‘Ik hou ervan om uit nieuwsgierigheid het gevaar op te zoeken.’ Na tien jaar in de Brusselse KVS trekken Michael De Cock (53) en zijn punkmentaliteit (zijn woorden) naar het Théâtre de Liège. Maar eerst: een gesprek over diversiteit op de payroll, een beangstigende Theo Francken en de culturele centra.
Lotte Beckers – De Morgen
3 mei 2026
Leestijd: 19 min
Stiekem droomt hij ervan om een restaurant te openen, vertelt Michael De Cock, of liever nog pelgrim te worden.
We hadden het net over zijn vijftigste verjaardag. Die vierde hij op z’n eentje in de woestijn in Chili, een ietwat ijdele poging tot onthaasting.
Want die voettocht naar Compostela lijkt vooralsnog veraf: “Ik heb last van mijn hallux valgus (scheefstand van de grote teen, red.) en ik ben bang dat ik mijn tent niet zal kunnen opzetten.”
En zodoende kwam er recent ander carrière nieuws: na tien jaar verlaat de artistiek directeur het Brusselse stadstheater en trekt hij naar het Théâtre de Liège.
“Dat een stad als Luik de deur openzet voor een Vlaming is prachtig, daar spreekt een internationale ambitie uit”, jubelt De Cock.
Maar voor hij zijn bureau opruimt, willen we het met De Cock hebben over de afgelopen tien jaar.
Want de man die we eind jaren 90 leerden kennen als loodgieter Kristoff in Thuis, zette niet alleen de KVS op de kaart als een spannend, progressief en bijzonder divers huis, hij groeide ook uit tot de mondigste theater directeur.
Tijdens corona wierp hij zich op als onvermoeibare voorvechter van de cultuur sector; diezelfde hartstocht tekenen zijn pleidooien over de heilzame kracht van kunst.
Ook in dit gesprek trekt hij regelmatig sprintjes richting de geschiedenis van het Vlaamse theater, de staat van het onderwijs of de culturele desinteresse van Bart De Wever.
“Je zal dit bandje op fast forward moeten beluisteren”, besluit hij.
Maar eerst, tien jaar KVS. Hoe blikt u zelf terug?
“Op tien jaar gebeurt er veel, hè. Onlangs had ik het met mijn dierbare collega’s over de goede momenten – ik ga beginnen te huilen, subiet – en toen kwamen we toch ook veel pijnlijke momenten tegen.
“Ik ben hier aangekomen in 2016, het jaar van de aanslagen. Ik ben begonnen met militairen op straat, en nu staan ze er weer.
“Dit theater had bovendien nog maar één keer de deuren moeten sluiten, tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toen kwamen de aanslagen, en daarna covid.
“Maar ik ben naar hier gekomen met een kleine ploeg en grote ambities om de boel op te poken: laten we het anders doen en inclusie en diversiteit van binnenuit aanwakkeren.
“Dat is mijn punkmentaliteit, al had ik veel partners in crime, want zoiets doe je niet alleen: dramaturgen Kristin Rogghe, Gerardo Salinas en Dina Dooreman, regisseur Junior Mthombeni, auteur Fikry El Azzouzi…
“And we had fun. A lot of fun.
“Eigenlijk is dat het belangrijkste. Ik heb dat onlangs in Luik ook gezegd: laten we mikken op de maan, maar genieten van de rit.
“En bon, ik kan hier nu stoefen over alle vakjes die we hebben kunnen afvinken – wij toeren bijvoorbeeld heel internationaal en dat is cool – maar dat is niet zo relevant.
“Het fijnste vond ik om mensen te ontdekken en een boost te geven. Ik heb altijd gezegd: wij zijn hier om goede verhalen te faciliteren.”
Wat bedoelt u daarmee?
“Er werd altijd beweerd dat er hier geen artiesten of spelers van kleur te vinden waren, maar ze waren er wel, ze zaten enkel in een ander parallel circuit.
“Wij hebben altijd veel op autodidacten ingezet. Op een bepaald moment had zelfs de helft van onze artiesten nooit een artistieke opleiding gevolgd.
