Essay – Jonathan Holslag – Waarom er in België bijna evenveel psychologen als ingenieurs afstuderen


Ondanks ronkende verklaringen en miljarden aan subsidies, investeren bedrijven nauwelijks in industrie, omdat onzekerheid, ruimtegebrek en een gebrek aan betrokkenheid het draagvlak ondermijnen, schrijft Jonathan Holslag.

Jonathan Holslag – De Morgen

29 maart 2025

Leestijd: 8 min


‘Er is een nieuw pact nodig tussen fabrieken en de samenleving.’

Jonathan Holslag


Opnieuw komt Europa tot de vaststelling dat het dringend zijn industrie moet verstevigen.

De afgelopen tien jaar nam het zich achtereenvolgens voor om in verschillende sectoren een inspanning te leveren:

  • Schone energie met inbegrip van batterijen
  • Farmaceutische producten
  • Computerchips

Nu richt het zijn vizier op defensie. Komt daar nog bij dat in het aanschijns van groeiend protectionisme elders in de wereld, Europa hoopt zijn eigen boontjes iets meer te kunnen doppen.

Ook België wil opnieuw fabrieken bouwen. De balans van die voorbije tien jaar oogt echter weinig opbeurend.

Ondanks een resem topconferenties gevolgd door ronkende verklaringen, blijven bedrijven bijzonder terughoudend en wil het met de herindustrialisatie niet echt vlotten.

Europa’s aandeel in de wereldwijde industriële productie is het afgelopen decennium verder afgekalfd van ongeveer 18 naar 15 procent. Het Belgische aandeel in de Europese productie is rond 3 procent blijven schommelen.

Cijfers van de Nationale Bank geven aan dat de Belgische maakindustrie ook in absolute cijfers, aangepast voor inflatie, stagneert, terwijl sectoren als de detailhandel blijven groeien.

Specialiteit: consumeren

We specialiseren ons dus steeds meer in consumeren.

Ik stel dat ook vast in mijn stad: terwijl burgers zich verkneukelen om de komst van enkele nieuwe populaire winkelketens aan de ene kant, blijkt er relatief weinig belangstelling voor het wedervaren van de industrie aan de andere kant.

Toegang tot een breed gamma spulletjes wordt snel beschouwd als een verworvenheid, terwijl niemand er echt van uitgaat dat we de rekening voor de vaak ingevoerde spulletjes ook moeten kunnen blijven betalen.

Vroeger deden we dat door veel auto’s, machines, textiel, chemische producten en geneesmiddelen uit te voeren; vandaag blijft toch vooral de laatste sector als sterkhouder over.

Zo nu en dan hoor je dat de dienstensector het gat van ter ziele gegane industriële niches in dit land kan vullen, maar ook in die cluster voeren we meer in dan dat we uitvoeren.

Op zich is een kortstondig handelstekort niet echt dramatisch, maar het zegt wel iets over de sterkte van de economie.

Bedrijven in de industrie blijken allerminst gretig om nieuwe investeringen te doen.

Aangepast voor inflatie groeide de zogenoemde kapitaalgoederenvoorraad in de maakindustrie de voorbije tien jaar met amper 4 procent.

De chemische sector was lang een belangrijke investeringskampioen, maar door het wegvallen van goedkope fossiele brandstoffen en het concurrentievoordeel van de Verenigde Staten op dat vlak, is het ook daar stil geworden.

De stroom van investeringen in de chemische cluster van Antwerpen is drooggevallen.

ArcelorMittal in Gent stelde eind vorig jaar een grote investering, goed voor 2 miljard, uit als gevolg van onzekerheid over energie en het investeringsklimaat.

Ook voor de toekomst lijkt er weinig beterschap op komst.

De zogenoemde investeringenintentie in de hele Europese maakindustrie is de voorbije jaren afgekalfd en ligt in België lager dan het gemiddelde van de eurozone.

Indicatoren van de Europese Commissie bevestigen dat de onzekerheid in de industrie ook een stuk hoger ligt dan in de dienstensector en in de detailhandel in het bijzonder.

Dit bevestigt wederom het beeld van een economie waarin de consument nog wel even zal blijven consumeren, maar waarin het steeds minder vanzelfsprekend wordt om goederen te produceren.

Het toont ook aan dat alle verklaringen en beloftes van politici weinig tot geen indruk maken.

Meer nog: zelfs de honderden miljarden aan subsidies die Europa belooft, overtuigen de industrie amper.

Vaak hoor je dat het gewoon veel te ingewikkeld is om van die subsidies gebruik te maken en dat vooral kleine fabrieken niet door de rompslop heen geraken.

En de subsidies volstaan ook gewoon niet om de onzekerheid en andere beperkingen weg te nemen.

We zijn godzijdank China niet, waar de overheid zonder enige limiet fabrieken geld toestopt: of ze nu rendabel zijn of niet. En dus moeten zelfs gesubsidieerde fabrieken in Europa stilstaan bij hun werkelijke concurrentiekracht.

Gebrek aan ruimte

Wat ons land ook parten speelt, is een gebrek aan ruimte. Veel bedrijventerreinen zitten vol en weinig steden lopen ervoor warm om nieuwe ruimte aan te snijden.

Opnieuw is er weinig draagvlak: waarom open ruimte opofferen voor fabrieken als de spulletjes bijna vanzelf in de winkelrekken lijken te belanden?

Zoals vaak nemen we graag de lusten van de economie, maar schuwen we de lasten.

Industrie met een zekere schaalgrootte vindt amper nog een plek in België. Vooral Noord-Frankrijk profiteert daarvan.

