Alicja Gescinska – Mijn ouders hebben hun vrijheid opgeofferd voor de onze en dat is een zware erfenis


Net nog wekte ze Simone de Beauvoir weer tot leven in een hervertelling van De tweede sekse, straks maakt ze met het indrukwekkende Vrouwen in duistere tijden kans op de Socratesbeker, en op haar computer heeft ze in vijf mapjes alweer vijf romans in opbouw. Alicja Gescinska is op dreef, meer nog: ze is klaarwakker.
“Ik wil elke dag doen tellen.”

Guinevere Claeys – De Standaard

2 april 2026

Leestijd: 18 min


In de woonkamer, ergens stil in de diepe Kempen, wijst Alicja Gescinska me haar vier werkplekken aan.

Verspreid over de ruimte, elk gericht naar een ander stukje van de tuin, staan drie eikenhouten bureaus, en aan de grote centrale tafel heeft ze een vierde vaste schrijfplek – daar zit ze helemaal rechts, waar ze, alweer, de tuin kan zien, net naast een klein, innemend schilderwerkje van de dichter Paul Snoek.

De meerdere werkplekken zijn een noodzaak voor de zwervende geest en doelbewust dwalende denker die Gescinska is en wil zijn.

Op haar, bijna, vijfenveertigste is ze al meer dan tien keer verhuisd, “dit is hier trouwens ook een tussenhalte”, en ook binnen de muren verandert ze graag van richting. 

“De plek waar je zit, wat je ziet, wat je hoort, hoe het licht invalt, dat beïnvloedt je.

“Als ik aan het ene bureau aan het schrijven ben, en ik zit vast, dan pak ik mijn boeltje en verhuis ik naar een ander.

“Daar kan ik herbeginnen. Ik zie nieuwe bomen en bloemen, ik zie ander licht en schaduwen, en ik kan weer verder.

“In beweging komen is wel vaker de beste oplossing. Wil je dit gesprek niet liever wandelend doen?” 

Gescinska stelt al eens vragen die als conclusies klinken. Of ook: ze formuleert haar conclusies graag als vragen. 

Alicja Gescinska (1981)

Een ijzige noordwestenwind doet ons toch maar binnen blijven. We gaan aan de grote tafel zitten, naast de vleugelpiano, met vers gebakken rabarbercake tussen ons in, en koffie die haar man Steven komt opdienen.

Die cake was ze vanmorgen net aan het bakken toen ze telefoon kreeg van haar uitgeefster: van Vrouwen in duistere tijden blijken net ook de Spaanse vertaalrechten verkocht.

Na vier maanden zit het boek al aan zijn zevende druk.

Ze maken duidelijk diepe indruk, de tien vrouwen die elk op eigen moedige wijze het kwaad van de twintigste eeuw recht in de ogen hebben durven te kijken.

Gescinska schetst ze alle tien genegen grondig en helder en met een kenmerkende eerlijkheid. De hagiografie dreigt nooit, daarvoor is het respect voor de vrouwen te groot.

Dit boek is de vrucht van twintig jaar denken, schrijft ze in de inleiding. Doorheen dit boek leer je met andere woorden nog een elfde vrouw kennen en dat is Alicja Gescinska zelf. 

© Elke Pannier

Dit boek mag ik, ook, een zelfportret noemen?

“Dat was natuurlijk niet het opzet, maar zo is het onvermijdelijk wel. Alleen al de selectie.

“Het zegt veel over mij dat ik net deze tien vrouwen heb gekozen om het over het kwaad, en dus ook het goede, van de twintigste eeuw te hebben.

“Sommigen zijn verbaasd om iemand als Rosa Luxemburg aan te treffen, iemand zo nauw verbonden met het communisme, dat mijn eigen leven nochtans zo zwaar getekend heeft.

“Of Edith Stein – ‘een non!’ –, of ‘máár een dichteres’ als Anna Achmatova, en zeker ook de Nederlandse Etty Hillesum doet wenkbrauwen fronsen, want zij was ‘toch al helemaal geen filosofe?’

“Het is een rare mix, ik geef het toe. En toch horen ze voor mij samen.

“Wat ik belangrijk vind en waar mijn denken om draait:

  • Vrijheid
  • Menselijkheid
  • Vriendschap
  • Betrokkenheid
  • Verzet

“Dat vind ik bij die tien vrouwen terug, en dat doet mij altijd ook weer naar hen terugkeren.”

Met alle tien deel je ook de ontheemding, die je ‘de grondtoon van mijn bestaan’ noemt.

“Op jonge leeftijd je thuis moeten achterlaten, dat is iets wat je een leven lang meedraagt.

