dreigt de Europese Unie niet vooruit te gaan, maar achteruit; een razendsnelle herbewapening zou weleens een historische vergissing kunnen blijken.
Theo Francken
De voordelen van deze strategie voor de samenleving blijven onduidelijk.
Hoewel Duitsland zijn schuldregels enigszins heeft versoepeld, blijven Europese beleidsmakers terughoudend om begrotingstekorten op te bouwen.
Meer geld voor het leger zal de krappe begrotingen nog verder onder druk zetten, ten koste van sociale programma’s, infrastructuur ontwikkeling en openbare nutsvoorzieningen.
Vergelijk het met de Reagan-politiek van de jaren tachtig, toen hogere militaire uitgaven ook hand in hand gingen met bezuinigingen op sociale voorzieningen.
Dit is de logica van de Belgische politici die voorstander zijn van de omvorming van de Audi-fabriek tot een wapenleverancier.
De belangrijkste voorstander van het plan, defensieminister Theo Francken (N-VA), beweert dat een staat die zijn tekort wil verminderen en tegelijkertijd het militaire budget wil verhogen, moet bezuinigen op de sociale zekerheid.
Gezien de wijdverbreide sociale onvrede die de opkomst van extreemrechts heeft gevoed en de Europese cohesie in gevaar brengt, is dit op zijn best een kortzichtige visie.
Er zijn nog bijkomende problemen met de herbewapening.
Ten eerste zullen veel voormalige industriële sectoren een belang krijgen bij oorlogsvoering in het buitenland. Meer geld voor het leger betekent ook niet noodzakelijkerwijs betere resultaten.
Volgens historicus Adam Tooze geven Europeanen collectief veel geld uit aan hun “zombielegers” en krijgen ze daar opvallend weinig voor terug, zowel in termen van mankracht als materiaal.
Geen enkel Europees bedrijf haalt bijvoorbeeld de top 10 van defensiebedrijven op basis van omzet.
Dan is er nog het typisch Europese probleem van de coördinatie. Tanks en hardware zijn al duur, en de kosten van herbewapening op het continent zullen nog eens worden vermenigvuldigd door de gedecentraliseerde besluitvorming van de Unie, waarbij landen afzonderlijk strijden om contracten.
Een glimp van deze inefficiëntie is te zien in de stagnerende inspanningen om ammunitie te produceren voor de oorlog in Oekraïne.
Bovenop deze chaos zullen de eerste uitgaven van Europa’s groeiend militair budget waarschijnlijk naar Amerikaanse producenten gaan, terwijl de Europese fabrieken op gang komen.
Deze logistieke beperkingen moeten worden afgewogen tegen de culturele grenzen van herbewapening in Europa.
De pacifistische houding van na de Koude Oorlog is in de afgelopen decennia alleen maar toegenomen.
Veel Europese landen hebben in de jaren 2000 de dienstplicht afgeschaft en hebben nog steeds grote moeite om hun kiezers te overtuigen van het nut van militaire dienst.
Vechtlustig continent
Toch zijn Europese beleidsmakers vastbesloten. Tijdens de NAVO-top van vorige week beloofden bijna alle leden hun militaire uitgaven in het komende decennium te verhogen tot 5 procent van het bruto binnenlands product.
Het aantal oorlogen in de wereld, met een nieuwe dreiging in Iran, onderstreept zogenaamd de noodzaak voor Europa om weer een vechtlustig continent te worden.
Deze strategie, zo beweren ministers, combineert militaire onafhankelijkheid met economische heropleving.
Geen van beide uitkomsten is op heden waarschijnlijk.
Op de huidige koers stevent Europa niet af op militaire macht met een sociaal dividend, noch op een defensiestrategie die past bij een aspirant-supermacht.
Het risico is veeleer dat het het slechtste van twee werelden krijgt:
- Een mager economisch herstel zonder langetermijnvooruitzichten op groei
- Royale uitgaven voor een defensiesector die Europa niet in staat stelt om concurrenten bij te benen.
Een korte reis naar Brussel, waar de Audi-fabriek nog steeds leegstaat, zou voldoende moeten zijn om bezoekers van deze waarheid te overtuigen.
© The New York Times

Lees ook
Klik hier of op de hyperlink hieronder en vind andere columns van
Bron: De Morgen