Literatuur – Op kapelletjesfietstocht met Randall Casaer, die een handleiding schreef om te bidden


Randall Casaer heeft niks met kerkstoelen of paternosters. Maar bidden doet hij wel, en hij roept iedereen op om hetzelfde te doen. De handleiding die hij ervoor schreef is een zachtroze missaaltje dat uitlegt hoe je het ook kunt proberen.

An Olaerts – De Standaard

23 april 2026

Leestijd: 10 min


“Bidden is jezelf waarnemen”

Randall Casaer


Laat ons bidden pleit op kousenvoeten voor overgave. In efficiënte tijden is het een zeldzaam goed. Daar moeten we over praten. Bidden kan erna nog. Eerst gaan we fietsen, een kapelletjesroute in Diksmuide. Want daar is plaats, daar is het plat. We bidden voor weinig wind en mooi weer.

Randall Casaer wacht in de Stiltedreef, aan knooppunt 82. In mijn broekzak zit een hele verzameling knooppunten, ze zien eruit als de bolletjes van een rozenkrans.

Casaer heeft geen herinneringen aan het gebedssnoer van vroeger. Zo katholiek is hij niet opgevoed. Zijn vouwfiets is bovendien elektrisch en zijn boterhammen voor onderweg zijn al op. Maar hij kijkt uit naar de kapelletjes, de bloemen en de kaarsjes. Meimaand is Mariamaand en bidden is altijd goed, zeker als je er niets van verwacht.

Casaer wil niet voor iets bidden. Hij wil niet tegen iets bidden. Je moet niks vragen. Je moet niks bewijzen.

“Bidden is jezelf waarnemen. Terwijl ik schreef, voelde ik soms wat ik wilde vertolken”, zegt hij.

“Zalig zat ik daar te pruttelen, terwijl schrijven onbelangrijk werd. Het is overigens de eerste keer dat ik éérst heb geschreven en daarna pas heb geschilderd. Maar heel vaak heb ik dus ook niet geschreven, maar gebeden.” 

© Liza François

Casaer fietst een beetje voorop, net zoals in zijn handleiding. Je voelt aan alle zinnen dat hij er eerder is geweest. Hij heeft zijn gedachten duizend keer tegen het licht gehouden, gekeerd, gedraaid, laten liggen, nog eens opgewarmd, doorgekookt en uitgepuurd.

“Geprobeerd om jouw weerstand voor te zijn”, zegt hij.

“En verder gewoon beknopt geformuleerd.”

En toch kreeg zijn uitgever boze berichten van een lezer met woorden als ‘onnozel’ en ‘troep’. Het is hoe bedrieglijk eenvoud is. Ik kan het onzevader nog altijd aframmelen in het Latijn, met alle naamvallen juist, maar dat is de kunst niet.

Gebedje om in te liggen

“Heb je je handen al samengevouwen”, vraagt Randall Casaer. Nee! Ongehoorzaam mens dat ik ben. Het is goed. Het hoeft niet.

Op pagina 16 krijgt iedereen de toestemming om niet te lezen en niet te bidden.

Hop! Stoppen. Sluit het boek, leg het neer en doe iets dat u vreugde brengt. Echt plezier! Geen sauzigheid.

Dus, ik ga mijn hoofd niet buigen en mijn handen niet vouwen. Dat gesmeek ook, in de afwezigheid van alles, ook nog.

Maar lezen over hoe je eventueel zou kunnen bidden, op de wijze van Casaer, doet deugd. Zijn oproep is een eigenaardige uitnodiging.

Na een week is mijn exemplaar van Laat ons bidden flink beduimeld.

Ik heb erin gekeken en eraan gevoeld, het open en dicht gedaan, nog eens gebladerd, gelezen en opnieuw. Telkens met dezelfde werking.

Heel zintuigelijk is het bijna niets, zo weinig, maar je merkt dat de letters iets laten gebeuren. Met mijn vinger volg ik voorzichtig allerlei randjes van waterverf. Ik zie wel waar ik uitkom, desnoods nergens.

“Bidden is wachten zonder dat je weet waarop”, zegt hij.  

Randall Casaer © Liza François

Sommige boeken zijn een bedje waarin je zomaar kunt liggen. Het gebed dat Casaer voor zijn lezer spreidt, is bovendien veel zachter dan het meedogenloze geprevel uit mijn kindertijd:

“Door mijn schuld, door mijn schuld, door mijn grote schuld.”