“Zo’n opleiding biedt, naast tijd om te knoeien en te falen, vooral een netwerk. Maar veel toptalenten komen om allerlei redenen niet langs die weg.
“Saïd Boumazoughe, Junior Akwety, Aminata Demba: wij hebben een hele generatie spelers die nu de toon zetten, helpen doorstromen.”
Bron Thomas Sweertvaegher
KVS staat bekend om diversiteit op de scène. Maar is dat ook gelukt in de zaal?
“Ja, dat is gelukt. Ik lees op X de domste dingen over onze publiekssamenstelling, maar wij hebben een heel heterogeen en jong publiek, van meertalige Europeanen tot mensen uit Molenbeek en Sint-Gillis.
“Maar het is een continuüm: Peeping Tom of Valentijn Dhaenens lokken andere mensen dan Moya Michael of Bahar Temiz.”
De gemiddelde theaterzaal kleurt nog altijd behoorlijk wit. Heeft u het gevoel dat u nog steeds aan die kar moet trekken?
“Die strijd voeren wij niet meer. Ik denk dat de gemiddelde Vlaming Brussel niet goed kent of begrijpt wat hier gebeurt, en ik lig daar niet meer van wakker.
“Ik heb altijd geprobeerd om met KVS heel aanwezig te zijn in Vlaanderen en in het debat, maar ik maal steeds minder om mensen die niet de moeite doen om hun ogen te openen.”
Hoezo?
“Diversiteit was vroeger: 10 witte acteurs die Tsjechov speelden, waarna de publieksmedewerker moest bellen met de Marokkaanse gemeenschap om hen te overtuigen om te komen, zodat ook zij het theater zouden ontdekken.
“Ik herinner me dat Johan Simons van NTGent in het voorwoord van het programmaboekje ooit schreef: ‘De ander is welkom.’
“Hoezo, welke ander? En wie was hij dan?
“Diversiteit komt in vele etappes en de vraag is: hoe kun je van in het begin alle perspectieven betrekken?
“Dat is een kwestie van vrijheid en verantwoordelijkheid geven aan mensen die een aantal dingen beter weten dan jij. En als je wilt weten of je gezelschap intergenerationeel, genderdivers, multi-etnisch en meertalig is, check dan de payroll. Dat zegt meer dan goede intenties of mooie dossiers.
“Nu, als het je louter om windowdressing te doen is of je amuseert je er niet mee, begin er dan niet aan. Maar voor mij is dit de manier om het beste theater te maken.
“Ik ben hier om te ontmoeten en te ontdekken wat ik niet ken.
“Ik hou ervan om uit nieuwsgierigheid een vorm van gevaar op te zoeken. Gevaar, kwetsbaarheid en ontmoeting: dat is wat een goede theatervoorstelling nodig heeft.”
Jullie hebben vorig jaar in Wallonië en Frankrijk getoerd met Barber Shop Chronicles: een groot succes, maar naar verluidt is het nog altijd moeilijk om bijvoorbeeld recensenten te overtuigen met voorstellingen die ‘anders’ zijn.
“Barber Shop Chronicles is een Franstalige remake van een voorstelling die zich afspeelt in kapperszaken in vijf grote Afrikaanse steden en Londen.
“De originele voorstelling was een gigantisch succes in Engeland, falen was dus geen optie.
“Het moest ook een stuk worden dat emanciperend was voor alle acteurs en de hele Afrikaanse gemeenschap, and it worked like hell. De verbroedering tussen de acteurs is enorm, net als de noodzaak om dit verhaal te vertellen.
“Maar om terug te komen op de recensenten: wij hebben van in het begin voorstellingen gemaakt die geen Shakespeare zijn – Malcolm X,Who’s Tupac, Drerrie in de nacht.
“Veel mensen in de zaal hadden geen referentie kader en kwamen niet verder dan: ‘Dit is fucking speciaal.’
“De jury van het Theaterfestival schreef destijds: ‘Wat een energie.’
“Zulke opmerkingen zetten kwaad bloed bij de makers. Het klinkt als een compliment, maar bewijst overduidelijk dat ze de dramaturgie niet snapten.
