Dertig jaar na Srebrenica staat Servië op een ander kruispunt: niet oorlog, maar onzekerheid bedreigt de toekomst. Nationalisme maakt plaats voor protest, twijfel en desillusie. Wat betekent dat voor Europa?
Jonathan Holslag – De Morgen
19 juli 2025
Leestijd: 7 min
Deze maand is het dertig jaar geleden dat duizenden burgers werden afgeslacht door Bosnisch-Servische milities in Srebrenica.
Deze volkerenmoord vormde een triest keerpunt in een oorlog die jarenlang het hele voormalige Joegoslavië heeft geteisterd.
Miljarden euro aan hulp en duizenden vredeshandhavers later kan de Europese Unie enigszins opgelucht ademhalen: het is sindsdien relatief rustig gebleven in de Balkanregio.
Slovenië en Kroatië zijn intussen tot de Unie toegetreden.
Beide staten zijn stabiel en kennen mooie groeicijfers. Steden als Ljubljana, Zagreb en natuurlijk de Adriatische kustplaatsen zijn stuk voor stuk toeristische pareltjes. Ook het platteland wordt steeds vaker ontdekt door buitenlandse bezoekers.
Als fietspaden, sorteerstraten en windmolens de uitwendige tekenen zijn van wat de Britse academica Helen Wallace ooit ‘europeanisering’ noemde, dan is die europeanisering hier volop aan de gang.
Slovenië en Kroatië zijn nog altijd armer dan de meeste andere lidstaten, maar ze tonen aan dat Europese uitbreiding succesvol kan zijn.
Ook elders in de Balkan blijft het bijzonder stabiel. Zo nu en dan komt het weliswaar tot opstootjes tussen Servië en Kosovo.
In Bosnië zinspeelt Milorad Dodik, de leider van de Servische Republiek, al drie decennia op onafhankelijkheid. Maar hij komt telkens terug op zijn plannen en vluchtte onlangs naar Rusland als gevolg van een arrestatiebevel.
In de Bosnische valleien mogen dan nog duizenden kalasjnikovs onder matrassen liggen en in schuurtjes verstopt zijn: weinigen laten zich nog opruien door Dodik.
Ingestorte overkapping
Een grootschalige peiling uit 2021 gaf aan dat slechts een derde van de inwoners van de Servische Republiek zich wil afscheiden van Bosnië.
Bijna driekwart beschouwt het voorkomen van nieuw geweld als prioriteit. De grote meerderheid vindt dat de overheid zich beter bekommert om de economie dan om zogenoemde ‘Servische eenheid’.
Vorig jaar probeerde Dodik nog een massabetoging te mobiliseren onder de slogan ‘Srpska te zove’, oftewel ‘Servië roept je’.
Slechts een kleine tienduizend demonstranten daagden op in de straten van Banja Luka, een stad van toch bijna tweehonderdduizend inwoners.
In Servië zelf ligt de situatie helemaal anders. Daar zijn de afgelopen maanden honderdduizenden mensen de straat opgegaan; niet om de grootsheid van de Servische natie te bezingen, maar om te protesteren tegen de corruptie van de regering van Aleksandar Vučić, die er al twee decennia de scepter zwaait.
De protesten begonnen na de instorting van een overkapping op een station in Novi Sad, op de trage spoorlijn tussen Boedapest en Belgrado.
Daarbij kwamen zestien mensen om het leven. De werken werden uitgevoerd door een Chinees staatsbedrijf.
De demonstranten richtten hun woede niet zozeer op China, maar op de lokale overheid, die volgens hen slecht en corrupt bestuur voert.
Sinds die instorting, in november vorig jaar, nemen studenten in Novi Sad het voortouw in betogingen, demonstraties en politiek verzet.
Dit weerwerk krijgt in zowat heel Servië bijval.
In de maanden daarna verschoof de focus van het verzet van het lokale bestuur naar de nationale regering van Vučić.
Telkens ik de afgelopen jaren in Servië kwam, hoorde ik dat Vučić de beste garantie was op stabiliteit.
Er waren wel zorgen over corruptie, bijvoorbeeld bij een groot vastgoedproject aan de oevers van de Sava in Belgrado, maar doorgaans kwam dan toch de opmerking: er is geen alternatief.
Tot in december bleek dat ook uit de peilingen: de Servische Progressieve Partij haalde steevast bijna 50 procent.
Die steun is nu ingezakt. De partij van Vučić scoort de laatste weken nog maar amper 35 procent.
De parlementsverkiezingen zijn pas voorzien voor 2027, maar het is voor het eerst in twintig jaar dat Vučić wankelt – ondanks zijn controle over de media, politieke patronage en nationalistische retoriek.
Geen offers
Het nationalisme in Servië brokkelt al langer af, ondanks de pogingen van Vučić om de Groot-Servische droom levend te houden en de animositeit met Kosovo af en toe op te stoken.
De Balkanbarometer wijst uit dat iets meer dan 40 procent van de Serviërs nog steeds vindt dat de wonden van de Joegoslavische oorlogen niet zijn geheeld. Bij jongeren ligt dat percentage aanzienlijk lager.
