Twee van de vijf genomineerden voor de Socratesbeker 2026, de prijs voor het beste filosofieboek van het jaar, zijn Belgische vrouwen: Alicja Gescinska en Kristien Hens. ‘Vrouwen worden ondergewaardeerd, minder gelezen, minder geciteerd, minder goed begrepen en tot karikaturen vervormd.’
Sofie Mulders – De Morgen
4 maart 2026
Leestijd: 17 min
Kristien Hens en Alicja Gescinska hadden elkaar nog niet ontmoet, en hoewel hun boeken op het eerste gezicht heel erg anders zijn, vertoont hun werk verrassende overeenkomsten.
Hens schreef met Denken met microben een essay over hoe miljarden onzichtbare microben ons veel meer vormen dan we denken.
Een mooie metafoor, vindt Hens, voor het nadenken over zaken die op het eerste gezicht misschien triviaal lijken, maar die uiteindelijk nieuwe inzichten kunnen bieden in grote thema’s zoals ‘wat is de mens?’.
In Vrouwen in duistere tijden schetst Gescinska tien biografische portretten van vrouwelijke denkers uit de 20ste eeuw, onder wie Rosa Luxemburg, Anna Achmatova, Edith Stein, Hannah Arendt en Martha Gellhorn.
Vrouwen die het ondanks hun moedige en intelligente werk bijna nooit tot de canon hebben geschopt.
Ook in het essay van Hens zijn het vooral vrouwelijke 20ste-eeuwse wetenschappers en filosofen die de toon zetten, zoals Mary Midgley, Lynn Margulis, Donna Haraway, Astrid Schrader en Barbara McClintock.
Eén zaak die alvast duidelijk wordt na het lezen van beide boeken is dat al deze vrouwelijke denkers veel minder ernstig werden genomen dan hun mannelijke tegenhangers.
Is dat vandaag de dag nog steeds zo? Is het ook nu nog nodig dat jullie in jullie boeken expliciet vrouwelijke denkers onder de aandacht brengen?
Gescinska: “We hebben het allebei gedaan, wat aantoont dat het nog steeds nodig is. Hoewel er ondertussen al een kwart van de 21ste eeuw voorbij is, de zogezegde ‘eeuw van de vrouw’, is daar nog niet veel van te merken.
“Vrouwen hebben een historische achterstand. Op even grote schaal als mannen studeren of doctoreren, kunnen wij nog maar enkele decennia.
“Toen ik student was, dacht ik dat het vanaf dan alleen maar beter zou gaan, en we die achterstand eindelijk zouden gaan inhalen. Maar dat is niet gebeurd.
“Vrouwen worden onderbelicht, ondergewaardeerd, minder gelezen, minder geciteerd, minder goed begrepen, tot karikaturen vervormd.
“Neem nu het nieuwste boek van Bart De Wever, Over welvaart. Daarin verwijst hij naar geen énkele vrouwelijke wetenschapper.
“Wat moet ik daaruit concluderen? Dat vrouwen niet over welvaart nadenken? Dat we geen economie studeren?”
Hens: “In mijn boekje heb ik eveneens veel vrouwelijke wetenschappers geciteerd die heel lang niet gehoord of gezien werden.
“Microbioloog Lynn Margulis bijvoorbeeld, die een nieuw perspectief ontwikkelde op de evolutietheorie van Darwin, werd zelfs gewoon belachelijk gemaakt door evolutiebioloog Richard Dawkins.
“Nu pas wordt over haar werk gezegd: ze had gelijk. Terwijl ze vijftig jaar geleden ook al gelijk had.
“Ook het werk van geneticus Barbara McClintock werd aanvankelijk weggewuifd, tot ze uiteindelijk in 1983 de Nobelprijs won voor haar onderzoek.
“Dat is niet alleen onrechtvaardig, het is ook een grote gemiste kans. In zaken zoals wetenschap en politiek zijn het nog altijd de mannen die de toon zetten, en word je als vrouw minder serieus genomen. Ook vandaag de dag nog.”
Gescinska: “Ik studeerde tussen 2003 en 2008 in Gent en over geen enkele van de vrouwen in mijn boek heb ik zelf les gekregen.