“Als je wilt dat het diversiteitsverhaal werkt, moet iedereen mee. Dan moet je zorgen dat er bijvoorbeeld ook een academische reflectie is over die nieuwe dramaturgie.
“Maar ik vind het, eerlijk gezegd, ongehoord dat bijvoorbeeld de media er nog altijd niet in slagen om voldoende divers te zijn.”
Hebben die voorstellingen wat meer uitleg nodig?
“Sommige medewerkers vinden dat belangrijk, anderen weigeren om een handleiding te schrijven.
“Ik heb daar zelf geen mening over, maar ik wil wel dat iedereen beseft dat het ongemak dat zij misschien ervaren bij Malcolm X of een voorstelling van Moya Michael hetzelfde is als de vervreemding die een ket uit Molenbeek voelt als hij naar Tsjechov komt kijken.
“Tien jaar geleden speelde ik met Saïd in Reizen Jihad, van Fikry El Azzouzi. Mijn dochter, die aan het RITCS studeert, leest dat stuk nu op school, maar de pers snapte er toen ook geen hol van. Ze vonden er niets aan, terwijl jongeren tijdens elke schoolvoorstelling heel opgewonden waren.
“Saïd zei me toen dat hij acteur wilde worden, nu speelt hij mee in actiefilms. Wat een traject!
“Maar niemand was mee. We hadden keigoede acteurs, maar ze moesten zich honderd keer harder bewijzen omdat ze niet ‘school’ maar ‘sgool’ zeiden, terwijl pakweg Wim Willaert wel mocht meedoen in het koeter-West-Vlaams.
“Dat klinkt nu allemaal vreemd, maar na tien jaar zijn we daar wel voorbij.”
Voor u naar hier kwam, leidde u in Mechelen het Arsenaal, dat een meer volkstheater bracht, waardoor er wat scepsis was over uw aanstelling. Past het uitgesproken engagement van KVS toch beter bij u?
“Ja, de megafoon is krachtiger. Maar ik ben hier ook volwassen geworden. Ik was amper 33 toen ik begon bij Arsenaal.
“Als ik op die leeftijd hier artistiek directeur was geworden, dan was ik allicht knal in het decor gevlogen. Het vergt enige ervaring, maar hier heb ik mijn stem duidelijker gevonden.”
Hoort dat voor u bij de functie?
“Ja, ik vind van wel. Wie macht heeft en die niet benut om zich uit te spreken, is nalatig.”
Kost u dat moeite?
“Nee, helemaal niet, dat geeft mij energie.”
Ook als u op X verwikkeld raakt in verhitte polemieken over de covidmaatregelen of politiek?
“Dat doet mij echt niets. Ik wil daar niet stoer over doen, maar ik lig daar echt niet van wakker. Tijdens covid waren mijn ouders best bezorgd: oei oei, hou toch uw bakkes. (lacht) Maar ik word daar bijna vrolijk van.”
Is dat cynisme?
“Cynisme klinkt me te bitter, maar een gezonde vorm van charlatanerie is het zeker. Je hebt wel een tikje je-m’en-foutisme nodig om te durven handelen. Soms moet je een weloverwogen standpunt innemen, and then you gotta go.”
Tegelijk voelt het vandaag riskant om een publiekelijk standpunt in te nemen. Voor je het weet, word je online gelyncht.
“Je kunt niet elke strijd aangaan en winnen, daar moet je wel een beetje over nadenken. Maar ik vind wel dat het bij onze taak hoort en ik vind dat velen daar wat moediger in mogen zijn.”
Toen u tijdens covid pleitte voor een snellere heropening van de cultuursector, vonden sommige critici dat u zich aan de zijde van de antivaxers en Jean-Marie Dedecker schaarde.
“Waanzin. Dedecker is een bijzonder man, maar het moet gezegd: op een aantal thema’s zit hij knalhelder op de juiste lijn. Over Gaza is hij consequent en overtuigend en tijdens de pandemie had hij vaak gelijk.
“Ik heb toen twee dingen geleerd: dat in tijden van angst alle logica zoekraakt en dat de politiek compleet onderschat wat onze sector kan.
