Misschien begint hoop daar, schrijft Angelo Tijssens na het overlijden van zijn schoonvader in een woonzorgcentrum: in het besef dat we het niet eens hoeven te zijn om toch zorgzaam te handelen.
Angelo Tijssens – De Standaard
24 juli 2026
Leestijd: 8 min
De muren zijn in een zacht poederroze geschilderd en aan het onthaal flikkeren theelichtjes op batterijen.
Dit is de plek waar je pas terechtkomt als alle hoop op beterschap voorgoed begraven is.
Er zijn nog geen tien kamers, allemaal hebben ze een klein terrasje waarop de zon ongenadig hard brandt tijdens de hittegolf.
Er is een stille ruimte, een keuken, een badkamer met een groot bad en een elegante takel om immobiele patiënten in het water te krijgen.
Het verplegend personeel is er alleraardigst en de afdeling bestaat uit een vrijstaand gebouwtje, alleen maar gelijkvloers. Rolstoelen, bedden en brancards rijden er vlot binnen en buiten.
Er hangt een affiche aan het prikbord: volgende week bakt een van de vele vrijwilligers pannenkoeken.
Dit is de zorginstelling waar mijn schoonvader enkele weken geleden stierf. Nog voor de pannenkoeken werden gebakken.
De frietjes – elke woensdag! – konden hem wel nog smaken. Ook die worden door de vrijwilligers gebakken.
Onder het afdak staat een airfryer en een frituurpan met olie klaar.
De vrijwilligers, allemaal van pensioengerechtigde leeftijd, doen meer dan alleen maar bakken: ze doen de afwas, maken op eenvoudig verzoek bechamel- of champignonsaus.
Ze doen dat glimlachend en bescheiden – zij zijn er om te hélpen, zodat de naasten van de stervenden bij hen kunnen zijn.
Ik weet niet wie die mensen zijn en ik kan me tal van verhalen verbeelden waarom ze hier, in deze tussenruimte tussen een geleefd leven en de naderende dood, hun vrije dagen komen slijten.
Hierbinnen worden ze door velen als engelen beschouwd, met het bijbehorende geduld.
En toch: ik weet niets over die vrijwilligers. Niet of ze geloven in een god en zo ja, in welke, niet hoe ze hun kinderen hebben opgevoed.
- Misschien zouden we het over van alles oneens zijn.
- Misschien stemmen ze op partijen waarvan ik gruwel.
- Misschien denken ze over migratie, klimaat of religie precies het tegenovergestelde van wat ik denk.
Ik weet het niet. En op dat moment deed dat er niet toe. Het zijn natuurlijk ook gewoon maar mensen.
De troost van aardappelen
Ik denk dat we tegenwoordig steeds vaker geloven dat we eerst moeten weten wie iemand is, voor we kunnen beslissen of we hen vertrouwen. Alsof politieke overtuiging een toegangsbewijs tot menselijkheid geworden is.
Op die afdeling gebeurde precies het omgekeerde. Daar deed niemand eerst een identiteitscontrole voor de frieten in het vet gingen.
Wat ons daar verbond, was de troost van aardappelen die exact lang genoeg bakken, het kinderlijke plezier van frieten eten en de bevende vinger die de laatste korrels zout uit een kommetje haalt. Niemand ligt hier wakker van cholesterol of de nieuwste politieke rel.
In de luttele dagen dat mijn schoonvader hier verbleef, zag ik verschillende van die vrijwilligers.
Een van hen bracht eten rond – recht van de kleine keuken naar de voor de zon verduisterde kamer, op een porseleinen bord.
Geen ziekenhuiseten, maar iets dat een tante voor je gemaakt heeft, iets wat met liefde werd afgekruid.
In hun glimlach zit mededogen, iedereen die voorbij schuifelt, onderweg naar toilet, geliefde, grootouders of uitgang, krijgt een royale portie. Zonder dat de twee partijen iets van elkaar weten, behalve dan dat ze zich allebei in deze tijdelijke zone bevinden.
Misschien begint samenleven precies daar: niet bij weten wie de ander is, maar bij verdragen dat je het niet weet.
Bij Hannah Arendt, wier werk me de laatste tijd meer dan wat dan ook getroost en geprikkeld heeft, is pluraliteit de absolute basisvoorwaarde voor menselijk handelen en vrijheid.
Het betekent dat de wereld wordt bewoond door een meervoud aan unieke, gelijke individuen die met en naast elkaar leven, in plaats van door één abstracte mensheid.
Ik ben Arendt beginnen te lezen uit onvrede. Niet alleen over de wereld, maar ook over mezelf.
Ik merkte hoe snel ik mensen begon onder te brengen in kampen, hoe belangrijk het werd om te weten aan welke kant iemand stond voor ik hem nog ernstig kon nemen.
Van sociale media verdwijnen hielp. Arendt lezen nog meer.
Omdat ze mijn aandacht verlegde: weg van de vraag wie iemand is naar de vraag wat er gebeurt als mensen samen een wereld delen.
Bij haar begint politiek niet bij eensgezindheid, maar bij het gegeven dat we met velen zijn:
- Gelijk genoeg om elkaar te verstaan
- Verschillend genoeg om niet in elkaar op te lossen
Omdat we pluraliteit bezitten, hebben we een publieke ruimte nodig waarin we ons via taal en daden aan elkaar tonen.