“Ik ben trouwens nog altijd niemand tegen gekomen die de tien vrouwen allemaal kende. Dat zegt veel.
“Hannah Arendt zit nu wel in de canon, maar dat is nog maar heel recent.
“Toen de Nederlandse filosoof Hans Achterhuis in de jaren 70 over haar les wilde geven, werd hij teruggefloten door de rector: lestijd besteden aan een vrouwelijke journaliste kon niet door de beugel.
“Mijn boek is geen pleidooi voor de stelling dat vrouwen betere denkers, wetenschappers of politici zouden zijn. Maar net als mannen hebben ze gedacht en geschreven, en dus moeten ze gelezen worden.
“We doen onszelf als maatschappij tekort door geen aandacht voor hen te hebben. Want we zullen de mensheid nooit kunnen begrijpen als we de mens enkel beschrijven en analyseren vanuit een mannelijke blik.”
Iets wat jullie allebei benadrukken in jullie boeken, is het belang van zelf blijven denken. Komt dit volgens jullie niet in gevaar, met de razendsnelle ontwikkeling van AI? Kijk naar wat Peter Vandermeersch (de inmiddels geschorste ‘fellow Journalism & Society’ bij nieuwsuitgever Mediahuis, red.) gedaan heeft: als uithangbord van een sector waarin zelf nadenken de essentie zou moeten zijn, in een blog over journalistiek nota bene, heeft hij verzonnen citaten gebruikt.
Hens: “Een groter gevaar voor zelf nadenken dan AI vind ik de manier waarop wetenschap nu bedreven en gefinancierd wordt.
“Wetenschappelijk onderzoek moet vandaag de dag snel gaan én het moet resultaat opleveren.
“Je schrijft een project uit voor een beurs waarbij je eigenlijk al weet wat je na vier jaar wilt bereiken en dus hou je je aan het vooropgestelde onderzoeksschema zodat je die resultaten ook daadwerkelijk zult bereiken. Dat leidt niet tot innovatie.
“Alle ontdekkingen die de vrouwelijke wetenschappers uit mijn boek deden, kwamen er niet omdat ze een project met een duidelijk einddoel volgden en daarvoor een beurs kregen. Nee, hun ontdekkingen ontstonden omdat ze het geijkte pad net níét volgden.
“In mijn onderzoeksgroep aan de universiteit is er wel veel protest tegen AI omdat het een ramp is voor het milieu (AI-servers verbruiken heel veel energie en water, red.) en ook omdat we studenten aan de universiteit natuurlijk zelf moeten laten nadenken.
“Helaas gebruiken veel mensen AI op een verkeerde manier, waardoor ons denken afvlakt en ook onze kijk op de wereld. “
De wereld is niet louter een verzameling van statistische gegevens, maar zit natuurlijk veel complexer in elkaar.
“Anderzijds denk ik dat AI ons zeker kan helpen om tot nieuwe inzichten te komen. Maar dan moet het wel juist gebruikt worden. Niet zoals nu, waarbij je gewoon een massa teksten krijgt waar geen ziel meer in zit.”
Gescinska: “Denken is vermoeiend. Het vraagt heel veel energie. Wanneer er dus een middel bestaat om dat denken wat minder vermoeiend te maken, zal ons brein het aangrijpen. AI is zo’n middel.
“Het is begrijpelijk en toch is het echt geen goed idee om het zelf nadenken uit handen te geven. Daarvoor is het te waardevol.
“In sommige regimes kun je niet voor jezelf denken. Omdat het internet er wordt afgesloten, of de kritische pers er gemuilkorfd wordt, zodat je veel minder toegang hebt tot informatie.
“Wij zitten nog in een maatschappij waarin de informatie beschikbaar is. Wij hebben nog die bewegingsruimte. Koester dat.
“Ik volg wat je zegt, Kristien, over het onderzoek aan universiteiten en hoe de beurzen worden toegekend. De meeste grote filosofen uit de geschiedenis zouden vandaag de dag geen job hebben aan de universiteit.
