De plek – Met Maud Vanhauwaert aan zee – Het is een rijkdom om, zoals ik, veel te verliezen te hebben


Net als de levende zee is dichter Maud Vanhauwaert altijd ergens en tegelijkertijd al verder. Daar, in de bedding van het tussenin, ontstaat haar poëzie. “Rust vinden in het vliedende leven is de opdracht van elke mens. Ik ben er nog niet.”  

Jelle Van Riet – De Standaard

9 juli 2026

Leestijd: 19 min


De plek

In de reeks ‘De plek’
zoeken we auteurs en hun landschap op,
om over hun schouder mee te kijken
naar wat ze zien wanneer ze schrijven.


De Noordzee ligt er, is het ooit anders, op haar mooist bij. Appelblauwzeegroenig, ongrijpbaar, schouderophalend. Een levendige, maar uitgekauwde metafoor.

In dat mijnenveld van de clichés moeten we ons begeven, als we over de zee willen praten, haar godbetert willen vatten.

Gelukkig vindt Maud Vanhauwaert het almaar zaliger te weten dat ze in de bedding van de tijd zit.

“Mij stelt het gerust dat ik hetzelfde ervaar en zeg als de Oude Grieken: panta rhei.

“De 19de-eeuwse romantische dichter Alphonse de Lamartine formuleerde het zo:

De mens kent hier geen haven,
de tijd geen kusten.
Hij stroomt, wij gaan voorbij.

“Net zoals de zee voortdurend verandert – klap een strandstoel open, ga zitten, kijk en je bent al aan het reizen – kan een vers over de zee slechts even fonkelen. Het staat niet in steen gebeiteld, gelukkig.”


De plek

In de reeks ‘De plek’ zoeken we auteurs en hun landschap op, om over hun schouder mee te kijken naar wat ze zien wanneer ze schrijven. 

Hier: de Belgische schrijfster, dichter en performer Maud Vanhauwaert (1984).
Ze was stadsdichter van Antwerpen en ontving voor Het stad in mij de Jan Campert-prijs.
Met haar debuutroman Tosca (2023) stond ze op de shortlist van de Libris Literatuurprijs en won ze de Hebban Debuutprijs. Recent verscheen van haar Leven in mootjes en Tussen ons (i.s.m. illustratrice Astrid Verplancke).


Ooit noemde Vanhauwaert een gedicht een “wendbaar sloepje”, de poëzie “een stroom doorheen de eeuwen waarop de dichter even zijn surfplankje legt”.

Surft ze met haar verzen richting de ander?

“Zeker, en ik nader jou nergens dichter dan via mijn gedichten.

“Ik babbel graag, maar soms heb ik het gevoel dat ik al babbelend verder van mensen afdrijf. Op papier zit er zo veel minder ruis. Daar kan ik beter nadenken en heb ik grip op de woorden, de komma’s, de witregels.

“Dat vermogen om nabij te komen, is het wonder van de literatuur.

“Telkens als ik Het boek der rusteloosheid van Fernando Pessoa opensla en er een stukje uit pluk, denk ik: ‘Dit is exact wat ik nu nodig heb.’

“Is het niet magisch dat ik kan samenvallen met een man die geboren is in een andere tijd, in een ander land, die een andere taal sprak?”

Pessoa probeerde de werkelijkheid en zichzelf elke keer weer vanuit nieuwe perspectieven te benaderen, en dat is iets waarin ook Vanhauwaert zich wil blijven trainen.

“Je kijkt naar dezelfde wereld, maar van een afstandje. Alsof je geen land- maar een zeekaart gebruikt.

“Je kijkt niet meer vanuit de rompslomp van het dagdagelijkse gedoe, maar vanuit een onmetelijkheid”, lezen we in Leven in mootjes, een selectie van haar cursiefjes voor De Morgen.

“Het fascinerende van een zeekaart is dat de wereld er niet vertrouwd uitziet. Geen continenten met daartussen zeeën, maar water waaruit af en toe land oprijst.

“In die zin klopt het dat ik een meisje van Bachten de Kupe ben en mijn stukjes, ik noem ze raampjes op de wereld, in een hoekje van de voorpagina verschijnen.

“Ik observeer vanuit de coulissen. Waarbij ik ervoor waak om niet in te dutten, daar op mijn comfortabele plek.”

