Niemand wint bij het weren van kunstenaars, schrijft Marc Reynebeau. Maar de strijd tegen apartheid in Zuid-Afrika bewees dat cultuur via een boycot een zeg kan krijgen.
Marc Reynebeau – De Standaard
16 september 2025
Leestijd: 7 min
Wellicht valt het als volgt te reconstrueren: het Gent Festival van Vlaanderen, dat het Münchner Philharmoniker op de affiche had, vreesde dat de Israëlische dirigent Lahav Shani van het orkest het mikpunt kon worden van pro-Palestijns, Vuelta-achtig protest.
Niet dat Shani een officiële gezant zou zijn van het genocidale Israëlische regime, zoals het ook onzin zou zijn om hem louter te viseren als individu.
Maar als chef-dirigent van het Israëlisch Filharmonisch Orkest is hij wel een icoon van het Israëlische cultuurleven.
Of dat volstaat om hem als kunstenaar te boycotten, is dan weer een andere vraag.
Het Festival hoopte dat een statement van Shani de situatie kon ontmijnen, maar dat kwam er niet.
Begrijpelijk ook; een bewijs van goed zedelijk gedrag moeten voorleggen is wat minnetjes.
Waarna het Festival, bij gebrek aan andere opties, besloot het concert te annuleren, minder bij wijze van culturele boycot dan om gedoe en chaos te vermijden.
Het is de pragmatiek van de lieve vrede.
Veel eer valt daarmee niet te rapen.
Maar dan wilde de partijpolitiek er een graantje van meepikken.
Met als pineut Christoph D’Haese (N-VA), volksvertegenwoordiger, burgemeester van Aalst en bestuurslid van het Festival.
Hij kreeg plots spijt van de pragmatische consensus, verbrak het gegeven woord en wreef zijn collega’s in de raad van bestuur racisme en antisemitisme aan.
Fraai of heldhaftig is dat ook allerminst. Maar zo gaat dat met politici en hun cumulaties.
Hun ultieme loyaliteit ligt niet bij de instellingen waar ze een vinger in de pap willen, maar bij de partij die hen naar al die postjes heeft geloodst.
Het mocht voor D’Haese en zijn Vlaams-nationalistische partij zelfs een hoge prijs hebben.
Vorig weekend ging premier Bart De Wever (N-VA) in Duitsland ostentatief een concert van Shani bijwonen en schilderde ook hij het Festival af als een broeinest van racisme en antisemitisme.
Later bleek hij minder te zijn bewogen door ethiek of moraal dan, als real- en machtspolitiek, door zorg om goede economische banden met Duitsland.
Zo ging de federale premier zich buitenlands mengen in een thema dat sinds de staatshervorming nochtans tot de exclusieve bevoegdheid van de Vlaamse Gemeenschap behoort.
Dan nog door een prestigieuze organisatie als het Festival van Vlaanderen te blameren.
Het was niet de eerste keer dat de premier de Vlaamse minister-president Matthias Diependaele (N-VA) bejegende als een filiaalhouder van de Wetstraat 16.
Of Diependaele meer kon doen zonder in de Vlaamse regering ruzie te krijgen met Vooruit en CD&V, is overigens maar de vraag.
Niettemin mengde De Wever zich in Vlaamse aangelegenheden op een manier die zijn voorgangers zich nooit hadden kunnen permitteren.
Vlaams minister van Cultuur Caroline Gennez (Vooruit) is er niet minder stellig om: een culturele boycot van Israël is legitiem en noodzakelijk.
De context van oorlogsmisdaden, uithongering, etnische zuivering en genocide in Gaza is er te gruwelijk om.
De Wever ziet het protest daartegen evenwel als goedkoop, vrijblijvend, zelfbevestigend en hautain moralisme.
Pronken met deugdzaamheid.
Daarom hield hij (en Diependaele synchroon met hem) de hele zomer door de boot af voor een kordater standpunt tegenover Israël.
Dat eindigde met een kennelijk nog voor veel interpretaties vatbare afspraak.
Aanstellerig nihilisme
Wat De Wever ziet als gemakkelijk gemoraliseer, kenmerkt voor hem dat hele linkse ‘wokisme’ waartegen hij vóór de jongste verkiezingen al heftig fulmineerde, met al dan niet uit de context gerukte verhalen over cancelcultuur, slachtoffercultus of inperking van het spreekrecht.
Het zou niet alleen een bron van aanstellerig nihilisme zijn, maar ook van antisemitisme.