“Ludwig Wittgenstein heeft in zijn hele leven twee boeken geschreven. Kant had voor sommige boeken tien jaar nodig. Dat zou je nu niet meer uitgelegd kunnen krijgen. Niemand gaat je een beurs geven voor een vraagstuk waar je tien jaar aan wilt werken.
“Denken wordt vandaag de dag gereduceerd tot output en artikelen. Maar niet iedereen functioneert in zo’n systeem.
“Binnen de universiteit kun je nog maar weinig buiten de lijntjes kleuren, terwijl daar vaak creativiteit, diepgang en inzicht ontstaan.
“Misschien zullen de grootste geesten zich dus stilaan buiten de universiteiten gaan ontwikkelen.”
Dat het niet eenvoudig is om buiten de lijntjes te kleuren, blijkt duidelijk uit jullie boeken. ‘Marginale ideeën hebben het niet makkelijk’, schrijft u, mevrouw Hens. En ook: ‘Mensen reageren meewarig wanneer ik vertel dat ik nadenk over ethiek en microben.’
Hens: “Van filosofen wordt verwacht dat ze zich bezighouden met ernstige zaken en veel mensen vinden microben geen ernstige zaak. Precies daarom heb ik dit boekje geschreven voor een breed publiek. Om aan te tonen dat we door na te denken over het onzichtbare een andere kijk kunnen krijgen op wat het leven is en wat de mens is.”
Gescinska: “Helaas wordt er snel neerbuigend gedaan over filosofen die ook schrijven voor een breed publiek. Dat is alleszins mijn ervaring. Het is geen échte filosofie, wordt dan gezegd. Ik vind het zó arrogant dat je vanuit die ivoren toren gaat neerkijken op iemand die zijn onderwerp ruimer durft te bespreken dan uitsluitend in de academische wereld.”
Hens: “Ik heb veel academische output gehad, maar dat zijn zaken die waarschijnlijk niemand ooit gelezen heeft. Dit is het eerste publieksfilosofische boek dat ik geschreven heb. En ik vind het wel heel eng, moet ik toegeven, dat mijn werk nu plots wél gelezen wordt.” (lacht)
Gescinska: “Dit soort boeken kunnen overigens ook weer op een academisch pad terechtkomen. Hannah Arendt wordt nu volop geciteerd in filosofische werken. Dus al die zogenaamde brede publieksboeken kunnen wel degelijk een bron voor wetenschappelijk onderzoek worden. Maar dat vraagt soms tijd.”
We hadden het over zelf blijven nadenken en buiten de lijntjes kleuren. Wat vinden jullie dan van de aanstelling van de zeer omstreden Nathan Cofnas aan de UGent, die onderzoek doet naar een verband tussen ras en intelligentie? In een open brief schreef Peter Singer dat academici controversiële of provocerende ideeën moeten kunnen onderzoeken zonder dat zij bang moeten zijn dat zij hun baan verliezen. De brief werd ook door enkele Belgische hoogleraren ondertekend.
Hens: “Ik vind het erg dat dit ‘controversiële ideeën’ worden genoemd. Het mogelijke verband tussen ras en IQ is wetenschappelijk gezien allang weerlegd. Hij onderzoekt dus helemaal geen ‘controversieel idee’.
“Volgens mij zijn er veel nieuwere en interessantere zaken in dit domein te onderzoeken. Bijvoorbeeld de vraag hoe concepten als ‘ras’ en ‘intelligentie’ tot stand gekomen zijn, en welk effect dat heeft gehad op hoe wij denken over mensen.
“De pseudowetenschappelijke stellingen waar het in de discussie over gaat, zijn gewoon plat racisme, we moeten ons daartegen blijven verzetten.”
“Gescinska: “Het stoort mij dat het gesprek over hem vooral gaat over de vraag of zijn onderzoek binnen het wettelijke kader valt. En dat hij zijn onderzoek aan de universiteit dus gewoon mag voortzetten indien dat het geval is, zoals Freddy Mortier (hoogleraar ethiek aan de UGent, red.) onlangs schreef in deze krant.
“Waarom gaat het debat niet veel meer over de wenselijkheid van een onderzoek? Over waaraan we als maatschappij en als publieke instelling financiering willen geven? En op welke vragen we antwoorden willen kennen?