Dus zoekt ze, bij wijze van stimulerende upper, geregeld het onvoorspelbare podium op.

“Als ik daar sta met mijn onnozele tekstjes en spielereitjes, voel ik me als een kind op een speelplaats. Meer kind dan ik me heb gevoeld toen ik een kind op de speelplaats was.

“Ik was geen ‘onbezonnen’ kind, evenmin als mijn dochter dat is. Zij is juist een – waarom bestaat dat woord niet? – ‘bezonnen’ kind.

“Tegelijkertijd ervaar ik een soort van affiniteit met de 101-jarige zus van mijn oma, met wie ik tegenwoordig enig contact heb.

“Misschien is het een illusie, maar het voelt alsof er nu al zo’n oud, weemoedig besje in mij zit, dat vanuit de onmetelijkheid naar de wereld kijkt. Ik hoop het kind en dat besje in mij nog lang te kunnen behouden.”

Tussenruimte

We zijn in Sint-Idesbald, op een zucht van Vanhauwaerts ouderlijke huis in Veurne.

Elke twee weken haalt ze haar ouders op om hier het stukje kust van parking Ster der Zee tot Bistro Europe af te wandelen, 800 meter. Haar moeder schuifelend met een rollator, haar vader met verzwakte pas sinds zijn kankerbehandeling.

Op de eindbestemming worden er garnaalkroketten (onze keuze vandaag), mosselen of pannenkoeken gegeten.

Meestal komen de kinderen mee, zij mogen op het pleintje dat aan de bistro grenst een gocartrit maken.

Wat zal de dichter bewaren van dit ritueel?

“Ik heb een fotografische blik: ik kijk als het ware al vanuit de toekomst naar het beeld dat ik zal maken van het heden.”

Ze is altijd ergens en tegelijkertijd al niet meer, neemt ook opvallend vaak het woord “tegelijkertijd” in de mond. Het tussenin is haar plek. In de tussenruimte ontstaat haar werk.

© Elke Pannier
© Elke Pannier
© Elke Pannier

“Er is zoveel dat ik wil bewaren/ momenten die ik tot torentjes/ wil stapelen/ zoveel/ dat tussen onze vingers glijdt/ dat ik maar niet krijg gezegd.”

Beslaat deze versregel niet haar hele schrijverschap?

“Oh, ja, waarbij ik de momentjes wil vangen die anders tussen onze vingers zouden glijden.

“Soms moet ik mezelf tegenhouden er geen stolp over te zetten, want het efemere, ongrijpbare en vliedende maken het leven juist zo mooi. Daarin rust vinden, is de opdracht van elke mens. Ik ben er nog niet.

“Schrijven is, denk ik, de meest lieflijke vorm van vasthouden. Om de melktandjes van de kinderen bij te houden ben ik te slordig, maar ik bewaar ze door erover te schrijven.

“Als ik voor de krant schrijf, probeer ik altijd wel te zoeken naar een universaliteit, iets wat het persoonlijke overstijgt.

“Ik kan helaas geen partituur schrijven. Bij het horen van muziek kun je aan de bergen denken of aan de zee, alle interpretaties liggen nog open.

“Zodra ik de zee benoem met taal, sluit ik de bergen uit, en toch ben ook ik op zoek naar die meerstemmigheid onder het lijntje.

“De schoonheid van de poëzie is de onmogelijkheid.”

Vanhauwaert ziet het als haar “nederige taak” om bijzondere momenten en taferelen te zien en er woorden aan te geven.

“Niet dat ik denk dat ik daarmee de wereld een draai geef in de goede richting, ik wil gewoon uit de stroom een kiezeltje opvissen en opblinken.

“Onlangs zag ik bij het kruisen van het Meiserplein in Brussel een man die mensen via hun opengedraaide autoramen een pakje zakdoeken toestak om dan, de gekende bedelstrategie, terug te komen om geld.

“Nu draaide een jonge vrouw haar raampje al open nog voor hij bij haar auto was en gaf hem iets, daarbij het handgebaar makend dat hij de zakdoekjes mocht houden. Hij van zijn kant wilde zijn waardigheid behouden en gaf ze haar toch.

