Anton Jäger is historicus van het politieke denken en doceert aan de universiteit van Oxford. Zijn column verschijnt tweewekelijks. De troebelen in Ceuta zijn een door en door politiek drukkingsmiddel, schrijft hij.
Anton Jäger – De Morgen
12 augustus 2026
Leestijd: 4 min
Het legerkamp der heiligen, een roman van de Frans schrijver Jean Raspail uit 1973, is geen goed boek.
In een geaffecteerde, gezwollen stijl verhaalt de romancier iets wat begin jaren 70 nog een vage toekomst leek: een golf Indiase migranten overspoelt het Europese continent en verjaagt de autochtone bevolking.
Literair stelt Raspails werk weinig voor – een pocket als dertien uit een dozijn. Waarom werd het dan in het Nederlands vertaald en blijft het verkopen?
Het krantennieuws biedt wat verklaringen voor die aanhoudende populariteit.
Raspails boek geniet een bijna profetische reputatie op Europees (extreem)rechts. De troebelen in Ceuta, waarbij tienduizenden jonge Marokkanen de Spaanse kustenclave binnendrongen, bevestigden die status.
Raspails zag in massamigratie een oudtestamentische, goddelijke plaag.
De recente incidenten in Ceuta zijn daarentegen al te menselijk: wanhopige jongeren die cynisch aangemoedigd werden om een grensoversteek te wagen, waarna gastland Spanje kritiek uit voorspelbare hoek moest verduren.
Eerder dan een natuurverschijnsel betreft het dus een door en door politiek drukkingsmiddel.
Dat middel zou premier Sanchez in de Europese pas doen lopen: omtrent Palestina, Chinese betrekkingen, of de nieuw opgelegde NAVO-norm.
Al het cynisme ten spijt onthult Ceuta wel wat ongemakkelijke waarheden. Zowel op links als op rechts.
Dat tweede blijkt bijvoorbeeld een nogal slappe verdediger van Europese belangen.
Lange tijd zag men in Washington centrum partijen als natuurlijke partners. Dat is in 2026 niet langer het geval: extreemrechts moet nu de Atlantische alliantie gaan stutten.
Op links kwam er een heel andere maar niet minder opvallende erkenning. Er werd toegegeven – zij het met enige wroeging – dat open grenzen geen wenselijk beleidsdoel zijn.
De kansen zijn klein dat die spanningen snel zullen afnemen, en wel om twee redenen.
De eerste is extern. De gevolgen van wat econoom Branko Milanovic globale ongelijkheid noemde, waren al in Raspails tijd flagrant. Ze zijn de laatste vijftig jaar extreem gebleven.
Hoewel Milanovics ongelijkheidsmeter in die periode drastisch daalde, danken we die daling vooral aan één land: China.
Daarbuiten strompelde men regelmatig van crisis naar crisis. Ondertussen verkreeg de kloof met de westerse welvaart op de smartphone een nieuwe, acute zichtbaarheid.
Raspail maakt in 1973 nog gewag van postkoloniale bewegingen die die kloof willen overbruggen. In 2026 zijn die zeldzamer.
Dan is de revolutionairste optie niet langer om het thuisland te transformeren maar om simpelweg te vertrekken.
Een tweede reden is complexer. Ze betreft het land van aankomst eerder dan herkomst.
Al begin jaren 90, toen westerse antimigratie partijen hun eerste successen behaalden, observeerde historicus Eric Hobsbawm iets intrigerends.
Hijzelf begreep de impuls om migratie te controleren, vooral als waarborg voor culturele eigenheid, net als het Pyreneeën-dorpje dat wielertoeristen toegang tot zijn waterfontein ontzegde.
Hobsbawm betwijfelde echter of antimigratie partijen zo’n bescherming ook echt beoogden.
Was er nog wel een inheemse volkscultuur die men kon afschermen van ‘buitenlanders’?
Aan wat moesten die laatsten zich nu eigenlijk ‘aanpassen’?
De skinheads van extreemrechts, zo stelde hij, waren tenslotte zelf producten van een massacultuur die lak had aan elke notie van eigenheid.
Magische verklaring
Weinigen ontkennen vandaag dat migratie stevige beleidsuitdagingen met zich meebrengt.
Maar het constante beroep op migratie waarin sommige Europese politici de laatste jaren zo bedreven zijn geworden, dat migranten als magische verklaring voor elk probleem opvoert, van de staatsschuld tot het dalende geboortecijfer, verraadt iets anders.
Daaronder schuilt geen zelfvertrouwen, maar eerder diepe onzekerheid over de eigen identiteit.
De Franse socioloog Olivier Roy haalde daarvoor een onverwacht voorbeeld aan: een Vlaamse integratiegids uit 2012.
In korte punten lichtte de Vlaamse overheid daar toe wat het betekent om Vlaming te zijn.
Waaronder:
“Vlamingen houden van rust.
Na tien uur ’s avonds mag er geen lawaai meer gemaakt worden…
Sommige Vlamingen eten bewust vegetarisch…
Vlamingen eten ook fruit en groenten.”
“Ziehier het nulpunt van de cultuur”, volgens Roy.
Quod erat demonstrandum dus.
Net om die reden zal migratie het Europese debat blijven beheersen, niet enkel wegens een ten hemel schreiende globale ongelijkheid, of een ietwat kwestieuze roman uit 1973.


Lees ook
Klik hier of op de hyperlink hieronder
en vind andere columns van
Bron: De Morgen