Op sommige momenten ben ik er nog verontwaardigd over. Neem nu nog dat het mijn schuld is. Wat hééft de kosmos daaraan! En dat reusachtige nutsdenken, wie heeft daar wat aan. Niemand!

De handleiding om te bidden ontslaat je goddank van alles: taak, doel en schuld. Je kunt ook nutteloos bidden. Zonder discipline zelfs.

“Stel dat ik nu ook nog discipline had”, beweert Casaer, “dan zou ik zeker heilig zijn.”

Hij lacht minzaam. In het boek staat dat er maar één heiligheid is en dat zijn heiligheid dezelfde is als die van mij, die van u, die van hen en die van het, in het algemeen.

Het is hoe hij de lezer verovert, met een mengsel van ernst en humor.

“In tijd en actie heb ik geen discipline,” gaat hij verder, “maar in overtuiging wel.

“Ik wil de lezer ook écht overtuigen. Je weet nooit dat het helpt. Ik heb het in ieder geval simpel, elegant en universeel willen maken. In de hoop dat het een cadeautje zou kunnen zijn dat ik dan heb gegeven.

“Ware dat niet heerlijk! Je kunt het vinden. Maar andersom kan het jou ook vinden.

“Om te bidden hoef je alleen maar de omstandigheden te maken. Handjes samen, eventjes maar, en stil zijn.” 

Heupwiegende Maria

“Die vlek op de kaft,” wijs ik, “heb ik die gemaakt, of hoort die bij jouw illustratie?”

De vlek blijkt van mij. Dat mag.

We gaan knooppunten doen: 82, 88, 85. Onderweg zijn er miljarden gele bloemhoofdjes van koolzaad, en akkers vol prei, prei, prei. Paroi in het Aalsters.

Randall Casaer komt uit die buurt. Hij is er naar het jezuïetencollege geweest. Op de fiets komt ter sprake dat hij thuis, op zijn erf in Ellezelles, zelf een kapelletje heeft: een mariabeeld uit de kringloopwinkel en een nis van zwart gebeitste plankjes.

“Ik heb er een touw aan vastgemaakt en het in de lindeboom gehangen. Als het waait, wiegt Maria haar heupen in de wind”, zegt hij.

Het heeft weinig te maken met de processie die ik ken, en de engelenvleugels van nylonkous en ijzerdraad op mijn rug.

Ik vloek, ook omdat ik niets kan opschrijven. Ik moet trappen, sturen en op de knooppunten letten. Het eerste kapelletje onder een kastanjeboom in de verte is een zege. Daar kunnen we zitten. 

“Twee zakken pmd.” Casaer telt het blauwe vuilnis. Dat hij ook in gebed oog blijft hebben voor onnozele beslommeringen is prettig. Onthechte mensen, denk ik soms, zijn lieden die zich niet over afvalkalenders hoeven te bekommeren.

Casaer ontziet de miserie niet. Bidden is omgaan met problemen.

“Ik moet me soms door de dag sleuren.”

Hier is geen kapelaan aan het woord. De zwarte soutane met perfect witte boorden is ver weg. Zijn trui is blauw en rafelig. Hij rookt zelfgerolde sigaretjes. En toch klimt hij op een preekstoel.

Het is geen geboend geval met duiven, sandalen en serpenten. Doe maar houtwormen, klinknagels en een scheef trapje.

In zijn boek richt Casaer zich rechtstreeks tot de lezer. Op pagina 23 schrijft hij dat hij snapt dat we ons potsierlijk voelen met gevouwen handen. Op pagina 61 staat dat gebed niet werkt onder dwang en niet beter wordt door wilskracht.

“Wil je mijn boek signeren?”, vraag ik.

“Schrijf maar groetjes van de goeroe”, dicteer ik. Hij lacht.

“Goeroe is ook goed. Alleen wel opletten voor de piëdestal en de mogelijkheid van manipulatie.”

Hij schrijft op het roze inlegblad, naast het knielende mannetje: “Voor An, die zich niet laat bidden, en dat is heel erg oké.”

Hij laat mij. Het hele boekje laat je. Bidden is het laten. 

Randall Casaer © Liza François

Babbelgeest

Bij het tweede kapelletje verbazen we ons over het bombardement van reflectoren, zeker veertig oranje oogjes staren ons aan. Het is een absurd decor in de polders, met een vale sticker die zegt dat het goed botert in Diksmuide.

We zitten maar wat op het bankje, naast een brievenbus in dezelfde bakstenen als het mariahuisje.