“Zo’n schoon tafereeltje kan mij enorm ontroeren, in het hart van Brussel nog wel, waar zoveel zorgwekkends plaatsvindt.”

Kunnen we een voorschot nemen op verlies, vraagt ze zich af in een ‘mootje’.

Een mogelijk troostend antwoord vinden we in haar debuutroman Tosca (2023):

“Het is de tijd die stilstaat, wij die verstrijken/
de kosmos heeft weer gelijk, alles dijt uit,
wij gaan uiteen/ (dat wat je van mij ziet/
is al lang voorbij, ik ben al zoveel verder)”.

“Ik wíl me niet voorbereiden op het verlies van mijn ouders, maar heb wel die reflex om al ‘zoveel verder’ te zijn, vanuit een angst, en vanuit een verlangen om alvast de eeuwigheid te kneden.

“Dan organiseer ik een weekendje Normandië om er later op te kunnen terugkijken.

“Gelukkig corrigeert mijn vriendin me daarin, want mijn ouders zijn er nog en daar mag ik nu gewoon heel blij om zijn.”

Misschien verdriet het verdwijnen van onze ouders ons nog het meest, omdat we dan zelf geen kind meer kunnen zijn?

“Dat is het wezenlijk! Ik heb het geluk dat ik me heb mogen ontplooien vanuit een relatief stabiel fundament.

“Alleen stel ik vast dat als je uit zo’n fort een blokje trekt, het een zandkasteel blijkt te zijn. Wellicht is wie al jong alles zelf heeft moeten beredderen, op dat vlak weerbaarder.”

© Elke Pannier

In het recent verschenen prentenboek Tussen ons, dat ze samen met illustratrice Astrid Verplancke heeft gemaakt, maakt een ouder kommetjes van de handen: eerst voor het kleine kind, dan voor het grote kind, weer later voor het kleinkind.

Tot de rollen worden omgedraaid en de verteller kommetjes maakt van de handen.

Aangezien Vanhauwaert sandwichgewijs geprangd zit tussen kleine kinderen en fysiek wankele ouders, moet er veel getoverd worden met handen, agenda’s en emoties.

“Het is een pittige tijd, maar er schuilt veel schoonheid in. Het is een rijkdom om zoveel te verliezen te hebben. Je kunt het triest vinden dat mijn ouders alleen nog deze 800 meter strand aankunnen, maar de zee verveelt nooit.

“En er is de magie van de herhaling: een plek waarnaar je terugkeert, wordt van jou. Het is ons lijntje strand.”

De term cliché, leert ze me, komt uit de drukkerswereld. Het is een drukplaat met een afbeelding in reliëf, waarvan meerdere afdrukken gemaakt kunnen worden.

“Je kunt steeds met nieuwe ogen kijken naar de mal die de zee is.

“Weet je, er is veel wat ik niet kan, maar anders dan velen hoef ik niet eerst wat ingrijpends mee te maken om te reflecteren over het momentane van het leven.

“Dat besef is er, met dank aan de literatuur.

“Ik droom niet van later als ik groot ben, ik leef het leven dat ik wil leiden en hoop dat ik in dit leven nog veel gekke koersen mag varen.

“Want hoewel ik momenten wil vastpinnen, probeer ik om zelf zand te blijven, dat door de vingers glijdt.

“Daarom zoek ik vaak spannende samenwerkingen op. Met muzikanten of met mensen die gebarentaal spreken, terwijl ik geen van beide talen beheers.”

Good cop

Vanhauwaerts zomer begint deze week in Watou.

Ze toont er een installatie, die ze samen met vormgever Jelle Jespers en Christophe Scholliers, een professor computer wetenschappen “met een heerlijk zotte geest” heeft gemaakt.

Hun AI-bot, zijn naam is Woutje, is een dichter, die is gevoed met alle gedichten die ooit in de catalogi van Kunstenfestival Watou zijn verschenen.

“Wij willen onderzoeken in hoeverre de bron van een tekst onze perceptie bepaalt.

“Verandert je waardeoordeel als je van een tekst die je als poëzie ervaart – en die je raakt – te horen krijgt dat die AI-gegenereerd is?

“Ik zie Woutje een beetje als een Trojaans paard dat we binnenrijden in het vredige Watou, maar wil tegelijkertijd met andere dichters, lezers en de bezoekers van het kunstenfestival de prangende vragen rond AI, zeker in de literatuur, in de ogen kijken.”