“Het was de droom van mijn vader om mij en mijn twee zussen te zien opgroeien in een vrij land en die droom heeft hij waargemaakt.

“In 1988, op mijn zevende, hebben we in Warschau in alle stilte ons appartementje van 20 m² verlaten, en zijn we communistisch Polen ontvlucht.

“Uiteindelijk zijn we in een Vlaams dorp terechtgekomen, in Lede, en zijn we hier gebleven – ook toen de Muur een jaar later viel.

“In 1988 is mijn leven zo opnieuw begonnen. Ook de meeste vrouwen in mijn boek zijn gevlucht, of anders wel uit eigen beweging de wereld in getrokken.

“Ze hebben wortels in één land, zijn opgegroeid in een ander, studeerden in nog een ander, hebben intellectuele banden en vrienden over vele landsgrenzen heen, ze hebben meerdere talen leren spreken en zich eigen gemaakt – hun identiteit is een meervoud. 

“Zo’n vroege ontheemding vormt je voor de rest van je leven. Het maakt dat je je overal thuis kunt voelen, maar het maakt ook dat je je nergens finaal voelt thuiskomen.”

Ook hier in dit huis ben je nog niet thuisgekomen?

“Thuis is voor mij altijd een tijdelijk iets.

“Met de Antwerpse Kempen hadden mijn man en ik helemaal geen affiniteit, al zeker geen speciale band.

“Toen we na drie jaar Verenigde Staten terugkeerden naar België, voelden de dimensies hier zo klein, dat het ons echt niet uitmaakte waar we precies zouden belanden. We hadden alleen wel nood aan groen en we wilden de vogels kunnen horen. Zo zijn we vrij willekeurig hier terechtgekomen.

“Maar over een paar jaar vertrekken we ongetwijfeld opnieuw. Niemand weet toch of een thuis voor altijd is?

“De wereldgeschiedenis hangt boven ons hoofd. Straks zijn wij hier diegenen die op de vlucht moeten gaan, je weet het nooit.

“Belangrijk is dat je het vermogen hebt om van elke plek je thuis te maken. Fixeer dat niet op één plaats.

“Elke keer wanneer ik in Warschau land, denk ik: ik ben thuis. En elke keer wanneer ik er weer vertrek richting Brussel, denk ik: ik ga naar huis.

“Van thuis naar thuis. Dat ik dat zo kan voelen, dat vind ik een grote kracht.”

Alicja Gescinska.
© Elke Pannier

Heb je nog veel herinneringen aan die 20 m² in Warschau?

“Best wel. En levendig. Door die nadrukkelijke cesuur op mijn zevende is het alsof heel wat beelden van mijn leven daarvoor gefixeerd zijn geworden.

“Ik moet die herinneringen dringend opschrijven – al was het maar omdat ze zo’n concreet beeld schetsen van het leven in communistisch Polen.

“Het zijn trouwens niet per se slechte herinneringen. Het leven was er voor iedereen hetzelfde.

“Iederéén leefde in een appartementsblok, iedereen moest na Tsjernobyl aanschuiven voor een drankje, iedereen droeg verstelde kleren van zijn broers of zussen, iedereen moest aanschuiven voor wc-rollen.

“Ik heb er als kind nooit aan gedacht mijn lot te beklagen, alleen al omdat iedereen dat lot deelde.

“Ik heb trouwens ook geen al te slechte herinneringen aan de 3,5 maanden die we hier bij onze aankomst in het Klein Kasteeltje hebben doorgebracht.

“Ik kan die niet gelukkig noemen, maar de dankbaarheid overheerste – we hadden onderdak, we hadden eten.

“En die dankbaarheid zou blijven. Ook al zijn mijn ouders – twee ingenieurs, die uit Polen in naam van de vrijheid zijn vertrokken – hier tot twee clichés veroordeeld: de Poolse poetsvrouw en de Poolse klusjesman.

“Ze hebben de ene onvrijheid voor de andere ingeruild, zeg maar.”

Heeft dat zwaar op hen gewogen?

“Ze hebben dat uitzonderlijk goed verdragen, vind ik. Ik denk dat ik er meer onder geleden heb dan mijn ouders zelf.

“Zoals ik zei: ze bleven dankbaar voor de kansen die wij kregen. Mijn vader is zich blijven scholen via avondonderwijs, hij stapelde de diploma’s op. Helaas vonden ze zijn Nederlands altijd ontoereikend, waardoor deuren gesloten bleven.

“Ik weet dat ze daarom ook op hem neerkeken in de school waar hij werkte. Hij was de ‘domme klusjesman’.