Belgische bedrijven trekken nu naar de regio rondom Rijsel omdat de Franse overheid kwistig is met financiële steun, soepel bedrijventerreinen aanbiedt en blijkbaar ook soepeler omgaat met de vergunningen.

Weinigen willen industrie meer plaats geven. Waarom open ruimte opofferen voor fabrieken als de spulletjes bijna vanzelf in de rekken lijken te belanden?

De directeur van een voedingsmiddelenbedrijf in het Kortrijkse vatte het als volgt samen:

“We hebben in België drie jaar naar een geschikt terrein gezocht. Vonden we een terrein, dan raakten we niet in orde met de vergunningen; kregen we een vergunning, dan volgde een eindeloze betwistingsprocedure. In Frankrijk hebben we hetzelfde in drie maanden kunnen voorbereiden en moesten we voor alle aanvragen maar bij één dienst passeren. In België ondernemen we tegen wil en dank.”

België is natuurlijk een volgebouwd land. Maar wat ook telt, is het feit dat fabrieken vandaag véél minder verankerd zijn in het lokale weefsel.

Wil een fabriek in Europa overleven, dan moet zij op automatisering inzetten. De baten van de industriële activiteit nemen af voor de lokale gemeenschap.

Vroeger werkte er meer volk, werden lokale verenigingen gretig gesponsord en nam de industrie een prominente rol op in steden.

Vandaag zien steden steeds minder jobs en andere economische baten, maar vaak meer vrachtwagens en een minstens even groot ruimtebeslag.

De onrechtstreekse tewerkstelling waarmee vaak geschermd wordt, die maakt doorgaans weinig indruk.

Winst weggesluisd

Veel grote fabrieken in België blijven ondanks de onzekerheid enorm winstgevend.

KBC besloot dat onlangs ook in een analyse:

‘Hoewel de winstgevendheid van de Belgische bedrijven algemeen verbeterde, was de stijging van de brutowinstmarges in de industrie het afgelopen decennium opvallend sterk’,

merkte de bank op.

‘Ook in Europees perspectief scoort de Belgische industrie inzake winstgevendheid erg goed. Gemiddeld lag die zes procentpunten boven het EU-gemiddelde.’

De winsten die uit de industrie naar hoofdzetels in het buitemland worden versluisd, zijn zeer aanzienlijk.

In 2023 alleen al werd vanuit fabrieken in België liefst 17 miljard euro aan winsten of investeringsinkomsten naar hoofdzetels in het buitenland gesluisd, terwijl nieuwe investeringen in die fabrieken in België erg bescheiden bleven.

Omdat de grote fabrieken in België vaak in buitenlandse handen zijn, staat de betrokkenheid ten aanzien van de lokale economie sowieso ook wat meer onder druk.

Wat kan een aandeelhouder in Parijs of Dublin immers het wedervaren van een fabriekswijk, het lokale verenigingsleven of de banden met het lokale bestuur schelen?

Grote industriële fabrieken doen op dat vlak ook wat ze horen te doen: de markt laten spelen.

Ze maximaliseren de subsidies die ze kunnen verkrijgen en minimaliseren de belastingen. Een fabriek is immers geen vzw.

Toch draagt juist die houding vaak bij tot het afbrokkelende draagvlak voor industrie in België en bij uitbreiding verschillende Europese landen.

De industrie draagt dus zelf ook verantwoordelijkheid. Het moet zelf mee bouwen aan het draagvlak door genereuzer en solidairder te zijn.

Slag om ingenieurs

Die maatschappelijke verantwoordelijkheidszin is overigens een belangrijke voorwaarde om een ander obstakel aan te pakken: het gebrek aan geschoolde arbeidskrachten.

Of het nu gaat om de chemische sector, de geneesmiddelenbranche, de computerchip sector of de defensie-industrie: er kondigt zich een zeer hevig gevecht om opgeleide en gespecialiseerde werknemers aan.

Neem ingenieurs.

De voorbije tien jaar groeide het aantal studenten in opleidingen als management en administratie met 62.000, terwijl het aantal studenten in ingenieurswetenschappen slechts met 7.500 groeide.

Er studeren in dit land nu bijna evenveel psychologen als ingenieurs af.

Jongeren laten zich niet alleen meer door een salaris en comfort verleiden. De missie van de sector en de bedrijven is even doorslaggevend.

Op dat vlak kunnen fabrieken de slimste propagandajongens inhuren; niets overtuigt meer dan een maatschappelijke missie die voelbaar is.

Niets is overtuigender dan een bedrijf dat zichtbaar bijdraagt tot een aangenamere buurt waarin werknemers hun leven kunnen uitbouwen.

Als de industrie talent wil aantrekken, moet haar missie oprecht en tastbaar zijn.

Kortom, we staan voor een gedeelde verantwoordelijkheid. Europa en ons land in het bijzonder kunnen zonder industrie geen welvarende toekomst uitbouwen.

Maar er is echt wel nood aan een nieuw pact tussen fabrieken die steeds anoniemer worden en een samenleving die opnieuw het belang van de fabrieken moet leren erkennen.


ArcelorMittal in Gent zette eind vorig jaar een groene investering ten bedrage van twee miljard euro on hold wegens onzekerheid over energie en het investeringsklimaat. Wouter Maeckelberghe / Getty Images

Lees ook

Klik op de hyperlinks hieronder
en vind meer berichten

Jonathan HolslagEssay



Bron: De Morgen

Welkom op Facebook

Welkom op Bluesky

Naar de website


Scroll naar boven