Na Watou wordt de gezinstent opgesteld in Frankrijk. Reizen, schrijft ze in een cursiefje, is “van jezelf afscheid nemen en jezelf weer ontmoeten, tegelijkertijd”.

Vanhauwaert verheugt zich op het “vacante” deel van vakantie. Op de “vrije speelruimte” die iedereen in het gezin naar believen kan invullen.

“We hoeven de zomer niet meer dicht te smeren met kampen en activiteiten. De kinderen spelen inmiddels graag en goed met elkaar. Gisteren nog werden mijn vriendin en ik uitgenodigd voor een voorstelling, die zij in hun slaapkamertjes hadden voorbereid.

“Ons zoontje deed het onthaal, we mochten plaatsnemen en dan voerden ze hun show op.

“Het hoogtepunt was de pauze, waarin de foyer openging en er koekjes en appelsap werden geserveerd. De artiesten mochten mee in de foyer, want heel die show was hun stiekeme manier om langer te kunnen opblijven en ’s avonds laat nog te kunnen snoepen.”

© Elke Pannier

Ze is een snel te verleiden moeder, bekent ze.

“De kinderen weten al dat ik de good cop ben. Als ze een boterham met speculoospasta komen vragen, denk ik: doe maar, en smeer mij er ook een.

“Kijk, meestal werk ik aan de keukentafel en dan laat ik de kinderen op mijn schoot kruipen om zelf een gedichtje te tikken, of zo.

“Leven en werk lopen bij mij in elkaar over. Ik vind het belangrijk dat ze me in alle toestanden zien.

“Ik wil dat ze weten dat een mens soms blij is, soms verdrietig, soms chagrijnig en dat dat allemaal oké is.

“Af en toe ben ik écht een waardeloze moeder. Als ik grip probeer te krijgen op dactylische hexameters, bijvoorbeeld, en het wil maar niet lukken, dan zou ik vergeten om de kinderen te eten te geven en het grofste is dat ik nooit vergeet om zelf te eten.”

Bloedeerlijk, nog een aspect van Maud Vanhauwaert.

In een cursiefje over borstvoeding uit ze haar wens om haar zoon via de moedermelk chronisch vatbaar te maken voor de poëzie die in droefenis trilt.

Ze wou dat ze hem kon laten “lijden aan acute vormen van zottigheid. Dat hij een hoog risico ontwikkelt voor aarzeling”.

Somt ze daar niet haar eigen grootste troeven op?

“Dat zijn, vind ik, de aspecten die te weinig gezien en gehonoreerd worden, zeker bij mannen.

“Onder aarzeling versta ik uiteraard niet de twijfel die verlamt, maar ‘perspectivische lenigheid’, een begrip van de Nederlandse filosoof Lammert Kamphuis.

“De soepelheid om je te verplaatsen in de ander, waardoor je niet vastroest in je eigen ideeën.

“Alles telkens weer in je handen nemen, het van alle kanten observeren, zien hoe het licht erin breekt. Dat zou de motor moeten zijn van ons denken, zoeken en creëren.”

“Dat stukje heb ik geschreven toen mijn zoontje nog maar een paar maanden oud was en het nog niet duidelijk was welk jongetje er in mijn armen lag.

“Inmiddels weet ik dat hij heel teder is en ik hoop dat hij dat ‘manzachte’ – versus ‘manhaftige’ – behoudt. Dat is niet evident in onze prestatiegerichte maatschappij.

“Een klein, maar sprekend anekdotetje: telkens als ik hem van de kleuterschool afhaal, staat hij erop alle kinderen en juffen nog een knuffel te geven voor we naar huis gaan.

“Nu wilde een van zijn vriendjes nog een wedstrijdje lopen: om het eerst naar de overkant. Waarop mijn zoontje voorstelde om samen te lopen, wat ze toen effectief hand in hand hebben gedaan. Beide jongetjes blij. Zo kan het dus ook.

“Dat was zowel lief als strategisch slim, want hij voelde ook wel dat hij dat wedstrijdje niet zou winnen.”

Hoe lichamelijk is het moederschap?

