Graaf Davignon was geen obscure manipulator, schrijft Marc Reynebeau, hij was een facilitator met een dik adresboekje. Maar terwijl de politieke en economische glorie van het oude België verdampte, hielp hij culturele iconen zichzelf heruitvinden.
Marc Reynebeau – De Standaard
19 mei 2026
Leestijd: 6 min
Het is een beetje sneu voor de nagedachtenis van de maandag overleden Etienne ‘Steve’ Davignon (93) dat ze overschaduwd zal blijven door een onbeslechte verdenking.
Heeft Davignon in 1960-61 als jonge diplomaat een rol gespeeld in de moord op Patrice Lumumba, de eerste premier van het pas onafhankelijk geworden Congo?
Het federaal parket vond de aanwijzingen tegen Davignon sterk genoeg en vroeg de raadkamer vorig jaar daarom om hem te vervolgen.
Dit voorjaar oordeelde de raadkamer dat er genoeg aanwijzingen van schuld waren om de zaak door te verwijzen naar de correctionele rechtbank.
Met het nog niet behandelde beroep tegen deze laatste beslissing en nu het overlijden van Davignon, kan een rechter de juridische waarheid in deze zaak niet meer beslechten.
Die juridische procedure startte al in 2011, een halve eeuw na de moord, met een strafklacht van Lumumba’s nabestaanden tegen een tiental mogelijke Belgische betrokkenen.
Van hen was Davignon uiteindelijk, tot vorige maandag, de laatste overlevende. Daardoor kwam de publieke focus helemaal op hem te liggen.
Het parket had ruim de tijd genomen, anderhalf decennium. Verjaring was toch niet mogelijk, omdat het om een eventuele oorlogsmisdaad ging.
Zo ontstaat een perceptieprobleem. Doordat hij als laatste (en publiek ook best bekende) in het vizier bleef, lijkt Davignon nu de kwade genius te zijn geweest achter de moord.
Dat beeld valt moeilijk te verenigen met zijn toenmalige positie als 27-jarige stagiair-diplomaat.
In die perceptie verdwijnt evenwel de brede historische context waarin Davignon functioneerde.
Dat is die van een Belgische raison d’état, die Lumumba liever kwijt dan rijk was.
Patrice Lumumba, de eerste premier van het pas onafhankelijk geworden Congo, stond in de weg van tal van Belgische – maar ook Amerikaanse – economische en geopolitieke, neokolonialistische belangen.
Congo’s soevereiniteit of Lumumba’s democratische legitimiteit maakten voor die belangengroepen niets uit, alle officiële westerse waarden van vrijheid en democratie ten spijt.
Binnen die groepen was de consensus dat Lumumba moest worden “geëlimineerd”.
Daarin speelde, aan Belgische kant, naast het beleid van de door Gaston Eyskens geleide regering, een alternatief beslissingscircuit een centrale, zij het weinig transparante rol.
Het omvatte politici, ambtenaren, diplomaten, officiële en private veiligheidsdiensten, militairen, financiers en ondernemers, mee gesteund door de toen ook nog erg jonge koning Boudewijn.
Ludo De Witte, die enkele cruciale studies over die tijd publiceerde, heeft de details vorige week nog, met veel overtuigingskracht in deze krant bijeengebracht (DS 15 mei).
In die tegen Lumumba gerichte consensus speelde ook Davignon een rol, als een van de vele radertjes in het geheel.
Niet Davignons leeftijd of professionele ervaring was daarin bepalend, zoals zijn apologeten vandaag suggereren, wel zijn functie op het terrein, in Congo en in de diplomatie, en het vertrouwen dat hij genoot als telg van een vooraanstaande, adellijke diplomatenfamilie.
De wrange ironie is dat de staatsraison die hij diende, wat hem onder meer maakte tot een minister van staat die recht heeft op een staatsbegrafenis, hem in zijn levensavond bij het gerecht danig in de problemen bracht.
De raison d’état waarvan de met veel intellectuele en sociale talenten begiftigde Davignon een publiek boegbeeld was, was die van het oude België. Dat had zijn politieke en economische hoogtepunt al beleefd rond het aanbreken van de twintigste eeuw, net voor de Eerste Wereldoorlog.
Die staatslogica was:
Nationalistisch, elitair, conservatief,
kapitalistisch, royalistisch, katholiek, Franstalig,
economisch vooruitstrevend,
financieel machtig.
Maar, op zijn beste momenten, ook sociaal flexibel genoeg om in te zien dat sociale of flamingantische eisen aandacht verdienden om een stabiele orde te vrijwaren.
Davignon had het er moeilijk mee dat hij werd gezien als exponent van het oude Belgische establishment.
Maar hij heeft het wel belichaamd in zijn carrière als discrete topdiplomaat, met name als bestuurder van de Société Générale, ooit de ruggengraat van het oude België: de almachtige financiële en industriële holding van het land.
De Société Générale nam zichzelf zo serieus dat ze niet werd geleid door een directeur of een ceo, maar door een ‘gouverneur’.
Eind vorige eeuw kon Davignon de ondergang, verkoop en ontmanteling van de ooit zo prestigieuze holding evenwel niet beletten. Dat type grandeur had zijn beste tijd gehad.
Davignon speelde wel nog een rol in een heropstart van dat imperium bij de oprichting van Fortis, de Belgisch-Nederlandse bank en verzekeraar, die het resultaat was van een reeks grootschalige fusies en privatiseringen.
Samen met zijn vriend graaf Maurice Lippens hoopte hij met deze internationale financiële speler wat belgicaine glorie te herstellen.
Koning Albert II kon Fortis als een verjaardagscadeau beschouwen, aldus Lippens, gelet op de datum waarop Fortis officieel ontstond.
Toen Fortis in de bankencrisis van 2008 ten onder ging en beleggers schoenen gooiden naar de tafel waarachter ook Davingon had plaatsgenomen, kwam symbolisch een definitief eind aan de macht, aanzien en glorie van het oude Belgische establishment.
Eerder kon Davignon nog wat van de meubelen redden toen begin deze eeuw een ander Belgisch icoon teloor ging, de aloude luchtvaartmaatschappij Sabena, letterlijk de Belgische flagcarrier.
Davignon organiseerde een fondsenwerving die een heropstart mogelijk maakte als Brussels Airlines, vandaag een filiaal van het Duitse Lufthansa, maar de vliegtuigen blijven wel met de tricolore rondvliegen.
Is het niet langer Belgisch in het kapitaal, het laat toch het woord ‘Brussels’ overleven, al is dat alleen symbolisch, in verf en op papier.
Sprokkelde Etienne Davignon met zijn intellect en zijn vele sociale contacten een indrukwekkend netwerk bijeen, financieel of economisch heeft hij de oude Belgicistische elite niet overeind kunnen houden.
Maar hij zette dat netwerk ook in voor Belgische culturele iconen, zoals Bozar (ooit het Paleis voor Schone Kunsten van koning Albert I), ten bate van actueel theater, opera, muziek en plastische kunsten.
En met succes, eens instellingen als deze niet langer teerden op vergane glorie, maar kozen voor een maatschappelijke en artistieke dynamiek.
Dynamiek, innovatie en openheid voor de wereld, het had een les kunnen zijn voor het Belgique à papa, maar dat is nu te laat.

Marc Reynebeau is journalist, verbonden aan deze krant. Zijn column verschijnt wekelijks op woensdag.
Lees ook
Lees ook
Lees meer berichten
Marc Reynebeau
Bron: De Standaard