“Ik heb zo vaak gedacht: jullie zouden eens moeten wéten, jullie komen nog niet aan zijn enkels.

“Het kan me soms pijn doen als ik nu zie hoe Engels in steden de voertaal wordt. Dan steekt het besef: hij was nét te vroeg.”

Alicja Gescinska.
© Elke Pannier

Heb je het daarover met hem nog gehad? 

“Mijn vader is in 2010 overleden, hij was net zestig. Ik ben de laatste maanden van zijn leven heel nabij geweest, maar er is weinig van dat alles benoemd, hij was niet de man van de grote woorden.

“Hij heeft wel eens lang met mijn man gepraat toen ik zelf weg was naar een congres. Hij wist dat mijn doctoraat en mijn eerste boek eraan zaten te komen en daarop zei hij: ‘Ze zal de hele wereld zien.’

“Die gedachte maakte hem gelukkig. Daar was het hem ook om te doen geweest. De vrijheid om te gaan en te staan waar je wil.

“Mijn ouders hebben hun vrijheid opgeofferd voor de onze. Zij hebben hun leven helemaal in het teken van dat van ons geleefd, en dat is een zware erfenis.

“Ik heb altijd met het gevoel geleefd een succesverhaal te moeten schrijven. Dat ik het moest waarmaken, wat dat ook mag betekenen.

“Ik wil elke dag doen tellen. Ik kan me niet herinneren ooit onbezorgd jong te zijn geweest. Stevig uitgaan, of zomaar eens een nacht lang de controle lossen, dat zou ik mijn ouders niet hebben kunnen aandoen.”

Alicja Gescinska.
© Elke Pannier

Je ijver en ambitie wortelen in hun opoffering?

“Dat besef heeft mijn ambitie in elk geval wel op scherp gesteld. Ik draag het altijd met me mee.

“Zoals ik me er ook elke keer in de supermarkt van bewust ben dat ik zomaar mijn kar kan volladen, zelfs met iets zots als een fles wijn erbij. En dat ik niet zoals mijn ouders moet rekenen en selecteren.

“Dat ik zoveel mogelijkheden heb, dat ga ik nooit vanzelfsprekend vinden. En dus móét ik die benutten.

“Mijn ambitie is wel degelijk ook mijn manier om dankbaarheid te tonen.”

En wist je al vroeg welke vorm die ambitie moest krijgen?

“Mijn roeping is altijd schrijven geweest. Al was het maar omdat schrijven een verlengstuk van mijn denken is. Als ik wil weten wat ik over iets denk, dan moet ik schrijven. Daarom hou ik ook een dagboek bij. Om elke dag mijn gedachten te kunnen vormen.

“Op dit moment hunker ik erg naar fictie, voel ik. Ik ben met vijf romans bezig. Ik heb ze alle vijf al in mijn hoofd en ik ben lijnen aan het uitzetten.

“Lees ik iets wat me inspireert, dan stop ik dat al in de bijbehorende file. Ik vind het fijn dat vele projecten door elkaar lopen, dan ben ik op mijn best.

“De voorbije maanden heb ik zo ook twee teksten van Hannah Arendt vertaald over Palestina, en Simone de Beauvoirs De tweede sekse herverteld in monoloogvorm.

“Nu mijn academische werk is weggevallen – de voorbije jaren heb ik aan de universiteit van het Engelse Buckingham onder meer doctoraten en thesissen begeleid – lijkt er een zee van tijd vrijgekomen.

“Ik word dit jaar 45, ik kan nu eindelijk van mijn schrijverschap leven. En daarmee bedoel ik niet: van mijn boeken alleen.

“Ik geef lezingen, soms voor 300 mensen, soms voor 30, ik neem deel aan debatten, ik schrijf columns, onder meer voor De Morgen – dat reken ik allemaal tot mijn schrijverschap.”

‘Elke waarlijke denker is ook een publiek intellectueel’, vond de Lets-Amerikaanse filosofe Judith Shklar, de tiende geportretteerde in je boek. Die taak lijk je ook met grote zorgvuldigheid op te nemen. 

“Je denken ten dienste stellen van anderen, dat vind ik een cruciale taak voor een filosoof.

“Het publieke debat aanzwengelen. Vragen opwerpen, waardoor mensen zich afvragen: tiens, wat vind ik daar nu zelf van?

“Die publieke rol vind ik er onlosmakelijk bij horen. En die is veel moeilijker dan mensen denken.”

Waarom?

“Als je tweewekelijks met een opinie in de krant staat, gaan mensen er vaak van uit dat je jezelf wel erg goed en belangrijk moet vinden. Dat het hoogmoed is. Terwijl ik het net als een vorm van nederigheid zie.