Is ze van haar zoontje, dat ze heeft gedragen en borstvoeding heeft gegeven, een andere moeder dan van haar dochtertje?

“Sowieso is de liefde voor mijn twee kinderen even onmetelijk als de zee.

“Ziehier het wonder: je kunt elke keer voor de volle 100 procent liefhebben. Terwijl ik me, voor ik kinderen had, niet eens kon voorstellen dat ik een kind liever zou kunnen zien dan de kat die we toen hadden. En dat was niet eens een lief pluche’ke, maar een venijnige straatkat.

“Tegelijkertijd zullen mijn vriendin en ik nooit de oerkracht van de natuur ontkennen. De band met mijn zoontje is bijna visceraal, alsof die uit mijn ingewanden komt.

“We stellen ook vast dat wanneer hij fundamenteel troost zoekt, hij sneller naar mij komt. Terwijl Perèz’je dan juist mijn vriendin zoekt.”

© Elke Pannier

“Ik heb”, gaat ze verder, “Perèz niet tot mijn kind gemaakt, zij heeft mij tot moeder gemaakt. Het was, dat is geen geheim, een moeilijk begin.

“Mijn vriendin Limore (joodse, red.) haar ouders steunden ons niet, waardoor ik me er als Piet Snot bij voelde staan, toen mijn vriendin, haar moeder en grootmoeder boven het wiegje hingen.

“Was ik mama geworden?

“Het was Perèz’je zelf die zich aan mij begon vast te klampen, alsof ze voelde dat ik nog moest worden bevestigd in mijn rol.

“Er is een periode geweest dat ze iedereen, inclusief mijn vriendin, wegduwde en eenkennig bij mij wou zijn.

“Haar eerste ‘mama’ was aan mij gericht, in het bijzijn van de biologische grootmoeder.

“Vanaf toen kon niemand er nog tussen. Zij had mij gekozen. Bij Faro was ik nonchalanter, want ik hoefde niet te bewijzen dat ik het verdiende om zijn mama te zijn.”

Heelal

Limore is de bad cop. Degene die de kinderen vitaminerijk eten serveert, met agenda’s jongleert en deze zomer virtuoos met tentstokken zal dansen.

Uit Vanhauwaerts stadsgedicht Wij.hier.nu.ja (2019) sprak een onverzettelijk geloof in deze liefde. Zij zouden de stormen doorstaan, gespleten valleien weer bij elkaar krijgen.

Denkt ze er nog steeds zo over of was ze overmoedig toen?

“Wij zijn nu al meer dan achttien jaar samen en ik heb al vaak gedacht en gezegd: Limore is de rots, zodat ik in de branding kan zijn.

“Ik vind veel schoonheid in een leven samen, waarin je af en toe van elkaar lijkt weg te stromen, maar elkaar toch altijd weer vindt.
‘Aan u gebonden ben ik vrij.’

“Een onstuimig liefdesleven zou vast meer inspiratie opleveren voor de poëzie, maar doe mij maar een lieflijk riviertje met een bron die ver teruggaat.

“Evengoed kan ik me voorstellen dat mijn leven totaal anders was gelopen.

“Voor ik kinderen had, voelde ik me ook vervuld. Zij moesten geen gemis opvullen. Wel hadden wij beiden het verlangen om dat bolletje chaos toe te laten in ons leven.”

Vandaag is geen zoele zomerzeedag. De wind snijdt genadeloos door alles heen. Windkracht 10 op de schaal van Beaufort, schatten we. Weten wij veel. Op het moment dat we het zeggen, is het zo.

Vanhauwaert hoeft evenmin echt in zee te zwemmen om in zee te zwemmen.

“Het gaat om de illusie. Ergens beschrijft Pessoa hoe je door te kijken naar dansers zelf aan het dansen bent.

“Aan zee is er bovendien altijd de illusie van de overkant. Ginds ligt Engeland, dat weet ik, en toch lijkt daar alles mogelijk.

“Als kind heb ik veel gezwommen. Op vakantie zat ik vaak de godganse dag in het Gardameer, onderzoekend hoe diep ik durfde te gaan, dwars door de warmtelagen heen.

“Kennelijk weet mijn spiergeheugen dat nog. Net zoals de handen van een pianist blijven weten wat te doen, zwem ik, hoewel al lang niet meer sportief, nog steeds iedereen naar huis.”

