De Tweede Wereldoorlog eindigde 81 jaar en 5 dagen geleden. De kennis erover mag dan tanende zijn, toch is hij nog altijd niet afgelopen, schrijft Marc Reynebeau.
Marc Reynebeau – De Standaard
12 mei 2026
Leestijd: 6 min
De moderne Nederlandse literatuur en het hedendaagse Russische despotisme delen een gezamenlijke interesse: de Tweede Wereldoorlog, die inmiddels, in Europa, 81 jaar en 5 dagen geleden eindigde.
Ruslands belangrijkste nationale feestdag viert op 9 mei de overwinning van het Rode Leger op nazi-Duitsland met een grootse militaire parade, al verliep die vorige zaterdag wat in mineur.
Maandagavond schonk de Nederlandse literatuur een van haar belangrijkste onderscheidingen, de Librisprijs, aan een roman die zich afspeelt in een Duits concentratiekamp.
Aan het einde van de oorlog van Bert Natter. Alsof de bibliotheken aan boeken die over die oorlog zijn geschreven nog niet groot genoeg zijn?
In die gezamenlijke interesse schuilt ook een groot verschil. Want wat is de waarheid en dus de betekenis van die oorlog voor vandaag?
In Rusland gaat het om heldhaftigheid. Het regime in Moskou hoopt verder te kunnen teren op de heroïek van 1945 die indertijd het bestaan van de Sovjet-Unie legitimeerde – de oorlog had het land dan ook 27 miljoen doden en onbeschrijflijk veel ellende gekost.
President Poetin vindt daarin nog altijd een argument om zijn oorlog in Oekraïne te legitimeren als een strijd voor een nieuwe “denazificatie”.
Bert Natters roman kiest voor het tegendeel van eenduidige continuïteit. Mensen hebben de oorlog elk vanuit hun eigen perspectief beleefd, vanuit hun eigen concrete situatie en ervaring. Dat heeft ook hun visie op die tijd bepaald.
Die benadering benadrukt een complexiteit die veel verder gaat dan het opdelen van de tijdgenoten in louter sadistische monsters versus weerloze slachtoffers. De verhoudingen lagen veel genuanceerder en spreiden de verantwoordelijkheden veel breder.
Aan de, zo men wil, ‘goede’ of ‘foute’ kant van de geschiedenis staan, was (en blijft) een kwestie van kiezen, niet van noodlottigheid.
Het heeft tenslotte tot het jaar 2000 geduurd eer het flamingantische Vlaanderen met een “historisch pardon” officieel kon erkennen dat de collaboratie met de nazi’s tijdens de Duitse bezetting nooit een goed idee was.
Officieel heeft België in zijn historiografie pas sinds enkele jaren volop aandacht voor het eerder opvallend verwaarloosde patriottische verzet, dat kan gelden als de ideologische tegenpool van die collaboratie.
Dat fascistische extremisten in de jaren 20 in Europa pas de macht konden grijpen toen conservatieve, veelal confessionele politieke partijen dat gedoogden, is nog zo’n ongemakkelijke waarheid die ook vandaag vragen oproept.
Bijvoorbeeld omtrent sommige stemafspraken van de christendemocratie in het Europees Parlement met de radicaal-populistische rechterzijde.
Het dient zich niet anders, maar wel veel pijnlijker aan als het gaat om een bagatel als het Eurosongfestival, dat zijn geproclameerde waarden totaal ongeloofwaardig maakt als het zich, allicht omwille van de lieve vrede, laat gebruiken als propagandaforum voor een extreemrechtse regering, de Israëlische, die ernstige verdenkingen van genocide, etnische zuivering en grove mensenrechtenschendingen op zich heeft geladen, wat géén bagatel is.
De hypothese dat onze tijd in zijn populisme, neigingen tot discriminatie of in de politieke onverschilligheid daarvoor, ‘een herhaling van de jaren dertig’ organiseert, wordt gewoonlijk snel weggewuifd. Al is dat even lichtzinnig als de hypothese zelf ongenuanceerd is.