Gebruikte glazen
Een van die daden herinner ik me nog scherp. Toen ik enkele gebruikte glazen terugbracht naar het keukentje, nam een vrijwilligster ze uit mijn handen.
“Dat is mijn taak”, zei ze. “Daarom ben ik hier.”
Voor het eerst die dag schoot ik vol.
Ik had de hele dag geprobeerd nuttig te zijn. Er moest van alles geregeld worden en dus regelde ik mee. De glazen wegbrengen was gewoon de volgende taak.
Toen ze me die uit handen nam, viel die rol even weg. Haar acht woorden maakten van mij opnieuw iemand die afscheid aan het nemen was.
Arendt zou zeggen dat precies daarin iets menselijks zichtbaar wordt: iemand verschijnt in de wereld door te handelen. Of: ik mocht aan de wereld verschijnen omdat iemand anders handelde.
Ik weet alleen dat ze de glazen met de hand afwaste, hoewel er een afwasmachine stond.
Op die bloedhete dag stond ze met haar handen in warm water glazen schoon te maken. Verder weet ik niets over haar.
Misschien begint hoop daar: in het besef dat we het niet eens hoeven te zijn om toch zorgzaam te handelen.
Niet omdat we dezelfde wereldbeelden delen, maar omdat we dezelfde wereld delen.
Actieve hoop is dan niet het passieve wachten op verbetering of genezing, maar het liefdevol omarmen van de wereld als eerste stap om er iets aan te veranderen.
Arendt gebruikte daarvoor een uitdrukking die me niet meer loslaat: Amor mundi, liefde voor de wereld.
Niet omdat de wereld zo liefdevol is, maar omdat ze alleen bewoonbaar blijft wanneer mensen haar ondanks alles blijven verzorgen.
Het is de beslissing om verantwoordelijkheid te nemen voor een wereld die onvolmaakt is.
Amor mundi, nog voor het einde van de zomer zal ik die woorden boven mijn knie laten tatoeëren.
Nieuwe maatjes
In Hope in the dark schrijft Rebecca Solnit dat hoop geen voorspelling is, maar een reden om te handelen.
- Hoop is geen gevoel, maar een praktijk.
- Hoop bestaat pas echt wanneer hij vorm krijgt in handelen, want hoop is niet het geloof dat alles goed komt, dat is de les die ik op deze plek al gauw oppikte.
- Hoop is het besef dat wat we doen, ertoe doet, juist omdat we niet weten hoe het zal aflopen.
Dat besef kreeg voor mij vorm in alles wat er die laatste dagen gebeurde. Terwijl we afscheid namen, begon de zomer gewoon verder.
Eerst waren er asperges geweest, de eerste aardbeien, nu maatjes. Door mijn schoonvader deelden we de seizoenen op in meerdere seizoenen.
Misschien is dat wat me aan Arendts idee van nataliteit doet denken. Niet omdat de natuur zich blijft herhalen, maar omdat de wereld, zelfs op een plek waar iemand sterft, blijft uitnodigen tot nieuwe handelingen, tot iets nieuws.
En dus aten wij de nieuwe maatjes terwijl we wachtten op de bestelde pizza en hij dronk een glas van de Toscaanse wijn die hij thuis in de kelder had bewaard.
Na het afscheid, dat zoals alles bij mijn schoonvader in de weken voor hij stierf, woordeloos maar vol betekenis was, werden we met zijn allen naar de stille ruimte geleid.
Daar vroeg een van de medewerkers aan de kinderen of ze al een steen hadden mogen kiezen.
Ze bracht een grote bak vol: platte, ronde en grillige vormen. Meteen daarna volgde een doos stiften waarmee ze op hun gekozen steen konden tekenen of schrijven.
De kinderen gingen meteen aan de slag en wij, de volwassenen, wisten onszelf een houding te geven, we werden deel van het ritueel dat zich op de perfect schoongemaakte linoleumvloer afspeelde.
Ze tekenden hartjes op de grijswitte steen.
Een man vroeg of ze hier in de buurt een goede leverancier hadden, voor al die stenen. Neen, zei de vrouw. We brengen die zelf mee, als we met de auto op vakantie gaan.
Misschien raken Arendt en Solnit elkaar precies daar. Voor allebei begint de wereld niet bij grote overtuigingen, maar bij mensen die iets doen.
Dat inzicht krijgt een bijzondere betekenis op een plek waar niemand nog beter wordt.
Niemand verwacht een wonderbaarlijke genezing. En toch is er hoop. Niet als verwachting, maar als handeling, in een eindeloze reeks kleine handelingen.
Dat ergens op een strand, tussen zeeschuim en noorderwind, een verpleegster op vakantie, met haar hele gezin emmers vol stenen vult opdat maanden later twee kinderen door een simpele actie troost en houvast zouden vinden: dat is hoop in actie.
Frieten bakken, een glas afwassen.
“Dit is mijn taak”, zei ze.
“Daarom ben ik hier.”

Lees ook
Lees ook
Klik op de hyperlinks hieronder
en vind meer berichten
Bron: De Standaard