“Ik ben net als iedereen een zoekende mens, alleen durf ik dat dan ook in alle openheid te zijn. Dat is een kwetsbare positie. Veel mensen zouden vast liever niet meer geconfronteerd worden met iets wat ze twee jaar geleden hebben gedacht.

“Je moet bereid zijn de gevolgen te dragen van elke publieke uitspraak die je doet. Je moet de discussie willen aangaan. En je krijgt al eens behoorlijk heftige commentaren te slikken.

“Er is een ondergrens – als ze dreigen met verkrachting, of roepen dat ik samen met mijn kinderen het land weer moet worden uitgezet –, maar tegen de meeste van die commentaren ben ik intussen wel gehard. Het zal me nooit tegenhouden om mijn nek uit te steken, en om in de praktijk te brengen wat ik denk.

“Daarom heb ik me ook ooit kandidaat gesteld op de Europese lijst van de liberalen, of ben ik actief als PEN-voorzitter.

“Ik zou het hypocriet hebben gevonden om altijd maar te praten over de zuurstof en de betrokkenheid die onze democratie zo hard nodig heeft, en dan zelf niet in de ring te durven stappen.

“Ik wil dat mensen weten dat het echt is. Dat ik het meen.”

Achterhaald

Zoals Alicja Gescinska praat in haar vastberaden klare taal en met wijdopen ogen die al eens vergeten te knipperen, lijkt het behoorlijk moeilijk eraan te twijfelen dat ze het meent. Ze is hier en nu aanwezig.

Midden in een antwoord onderbreekt ze zichzelf om me bij mijn tweede hap te vragen of de cake wat meevalt – “Heb ik hem genoeg gezoet?” – om daarna in éénzelfde adem de draad van haar antwoord weer op te pikken.

Er lijkt weinig aan haar aandacht te ontsnappen, en als iets haar aandacht heeft, is ze betrokken.

Samen met Barbara Skarga (1919-2009) is ze ervan overtuigd dat haat dan wel de motor is van het kwaad, maar dat onverschilligheid de brandstof is. 

Toen ze dus van binnenuit meemaakte hoezeer politieke campagnes bovenal gingen over “het eindeloos kleur kiezen van onze zwembroek”, schreef ze het niet mis te verstane Intussen komen mensen om.

Toen ze vaststelde hoe weinig vrouwelijke denkers uit de twintigste eeuw de geschiedenisboeken van de eenentwintigste eeuw hadden gehaald, schreef ze dat monument voor alvast tien onder hen.

En omdat ze nog elke dag ondervindt hoezeer die eenentwintigste eeuw hardnekkig slechtziend blijft voor vrouwen, wekte ze, in het net verschenen De ontdekking van de vrouw, Simone de Beauvoir tot leven, die ons verbijsterd en verbolgen komt toespreken. 

“‘Achterhaald.’ Dat is het woord dat ik altijd weer hoorde vallen bij De tweede sekse”, zegt ze.

“Het boek is gepubliceerd in 1949 en het klopt, er zijn passages en bronnen die ingehaald zijn door de tijd. Maar toen ik het onlangs opnieuw las, stond ik ervan versteld hoe pijnlijk accuraat het, na 77 jaar, nog altijd is.

“Ik heb het dan nog niet eens over de manosfeer, die neoconservatieve opstoot onder jonge mannen, en de hele cultus van de ‘nieuwe vrouwelijkheid’ in de vorm van tradwives en momfluencers.

“Ik heb het vooral over de blijvende vanzelfsprekendheid in onze samenleving van het mannelijke model. En daar zijn we allemaal, al dan niet bewust, medeplichtig aan.

“Als ik een zaal vol mensen vraag om een grotbewoner te tekenen, dan krijg ik van iedereen een man met een knuppel. We staan er gewoon niet bij stil hoe diep dat ingesleten is.

“Wat Simone de Beauvoir zei: je wordt niet als man of vrouw geboren, je wordt tot man of vrouw gemaakt. Die maatschappelijke rollen blijven ons, van bij de geboorte, achtervolgen.

  • Jij mag wild zijn, jij niet.
  • Jij mag vlekken maken, jij niet.
  • Jij mag huilen, jij niet.

“Daar is, helaas, nog altijd veel te weinig achterhaalds aan.”

Alicja Gescinska
© Elke Pannier

Jullie geven er hier thuis alvast een overtuigd antwoord op. 

“De rollen staan hier nogal haaks op de traditionele, ja. Mijn man is voltijds huisman. Dat is gaandeweg zo gegroeid, het is nooit een vooropgezet plan geweest.