Zorgvuldig omgaan met het verleden en met wat daarvan doorwerkt in het heden, vraagt een constante herevaluatie en bevraging van de geschiedenis, die hoe dan ook altijd aanwezig blijft, is het niet op het Rode Plein in Moskou, dan wel in de chique zaal in Amsterdam waar de Libris Literatuurprijs wordt uitgereikt.
Het valt dan evenwel niet mee dat academische historici vaststellen dat de belangstelling voor en de kennis van de Tweede Wereldoorlog tanende is.
Met het verglijden van de tijd (en het verdwijnen van grootouders die er immer aan bleven refereren) zou die oorlog voor jongeren steeds meer een abstractie zijn geworden, iets uit een ver, weinig specifiek verleden, een in de tijd wegzwevende curiositeit.
Wat dan weer de weg vrijmaakt voor allerlei, naar verluidt op sociale media ruim rondgestuurde historische desinformatie die voeding geeft aan onder meer de zeer hedendaagse plaag die het antisemitisme is.
Maar zoals dat enkele decennia geleden weleens gebeurde met de term ‘fascisme’, wordt ook het woord ‘antisemitisme ’ dezer dagen onzorgvuldig en opportunistisch gebruikt – zoals door de Amerikaanse ambassadeur in Brussel Bill White – met als gevolg dat de tragische betekenis ervan uitgehold wordt.
Iets soortgelijks bewerkstelligde de politieke manipulatie, die van ‘woke’ een scheldwoord heeft gemaakt. En dan is er nog de ethische reflectie, die door sommigen als zo hinderlijk wordt ervaren, dat ze die denigrerend afdoen als ‘deugpronken’ – zo hebben ze zelf geen last meer van waarden en normen die ze anderen nochtans graag opleggen.
De Israëlisch-Amerikaanse documentairemaker Dror Moreh onderzocht in de serie The corridors of power, die vorig jaar ook op Canvas te zien was, hoe ethisch besef en macht zich tot elkaar verhouden.
Hij bracht in beeld hoe de Amerikaanse diplomatie na 1945 omging met de lessen die de Tweede Wereldoorlog had geleerd.
De VS omarmden de waarden van vrijheid, mensenrechten en democratie, onder het uit de Holocaust-herinnering stammende adagium never forget, never again.
De genocidale nazimisdaden mochten nooit worden vergeten en met de herinnering eraan mochten ze zich nooit herhalen.
Het onderzoek kostte Moreh zijn idealisme.
Ingrijpen wanneer genocides zich voordoen, diende te passen in het Amerikaanse nationale belang en altijd waren er wel praktische redenen om er niet aan te beginnen, met aarzelingen die slechts tot halfslachtige resultaten leidden.
In Rwanda of Darfour bleven de VS dus weg.
In het geval van Bosnië-Herzegovina en de genocide in Srebrenica kwam president Bill Clinton tot de onthutsende conclusie dat Europa daar lang uit wegbleef, omdat de slachtoffers er toch slechts moslims waren.
Toen in de nadagen van het Kadhafi-regime in Libië een genocide in Benghazi dreigde, vond Antony Blinken, dat de VS konden rekenen op zowel een internationaal mandaat als Europese steun en er dus geen redenen waren om het moorden niet te stoppen.
Door weg te blijven, zo vreesde hij, zou het helemaal bergaf gaan met het al gehavende internationale rechtsstelsel.
Er kwam dus een militaire interventie, maar gebrek aan planning voor de tijd erna deed Libië in een chaos kantelen die vandaag nog altijd voortduurt.
Goede bedoelingen volstaan niet. Het is een werk van alledag.


Marc Reynebeau is journalist, verbonden aan deze krant. Zijn column verschijnt wekelijks op woensdag.
Lees ook
Lees ook
Lees meer berichten
Marc Reynebeau
Bron: De Standaard