“De ventilatie in onze zalen is tien keer beter dan in elk willekeurig gebouw. Toch mochten wij niet openen omdat we slechts 90 in plaats van de voorgeschreven 100 centimeter tussen twee stoelen konden vrijhouden. Ondertussen werden mensen wel op overvolle treinen naar de zee gestuurd.
“Je kunt het een bagatel vinden dat wij niet als essentieel werden beschouwd, maar dat is het niet.
“In tijden van schermen, sociale media en individualisering is het meer dan belangrijk dat er een plek is waar mensen samenkomen om gezamenlijk uitgedaagd te worden.
“Het was geen fantastische tijd, maar we hebben onze artiesten wel aan het werk gehouden. Terwijl veel huizen bespaarden en hun geld telden, hebben wij fors geïnvesteerd in de kunsten.
“Met KVS breekt uit gingen we spelen in ziekenhuizen of in klassen die zonder leraren zaten. Kunstenaars voor de klas is uiteindelijk door Brussel opgepikt en is nu bijna een Europees project.
“We hebben veerkracht getoond, maar covid heeft natuurlijk ook de leegloop in onze sector veroorzaakt.
“Volgens mij is in die periode wel meer misgelopen. De digitalisering en het algoritme hebben toen aan macht gewonnen. Soms ten goede: het is niet erg dat je hier en daar een code kunt scannen, maar zonder covid geen tweede ambtstermijn voor Trump.
“Covid leek wel een deeltjesversneller voor de populistische kramp waarin de wereld toen is geschoten.”
Zijn er soms momenten van twijfel?
“Jawel, ik moet vaak bijgestuurd worden en ik heb veel geleerd. Maar als je nooit ambras maakt met de mensen die professioneel naast je staan, dan heb je een probleem.
“Wij zien elkaar graag, maar onze artistieke stafdebatten zijn soms heel hevig en ik ben weleens naar buiten gelopen omdat ik het niet meer kon houden. Maar ik vind het belangrijk dat mensen het met mij oneens durven zijn.”
Het laatste decennium ging ook over toxisch leiderschap in de kunsten. Heeft u zelf in de spiegel moeten kijken?
“Er is een verschuiving gaande. In de twintigste eeuw kenden we de romantische cultus van de kunstenaar die om drie uur ’s nachts mocht zeggen: kom, we gaan repeteren.
“Vandaag is de methode, met name de manier waarop ik met jou omga, een parameter van kwaliteit geworden. Je mag, ondanks alle onheil in de wereld, niet meer onethisch produceren.
“Aanranding is natuurlijk iets anders dan iemand uitschelden – ik heb het nu over Jan Fabre versus Anne Teresa De Keersmaeker – maar de hardheid waarmee mijn en de vorige generaties zijn opgeleid, sijpelt door in hun gedrag.
“Vroeger was het in de toneel- of dansschool heel normaal om een student af te breken alvorens hem weer op te bouwen. Dat is nu ondenkbaar en ik denk ook niet dat je zo per se betere kunst maakt.
“Zelf heb ik hier geleerd hoe je moet cocreëren, vanuit verschillende perspectieven. Daardoor begrijp ik beter dat ik moet opletten.
“Als ik met mijn positie ergens binnenkom, kan dat intimiderend zijn. Ik moet me daarvan bewust zijn en daar verantwoordelijk mee omgaan.
“Dat betekent niet dat ik nooit in de fout ga, ik kan weleens ongeduldig zijn. Maar die evolutie is ook een van de redenen waarom ik hier op tijd wil stoppen. Wie te lang blijft, klampt zich vast en dat zorgt voor problemen.”
Cultuurminister Caroline Gennez (Vooruit) komt vooralsnog alleen in het nieuws met de gecontesteerde museumhervorming. Hoe oordeelt de theaterwereld?
“Er is een doorbraak over kunst op school: er is opnieuw geld voor kunst en cultuur op scholen.
“De minister van Onderwijs (Zuhal Demir, N-VA, red.) had er niets beters op gevonden dan te zeggen dat er in de klas geen tijd is voor kunst, dus ik heb het gevoel dat daar toch een baken is verzet en dat de minister ambitie toont.