Maar zelfs als dat verleden nog niet volledig verwerkt is, zijn weinigen bereid om opnieuw geweld te riskeren.
Al meer dan tien jaar tonen peilingen aan dat de meerderheid van de Serviërs erkent dat Kosovo in de praktijk onafhankelijk is, al willen velen dat nog niet formeel erkennen.
Ook nu het verzet tegen de Servische president groeit, blijft Brussel oorverdovend stil. Waar is Brussel?
Peilingen uit 2018 en 2019 geven aan dat amper 10 procent nog geweld overweegt om Kosovo te heroveren, en dat slechts 20 procent economische offers wil brengen om het in te lijven.
Net zoals in de Servische Republiek zijn burgers in Servië niet bezig met symbool politiek, maar met de economie.
En die economie slabakt. Vijf jaar geleden vond bijna de helft van de Serviërs dat het goed ging met de economie; inmiddels is dat gedaald tot 20 procent. De meerderheid verwacht geen beterschap.
Niet de vlammen van Servisch nationalisme laaien op, maar twijfels over de toekomst. Stijgende prijzen en corruptie zijn de voornaamste oorzaken van die twijfel.
De meerderheid van de Serviërs vertrouwt de overheid niet meer, en evenmin de politiek gestuurde media. Als gevolg daarvan versplintert het politieke landschap.
De partij van Vučić verliest steeds meer terrein aan een ratjetoe van kleine partijtjes: van linkse studentenbewegingen tot conservatieve plattelandsgroepen.
Enkele jaren geleden had ik in Belgrado een gesprek met Slavko Lazanski.
Lazanski werd als journalist tweemaal opgepakt ten tijde van Slobodan Milošević.
Hij waarschuwde toen dat als het Servische regime geen economische groei kon leveren, het terug zou grijpen naar de Groot-Servische gedachte.
‘Wat zal Vučić doen als de groei tegenvalt?’ opperde hij toen.
‘Vučić is een opportunist. Als hij zijn macht via een groeiproject kan realiseren, zal hij die kans grijpen. Lukt dat niet, dan zullen we opnieuw kennismaken met de politicus die ooit de propaganda van een dictator verzorgde.’
Maar Groot-Servië voelt zich de laatste jaren eerder klein. Servië kampt met desoriëntatie: zowel politiek als geopolitiek.
Ruim 40 procent van de Serviërs zou willen emigreren, bij voorkeur naar de Europese Unie, waar werk is.
Tegelijk zijn de meningen over EU-lidmaatschap verdeeld. Tot tien jaar geleden was de meerderheid doorgaans voor, maar de laatste jaren is dat een minderheid geworden.
Redenen zijn onder andere het trage toetredingsproces, het gevoel dat Servië niet welkom is in de Unie, en de twijfel over de daadkracht van Brussel.
Europees lidmaatschap
Ook nu het verzet tegen Vučić groeit, blijft Brussel oorverdovend stil. Zelfs progressieve krachten voelen zich in de steek gelaten.
Waar is Brussel?
Mogelijk vreest men daar dat een harde houding ten aanzien van Vučić zal leiden tot spanningen in Kosovo of de Servische Republiek in Bosnië, of dat Servië zich nog meer op China en Rusland richt.
Toch lijkt dat laatste twijfelachtig.
Europa doet best geen beloften die niet haalbaar zijn. Maar het moet de kansen wel grijpen
Hoewel Belgrado Rusland na de invasie van Oekraïne nooit volledig heeft afgekeerd, stemde het wel in met een resolutie die de invasie veroordeelt, leverde het wapens aan Oekraïne, bouwde het de energie afhankelijkheid van Rusland af en verving het Russische wapens door Europese en Chinese alternatieven.
Ook Vučić beseft dat zijn toekomst niet bij Poetin ligt. De meerderheid van de Serviërs pleit voor een neutrale houding, maar zo’n 45 procent beschouwt Rusland nog steeds als belangrijkste bondgenoot.
In die context is het belangrijk dat de Europese Unie pragmatisch blijft en haar banden met Servië verder aanhaalt.
De verkiezingen zijn nog ver weg, en er is voorlopig geen duidelijk alternatief voor Vučić. Alle bruggen verbranden heeft geen zin.
Europa moet betekenisvolle banden blijven opbouwen: via economie, onderwijs, culturele uitwisseling, enzovoort.
De relaties met de Balkanlanden hoeven geen binaire keuze te zijn tussen lidmaatschap of geen lidmaatschap.
Er is nog heel veel ruimte om op andere manieren vertrouwen en samenwerking gelijkelijk op te bouwen.
De nieuwe vertwijfeling in landen als Servië is een kans voor Europa om een betrouwbare partner te worden. Met die kans gaan we best omzichtig en pragmatisch om.
We doen best geen beloften die niet haalbaar zijn. Maar we moeten de kansen wel grijpen.

Lees ook
Klik op de hyperlinks hieronder
en vind meer berichten
Bron: De Morgen