Het is geen natuurwet, maar doorgaans leven honden, katten, konijnen of hamsters korter dan de mens en zul jij je huisdier dus weten sterven. Dat is beestachtig, dat is bruut, maar het is ergens ook heel genadig en geruststellend, vindt Katrin Swartenbroux. Omdat het omgekeerde ondenkbaar is.
Katrin Swartenbroux – De Morgen
8 juli 2026
Leestijd: 5 min
Ode
Journaliste Katrin Swartenbroux schrijft deze zomer elke week een onverwachte Ode aan een fenomeen dat doorgaans geen lofzang krijgt
Gio kwam in mijn leven zoals een kleuter je een steentje brengt.
Ik bedoel, technisch gezien zijn we hem twee jaar geleden zelf gaan halen in het asiel, maar toen we hem uiteindelijk in zijn draagmand op de achterbank hadden, waren we niet zeker of we hem gewoon in bewaring hadden gekregen, of dat hij ergens in de weg zat, of dat hij een heel bijzonder geschenkje was.
We wisten alleen dat hij voor afzienbare tijd een plek zou krijgen in onze bovenste schuif, ook al bleek hij, bij thuiskomst, minder gepolijst dan we dachten.
Nu is een kat met gevoelige darmen, wantrouwige inborst en kattenaids onder de leden doorgaans geen cadeau, en een weldenkender mens zou hem misschien hebben weggegooid wanneer er niemand keek, maar dat zou onlogisch zijn geweest.
Hij was tenslotte al gevonden.
Hoelang hij op straat heeft geleefd weet niemand, maar hij draagt zijn verleden nogal weinig discreet: één oog, een half oor, een vechtersinstinct en een vuilnissigheid waar zelfs Tony Soprano geen blijf mee zou weten.
Hij is bejaard (geschatte leeftijd: 13, wat 109 is in straatkatjaren), hij is wankel en hij is ziek, maar hij is bovenal van ons, zolang we hem alleszins nog mogen hebben.
Het zal immers niemand verrassen dat Gio binnen afzienbare tijd zal sterven.
Sommigen zouden durven te opperen dat hij er momenteel al redelijk overleden bij loopt, maar ooit komt er een dag waarop hij dat daadwerkelijk zal zijn. Dood, bedoel ik dus.
Een dag die ik nu al vervloek, maar waarvoor ik tegelijkertijd ook dankbaar ben.
Wie een huisdier in huis haalt, inviteert nu eenmaal uitgesteld verdriet in zijn privé vertrekken – pijn op de poef en haren op de sofa.
Zelfs al is het nog een jong beestje, je begint aan iets waarvan je bijna zeker weet dat het je op een dag onderuit zal halen.
Dat is op zich waanzinnig.
En uiteraard: iemand die een kind op de wereld zet, moet ook wennen aan het idee dat hun hart voortaan buiten hun lichaam rondbanjert. Maar zij kunnen zich tenminste sussen met het idee dat ze hun biologische plicht verrichten.
Er is niets biologisch aan een huisdier.
Zelfs na al die eeuwen domesticatie kan ik verwonderd kijken naar Gio die in mijn lakens slaapt, Gio die naar mijn tv-programma’s kijkt, Gio die geborsteld wordt en Gio die zoentjes op zijn gehavende oren krijgt terwijl hij mij wellicht als niet meer dan een warmbloedige blikopener ziet.
Een kat in zijn natuurlijke habitat heeft geen favoriete poetshulp, krijgt doorgaans geen verjaardagskaarten en is niet op de hoogte van welke meisjes de selectie voor de Dallas Cowboys Cheerleaders hebben gehaald.
Niets aan deze hele situatie is natuurlijk.
Behalve dan dat hij dood zal gaan.
Ik schrijf uit ervaring, want Gio is niet het eerste dier met wie ik mijn hart en mijn yoghurtpotjes deel. Ik weet hoe het gaat en dat hij zal komen te gaan. Het is beestachtig bruut, maar ergens ook genadig en geruststellend. Omdat het omgekeerde ondenkbaar is.
Omdat ik mezelf nog kan troosten met de gedachte dat hij oud was, dat hij een mooi leven of toch een mooi laatste stukje leven heeft gehad.
Ik heb nog een verklaring: deze woorden.
Maar een huisdier heeft alleen maar rauwe rouw. Een kat of hond kent immers het verschil niet tussen verliezen en verlaten.
Ze verwerken het niet, ze wachten alleen maar, eindeloos en vruchteloos: bij de voordeur die niet meer opengaat, in de trui die nog naar hun baasje ruikt.
Het is dus barmhartiger om hen daarvan te sparen. Hoffelijker, ergens ook.
“Nee, na u. Ga maar eerst. Werkelijk, ik sta erop.”
O, ik ga me voor de kop slaan wanneer de onvermijdelijkheid zich aandient en ik verteerd zal worden van verdriet, wanneer ik in iedere scharrel zijn nageltjes op het parket meen te horen, in ieder onweer zijn onrustige darmen.
Het zal me naar adem doen happen, in foetushouding op de vloer doen belanden om te proberen te bekomen van het soort pijn dat je je ergste vijand nog niet eens toewenst.
Laat staan je allerbeste vriend.
“Je bent warm, je bent droog, je bent veilig, je bent goed”, bleef ik tegen Gio zeggen tijdens de lange autorit van het asiel naar huis.
Om hem aan mijn stem te doen wennen, maar ook omdat het alles was wat ik hem wilde beloven.
Hij moest niet meer zwerven, hij had voortaan een plaats gevonden: in de zetel, in de bovenste schuif.
Warm, droog, veilig en goed.
Voor de rest van zijn leven zou hij nooit nog iets tekortkomen, nooit nog iets moeten missen.
Ik mis hem straks wel voor twee.

Lees ook
Lees ook
Klik op de hyperlinks hieronder
en vind meer berichten
Bron: De Morgen