“Voor de rest ligt er ook voor ons nog een hele werf. Een van mijn gevechten was ervoor zorgen dat de stadstheaters too big to fail werden, met structuren die sterker zijn dan de artistiek leiders die er toevallig aan het hoofd staan.
“Net op het moment dat we die zaak hadden bepleit, viel het Antwerpse Toneelhuis in een diepe crisis (het Toneelhuis kreeg in 2022 een negatief subsidieadvies, waarna de directie opstapte), quod erat demonstrandum.
“Toen hij nog cultuurminister was, heeft Jan Jambon (N-VA) beloofd dat de stadstheaters Vlaamse kunstinstellingen zouden worden.
“Later is dat weer ingetrokken, door besparingen en discussies over welke theaters al dan niet tot de Vlaamse basisinfrastructuur mogen behoren. Daardoor zitten we qua subsidies en administratie nu in een typische Vlaamse koterijsituatie.
“Gennez zou dat probleem dringend moeten oplossen, maar we leven in akelige tijden.
“Veel mensen, ook politici, vinden het bon ton om te koketteren met het feit dat ze geen boeken lezen of niet naar het theater gaan.
“Onze defensieminister stapelt de ene geopolitieke kemel op de andere, toch krijgt zijn departement wel erg makkelijk geld toegeworpen.
“Om maar te zeggen dat het voor de cultuurminister niet makkelijk zal zijn om meer middelen te krijgen, al blijven we hoopvol.
“Gennez heeft het juiste profiel: ze kent de sector.”
De stad Brussel heeft vorig jaar onverwacht een kwart van jullie subsidies geschrapt.
“Dat is natuurlijk woordbreuk. Je kunt niet midden in een werkingsjaar zeggen: jullie krijgen 300.000 euro minder.
“Dat gezegd zijnde, dit huis is financieel gezond. We doen het op alle fronten goed: eigen inkomsten, zaalverhuur, Europese middelen, noem maar op. Maar in vergelijking met het buitenland zijn we zwaar ondergesubsidieerd.
“Onze bottleneck zit in onze technische en productieploeg. We hebben twee prachtige repetitie- en twee voorstellingszalen. Laat die alle vier tegelijk draaien en de technici zijn op, waardoor we niet op tournee kunnen.
“Nochtans vraagt het publiek om meer voorstellingen.
“In Wallonië zie ik ook dat de publiekswerking er beter is verankerd: terwijl wij moeten ploeteren en vechten, ontvangt het Théâtre de Liège elk jaar 12.000 scholieren. Daar is dus nog veel marge, maar daar hebben we geld voor nodig.”
Voelt u de druk om op veilig te spelen zodat de ticketverkoop zeker genoeg oplevert?
“Wij hoeven niet mainstream te gaan omdat er in Brussel voldoende aanbod is.
“Bij culturele centra in de provincies is dat wel anders. Zij krijgen van de lokale cultuur schepenen steeds vaker de opdracht om break-even te draaien, waardoor ze geen lege stoelen kunnen riskeren. Dat is nochtans essentieel. Veel cc’s hebben een ouder publiek, maar je kunt pas verjongen als je een rijk palet aanbiedt.
“Er is, kortom, geen overaanbod van meer risicovolle voorstellingen, maar een onderafname.
“Ook daar ligt werk voor Gennez, want dat rijke middenveld van cc’s is uniek voor Vlaanderen, dat kennen ze in Duitsland of Spanje niet.
“Heel wat gevestigde namen, zoals De Roovers, STAN of Luk Perceval, zijn groot geworden omdat ze in de jaren 80 in elk boerengat konden gaan spelen. Hoe mooi is dat?”
Is uw relatie met Brussel de afgelopen jaren veranderd?
“Ik hou van het feit dat deze stad zo onbevattelijk is: hier is zo veel, mensen komen en gaan.
“Ik wil Brussel niet romantiseren, natuurlijk zijn hier problemen, maar in geen enkele Belgische stad is de culturele humus zo interessant.