“Waarom bouwen mensen kapelletjes”, vraagt Randall Casaer.

“Ik denk dat het kerken zijn, maar dan sneller klaar.”

Daarna is het weer stil. Casaer heeft het graag stil. In zijn handleiding schrijft hij dat een babbelgeest en kakelstemmen geen zaken kunnen doen met de sferen en humeuren van een gebed.

De man heeft een dubbelzinnige relatie met woorden. Hij laat die bestaan. Hij weet wat er goed is aan het woord, en hij weet wat er niet goed is aan het woord.

“Er zijn te veel woorden in de maatschappij. Op de duur willen ze niks meer zeggen. Ik zou minder met woorden willen bezig zijn, om meer te kunnen voelen. Tegelijk heb je ze ook nodig. Zonder woorden zie je minder. Ik begeleid al jaren meditaties. Met woorden geef ik woorden aan wat je kunt ervaren. Ik voel wat er gebeurt en ik stuur. Woorden zijn deurtjes, ook in mijn boek. Ze zetten je op weg. Het is een begin. Kom maar binnen. De tekst zelf heeft geen belang.”

In het boek verwoordt hij het zo:

Als ge tekst gebruikt om te bidden, gebruik de tekst dan om u eraan te herinneren dat ge iets wenst te voelen, niet om de tekst af te rammelen, of om te hopen dat een tekst werk in uw plaats zal doen.

Het voorbeeld helemaal aan het einde maakt alles duidelijk: Uw vloek is waarschijnlijk ook vaak een gebed.

Het is waar, vloeken gaat om voelen. Maar bidden voelt beter. Wie wil bidden moet niet streng zijn, voor niks.

“Ik weet wat hét woord is van jouw handleiding”, zeg ik. “Mededogen!”

Casaer knikt: “Godverdomme, ja. Mededogen!” Hij speelt hardheid, want in zijn boek is alles traag en vriendelijk. We lachen ook niet met de simpele devotie van theelichtjes in drie kleuren voor moeder Maria.

“Intellectueel lijkt het op een idee”, zegt Casaer. “Maar het zit dieper. Kapelletjes drukken een gevoel uit.”

Vraag is welk gevoel. Het antwoord staat niet in het boek.

Iemand zal zeggen Het is Maria, iemand zal zeggen Het is Jezus. Een ander zegt: Mijn hartchakra opent zich, of uw nervus vagus activeert, of er gebeurt iets met uw endorfines. Maakt niet uit, kies maar. Wat het is, is minder belangrijk dan dat ge het beleeft.

© Liza François

Het laatste kapelletje van de fietstocht is het mooiste. Hier krijgen we antwoorden.

Guido Sys van het achtergelegen landbouw bedrijf heeft een korte broek aan en regenlaarzen. Hij komt kijken wat er gebeurt.

Aan Casaer vraagt hij of hij een priester is. Een filosoof dan? En als hij een boek heeft gemaakt, is hij dan een beetje zoals Herman Brusselmans?

De man excuseert zich voor de kapel. Er moet een nieuw dak op, maar het is erfgoed. Dus dat dak duurt. En pardon voor de kobbenwebben. Hij veegt het spinrag uit het raamkozijn, keert het vuil van de vloertegels op zijn hand.

“De kuisvrouw is niet geweest. Ze heeft een accident gehad met haar brommertje. ”

De kapel is gebouwd door Sys’ grootvader, na de Eerste Wereldoorlog, omdat de boerderij niet was kapot geschoten. De seringen ernaast, met geuren en kleuren, heeft hij ook geplant.

Casaer zegt niet veel. Hij kijkt en luistert. En ik ruik aan de bloemen en aan de naden van mijn nieuwe missaaltje. Het wordt alsmaar vuiler. Inmiddels heb ik overigens mijn handen wel samen gedaan.

Twee dagen later krijg ik een bericht van hem. Het is een filmpje van zijn kapel. Maria danst in de jonge blaadjes van de linde. Alles is goed.  


Randall Casaer (1967)
Is een Belgische auteur en tekenaar, bekend door zijn samenwerking met Wim Helsen. Recent verscheen zijn boek Laat ons bidden.


Laat ons bidden

© Liza François

Lees ook


Lees ook

Klik op de hyperlinks en lees veel meer
berichten in deze categorieën

,

Bron: De Standaard

Welkom op Facebook

Welkom op Bluesky

Naar de website


Scroll naar boven