“Maar ook daar is het ontstellend om te zien hoe vaak mijn man, zelfs van zelfverklaarde feministen, terloops de vraag krijgt of hij ‘nog altijd gelukkig is zo zonder iets te doen’.

“Ongelooflijk toch. De zorg voor drie kinderen is blijkbaar ‘niets doen’. Geen wonder dat al die moeders, die de zorg er stilletjes als tweede shift bijnemen, ongezien blijven.”

‘Moeders zijn de meest gediscrimineerde groep in de samenleving’, schrijf je zelfs.  

“Moeders die carrière willen maken, moeders die kunstenaar willen zijn, dat blijven we om een of andere reden heel complexe combinaties vinden.

“We willen wel dat vrouwen moeder worden, maar blijkbaar moeten ze vervolgens vooral doen alsof ze dat níét zijn.

“Een tijdje geleden had ik in een sollicitatie voor een positie als gewoon hoogleraar de laatste ronde gehaald. Een man en ik bleven over.

“Hij was 45, ik toen 42. Ik had meer doctoraten begeleid en meer publicaties op mijn naam staan, terwijl ik intussen ook nog eens drie kinderen had gekregen – helaas is dat iets waar niemand bij stil staat.

“Uiteindelijk hebben ze voor de man gekozen. Ze gingen er klaarblijkelijk van uit dat een man beter fondsen zou werven.

“Dat bedoel ik dus, we staan er niet bij stil hoe diep de stereotypen ingesleten zijn.”

© Elke Pannier

Je hebt drie zonen, drie jonge tieners intussen. De manosfeer was ongetwijfeld al een gespreksonderwerp?

“Ik maak me over mijn zonen eerlijk gezegd weinig zorgen. Belangrijker dan eender welk gesprek, is wat ze hier thuis te zien krijgen.

“Een heel gewone scène bijvoorbeeld is mijn man die dweilt terwijl ik zit te schrijven. Dat overstijgt alle theorie.

“Nog een veelzeggende anekdote van toen ze nog kleiner waren: mijn man heeft lang geen rijbewijs gehad, dus zat ik bijna altijd aan het stuur, net zoals mijn moeder nadat ze weduwe was geworden en zoals ook een van mijn zussen na haar scheiding.

“Mijn zonen waren dat beeld zo gewoon geworden dat ze eens in hevige paniek zijn geschoten toen hun grootvader achter het stuur kroop. Was dat wel veilig? (Lacht)

“Ik bedoel maar: structuren en denkbeelden kunnen wel degelijk omgebogen worden. Je moet er gewoon naar leven. Zelfs het kleinste voorbeeld kan grootse navolging krijgen.”

Dat is ook de radicale hoop die je geeft met Vrouwen in duistere tijden, en die je in deze ene zin finaal vat: ‘Niemand is te nietig om niet iemand te kunnen zijn.’

“Daar ben ik ten diepste van overtuigd. Hoe we in het leven staan, is hoe we antwoord geven op het kwaad.

“Al wat we doen, heeft betekenis. Al wat we niet doen, ook.

“Wat je zelfs nog maar beslist om online te liken, om te delen, om te lezen, dat is allemaal van tel. Voor jezelf denken is op zich al een daad van verzet.

“‘De wereld is niet begrijpbaar, maar wel omarmbaar’, schreef de filosoof Martin Buber.

“‘En de wereld omarmen, dat doe je door een van de wezens op deze wereld te omarmen.’ Zo simpel, zo krachtig.

“Begin vorige maand is Anny overleden. Zij was een vrouw die ons warm verwelkomd had in Lede, terwijl andere mensen op ons neerkeken of de autobanden van mijn ouders plat staken.

“Zij nodigde ons uit om bij haar te komen eten, we waren altijd welkom, ze was de oma die we niet hadden.

“In haar eentje heeft zij ons hier in dat moeilijke begin toch thuis doen voelen.

“Ik wens iedereen zo’n Anny toe. En ik wens het iedereen toe zelf zo’n Anny te kunnen zijn. Hoe prachtig eenvoudig het verzet kan zijn.”


De Socratesbeker, voor het meest urgente Nederlandstalige filosofieboek voor een breed publiek, wordt op 8 april uitgereikt in Amsterdam.


Vrouwen in duistere tijden
Over Palestina
De ontdekking van de vrouw

Alicja Gescinska. © Elke Pannier


Lees ook

Klik op de hyperlinks
en lees meer berichten

Alicja Gescinska

,


Bron: De Standaard

Welkom op Facebook

Welkom op Bluesky

Naar de website


Scroll naar boven