“In de KVS werken wij op microniveau elke dag met de zogenaamde problemen van de stad. Mensen komen van heinde en verre naar hier om samen rond een project te werken, en het werkt.”
Niettemin geven veel Brusselaars aan dat ze op hun tandvlees zitten door de bestuurlijke problemen.
“Door de erg lange regeringsvorming is er ook een burgerbeweging ontstaan die haar stempel heeft kunnen drukken. Elk nadeel heeft dus zijn voordeel. Wat me wel pijn doet, is dat er politici zijn die net willen dat het slecht gaat met Brussel.”
U had het daarnet over het geld dat nu naar Defensie vloeit. Bent u een principiële tegenstander van herbewapening of vindt u het buiten proportie?
“Oorlog wordt nu naar voren geschoven als de enige logica en daarmee lopen we recht het ravijn in.
“Bij onze defensieminister (Theo Francken, N-VA, red.) druipt het machismo ervan af: die gast is zo opgewonden dat hij eindelijk oorlogje mag spelen, hij lijkt niet te kunnen wachten.
“Wat die man allemaal zegt, de manier waarop hij de Atlantist uithangt en Trump verdedigt, een gek die enkel bruuskeert, choqueert en niets humaan in zich heeft… dat gaat mijn verstand te boven.
“Theo is wat onstuimig, zegt onze premier dan. Het is onthutsend gênant.”
Bent u bang voor oorlog?
“Natuurlijk, maar het is al oorlog. Ik reis veel, ik was recent in Letland, daar hebben ze koffers klaarliggen voor als Rusland binnenvalt.
“Voor mij voelt dat als oorlog. En dan hebben we het nog niet over de drones die Iran tot hier kan schieten.
“Ik begrijp wel dat we niet naïef mogen zijn en dat Europa zelfstandiger moet worden, tot zover wil ik meegaan. Maar dat is niet hetzelfde als wapenbeurzen organiseren.
“Een figuur als Francken maakt mij bang.
“Ik ben vader van kinderen tussen 17 en 25 en ik maak me zorgen. Het zijn uiteindelijk toch altijd oude, egoïstische mannen met te veel macht die jonge kinderen, want dat zijn ze nog, naar het front sturen, hen daar veel dope geven en vrouwen leren verkrachten.
“Want dat is hoe het eraan toegaat in oorlogsgebied. Alle zachtheid en redelijkheid worden weggevaagd.”
Laten we dan eindigen bij de kunsten. U leidt een theater, reist van het ene project naar het andere, brengt alweer een kinderboek uit. Is uw honger onstilbaar?
“Ja. Dat is misschien een probleem. (lacht)
“Ik ben tevreden met wat ik hier heb bereikt, maar voor mezelf? Dat is moeilijk.
“Weet je, je begint met honderd aan het ingangsexamen voor de theaterschool, je studeert af met een tiental, daarna vallen er nog een paar af en uiteindelijk blijft de zot alleen over.
“Dan kun je zeggen:I made it. Of: waarom hebben al die mensen een leven en ben ik hier nog steeds?
“Niemand droomt ervan om theaterdirecteur te worden, hè. Dit was nooit mijn plan, maar het is een wonderlijk privilege.
“Mijn werk is, grotendeels, mijn leven en ik spring nu nog eens in het onbekende.”
Michael De Cock
- Geboren in 1972 in Mortsel
- Studeerde eerst Romaanse talen en nadien aan het Conservatorium in Brussel
- Speelde enkele jaren mee in Thuis en had gastrollen in Flikken, Spoed en Witse
- Van 2006 tot 2016 artistiek directeur van het Mechelse stadstheater Arsenaal, trok daarna naar KVS
- Schrijft essays en boeken over kunst en maatschappij en won voor zijn kinderboeken de Boekenleeuw en de Zilveren Griffel
- Auteur van het boek Alleen verbeelding kan ons redden
- Schrijft en regisseert toneelstukken en speelt deze zomer zijn monoloog Paris & Miki op het theaterfestival van Avignon

Lees ook
Klik op de hyperlink hieronder
en vind meer berichten over
Bron: De Morgen