Vanhauwaert koestert de lange zomers uit haar jeugd vol onverdeelde tijd, waarin de dagen in elkaar overliepen.

“Dan spanden mijn tweelingzus en ik een koord tussen twee bomen, gooiden er een deken over en noemden dat een tent.

“Of ik maakte op het koertje achterin een karretje waarvoor ik de inspiratie had gehaald bij Jommeke. Hij had voor zijn zelfrijdende autootje het motortje uit Theofiels grasmachine gehaald. Mijn karretje was van karton, de motor dacht ik erbij.

“Ook herinner ik me dat we in mijn tienerjaren een paar keer naar de Zwitserse Alpen zijn getrokken, om er rotsen en gletsjers te beklimmen.

“Ik sta nooit meer op een gletsjer, maar ik kan wel nog het beeld en het gevoel oproepen dat ik had toen we na een meerdaagse tocht boven op de Dom stonden. Je weet wel, dat on top of the world-gevoel.”

© Elke Pannier
© Elke Pannier

Ze heeft heimwee naar die zoete zomers, maar ook naar de “zomers die er nooit zijn geweest” of die ze zich heeft ingebeeld.

“En hoe ik niet vergeet wat ik vergeten ben, meer nog/ dat wat ik vergeten ben, daaraan denk ik nog het meest”, luidt een versregel.

“Mijn heimwee heeft niks te maken met een plek of een moment, ik ben gewoon weemoedig van aard.

“Om die reden beweeg ik me graag op twee scènes: het papier en het podium.

“Op papier ben ik vooral geest. Als ik te lang aan mijn schrijftafel zit, bestaat het gevaar dat ik wegzak in het gezapige en lethargische van de weemoed.

“Op het podium val ik samen met mijn lichaam en word ik omgekeerd fris, helder en alert. Dan raast de adrenaline door mijn lijf. Het heeft iets verslavends.

“Het liefst golf ik van de ene energie naar de andere, bestuif ik ze met elkaar.”

“Tegelijkertijd”, dat is haar hartritme.

Toch vindt ze het niet eenvoudig om op de beat van de samenleving een toonvast muziekje te vinden tussen leven, liefde en werk.

Ooit vonden Limore en zij de tijd om met een telescoop naar kraters op de maan te kijken. Nu staat de telescoop te verstoffen.

Zijn de kinderen nu haar heelal?

“Eigenlijk wel. Soms onweert het en dan zitten ze alle twee op een krukje voor het geopende schuifraam, snoepend van een boterham met speculoospasta, te kijken naar de bliksem.

“En ja, dat is voor mij het heelal. Het al.

“Mijn West-Vlaamse schoonbroer noemt zijn kinderen zo mooi ‘ons lang leven’. Daar komt de oneindigheid voor mij op neer: alles voelen in de tijdelijkheid van een moment.

“Evengoed in zo’n moment als op het Meiserplein. Ik ben erin getraind geraakt om dat te zien.

“Dichter bij geluk kan ik, denk ik, niet komen.”

© Elke Pannier

Tenzij ze binnenkort een zomerhit scoort, natuurlijk.

Het zou zomaar kunnen, want in 2020 schreef ze een West-Vlaamse plakker, een “hit gelijk ‘n sjeklitte”, met Tom Kestens. Te vinden op Spotify.

“Het vertrok vanuit het refrein ’t zit e’ hit in, en daarrond schreven we wat strofes.

“Het is natuurlijk bedoeld als mopje, hoogstens als parodie op West-Vlaamse hits.

“Elke zomer post ik het opnieuw via mijn sociale media, in de hoop dat het alsnog wordt opgepikt. Maar voorlopig was de titel beter ‘Flopje!’ geweest dan ‘Hitje!’”

Nooit de lezer van De Standaard onderschatten, zeg ik.

En anders volstaat het om het een hit te noemen, en het is er een.

Bio



Tussen ons
Wij zijn evenwijdig
Het stad in mij
Tosca

© Elke Pannier


Lees ook


Lees ook

Klik op de hyperlinks hieronder
en vind meer berichten

,


Bron: De Standaard

Welkom op Facebook

Welkom op Bluesky

Naar de website


Scroll naar boven