Hij suggereerde dat al eerder dit jaar, toen de joodse gemeenschap in Antwerpen de Holocaust herdacht.
Daarin toont zich de dubbelheid of samenhang in De Wevers motieven. Die steunen wellicht niet eens in de eerste plaats op electorale berekening, of alleen op economische belangen.
Dat denken past wel in zijn programma in de bredere cultuuroorlog tegen die gediversifieerde, volgens hem onserieuze agitatie in allerlei basisbewegingen die hij maar niet onder controle krijgt.
Hij weet hoe efficiënt dat activisme kan zijn, bijvoorbeeld toen het er eind vorig jaar toe leidde dat de N-VA geen plaats vond in het Gentse stadsbestuur.
Hoe vreselijk Israël ook tekeergaat in Gaza of in de bezette gebieden, voor De Wever blijft het land nog een bastion van vrijheid, een min of meer democratische westerse voorpost in het Midden-Oosten, “het licht”, zoals hij zei na de moordpartijen van 7 oktober 2023, versus “de duisternis” van de terreur.
En weinig is zo emblematisch voor die westerse oriëntatie als een virtuoze dirigent van een klassiek filharmonisch orkest.
Dat uitgerekend het al even monumentale Festival van Vlaanderen een brekebeen werd, is dan jammer, maar helaas.
Het is evenwel niet de eerste keer dat de Vlaamse cultuur verzandt in een moeras van grootschalige schendingen van de mensenrechten – zodat elementair fatsoen en verantwoordelijkheidszin een culturele boycot opdringen.
Dat was goed veertig jaar geleden al eens het geval.
Sinds 1954 koesterde officieel Vlaanderen toen, via België (het was nog vóór de federalisering), een cultureel akkoord met Zuid-Afrika.
Daar woonde immers een broedervolk, afstammelingen van Nederlandse immigranten en kolonisatoren, aangevuld met onder meer Belgen die na het einde van het kolonialisme in 1960 hun draai niet meer vonden in Congo.
En er werd (lang niet alleen door witte mensen) Afrikaans gesproken, een loot van de Nederlandse stam.
Zuid-Afrika kreeg al sinds de vroege 20ste eeuw, in de strijd van de Boeren tegen de Britten (toen die laatsten het concentratiekamp uitvonden) een warm hart bij de Vlaamse beweging.
Extreemrechtse clubjes
Ook toen het land een almaar repressiever apartheidsregime kende, werden op de IJzerbedevaart niet alleen De Vlaamse Leeuw en het Wilhelmus gezongen, maar ook Die Stem van Suid-Afrika, het officiële volkslied.
Het toenmalige weekblad De Nieuwe schreef dat het niemand mocht verbazen dat, zolang dat lied een ereplaats kreeg in Diksmuide, er ook allerlei extreemrechtse clubjes onder de IJzertoren bleven opduiken.
Wat kon het culturele akkoord met zijn heen en weer reizende kunstenaars, academici en studenten nog betekenen, zeker nadat de internationale gemeenschap (niet zonder moeite) had besloten tot een economisch, militair en politiek embargo tegen Zuid-Afrika?
Theoretisch had de kracht van de cultuur via het verdrag een kanaal voor debat of creatieve openheid kunnen vormen.
Ware het niet dat officiële censuur, repressie en propaganda dat kanaal helemaal verstopten. En het was bovendien slegs vir blankes.
Toch had het veel voeten in de aarde voor het officiële Vlaanderen, de christendemocratische minister van Cultuur Rika De Backer voorop, ervan overtuigd kon worden het verdrag op te schorten.
Pas in 1994 stuitte het Vlaams Parlement (toen nog de Vlaams Raad) de laatste poging om het akkoord weer op te starten.
De les van die uiteindelijk succesrijke boycot is dat cultuur niet in het luchtledige functioneert.
De pro-apartheidslobby in België zette culturele idealen in als glijmiddel en dekmantel voor heel concrete economische en (radicaal-)rechtse ideologische belangen.
Een figuur als André Vlerick, machtig in het bankwezen (de toenmalige Kredietbank), de christendemocratie en de universiteit (KU Leuven) staat daarvoor model.
Bij hem kwam het allemaal samen.
Veel eer had Vlaanderen daar ook niet te winnen.

Marc Reynebeau is journalist, verbonden aan deze krant. Zijn column verschijnt wekelijks op woensdag.
Lees ook
Lees meer berichten van
Marc Reynebeau
Bron: De Standaard