“Zoals jij zegt, Kristien, zijn de vragen die hij stelt in het verleden al beantwoord. Er is genoeg bewijs dat huidskleur niet bepaalt of je meer of minder intelligent bent. Die vraag toch opnieuw blijven stellen, is niet onschuldig.
“Ik ben er niet tegen dat stellingen uit het verleden opnieuw bevraagd kunnen worden, maar hier heeft de vraag een lading en een geschiedenis.
“Ooit is deze vraag gesteld geweest met als doel mensen discrimineren. En uiteindelijk elimineren.”
‘Van filosofen wordt verwacht dat ze zich bezighouden met ernstige zaken, en veel mensen vinden microben geen ernstige zaak’
Kristien Hens
Mevrouw Hens, u schrijft: ‘We zien onszelf graag als onafhankelijke, zelfbepalende wezens. Maar wat als we ontdekken dat miljarden microben ons bewonen en mede sturen wie we zijn en hoe we ons gedragen?’ Het microbioom in onze darmen, bijvoorbeeld, beïnvloedt humeur, gezondheid en zelfs persoonlijkheid. ‘Dit inzicht dwingt ons om het idee van de mens als een zelfstandig wezen te heroverwegen’, zegt u.
Hens: “De darm-breinas is eigenlijk al een beetje een afgezaagd voorbeeld, maar blijkbaar schrikken mensen er nog altijd van.
“Er zijn experimenten geweest waarbij ze een fecale transplantatie hebben gedaan van muizen met een schrikachtig karakter naar andere muizen, die dan ook schrikachtig werden. En omgekeerd.”
Gescinska: “Heel fascinerend, vind ik. Onlangs las ik nog over een onderzoek dat ze bij mensen die een verstoord microbioom hadden en kampten met een depressie, de fecaliën van een gezond iemand zonder depressie hadden gegeven om de darmflora te veranderen, en dat dit zou helpen om je depressie te genezen.”
Hens: “Inderdaad. En je weet toch dat je die fecaliën dan oraal moet innemen? (lacht) In de vorm van een pilletje, uiteraard.
“Maar dat alles roept de vraag op: waar eindigt de mens en waar begint de bacterie?
“Of misschien is de vraag: hoe staan we in relatie met die bacteriën? Het besef dat wij samenhangen met microben wijst op onze afhankelijkheid.
“Wij staan in relatie met alles rondom ons. Als je een ethiek vanuit die vaststelling begint, dat wij relationele wezens zijn, kom je tot heel andere conclusies dan dat wij onafhankelijke, zelfstandige wezens zijn.
“De problemen die we vandaag de dag kennen, zullen we niet kunnen oplossen zonder te vertrekken vanuit die samenhang.”
Bron Thomas Sweertvaegher
Ook het darwinistische verhaal van de evolutie kan in dat opzicht wel wat meer nuance gebruiken, schrijft u.
Hens: “Voor alle duidelijkheid: het evolutie verhaal klopt. Ik geef geen kritiek op de evolutieleer an sich, wel op de manier waarop die in de 20ste eeuw geïnterpreteerd werd door mensen als Richard Dawkins en zijn genetisch determinisme (waarbij de genen worden gezien als basis van natuurlijke selectie en die het gedrag van de mens sterk bepalen, red.).
“Ik bekritiseer zelfs niet het basisidee van competitie. Het maakt zeker deel uit van hoe de wereld werkt. Maar het is niet het enige verhaal.
“We zijn tot dat verhaal gekomen door wezens te bestuderen die op ons lijken en door te kijken naar de dingen die we hebben kunnen zien. Maar wat we niet konden zien, hebben we niet mee in die analyse opgenomen.
“Biologe Lynn Margulis heeft bijvoorbeeld onderzocht hoe bacteriën de wereld hebben gevormd, door allianties te smeden in plaats van elkaar te bekampen.
“Of neem het vrouwelijk orgasme. Omdat dat geen duidelijke reproductieve functie heeft, hebben evolutionair psychologen zich het hoofd gebroken over waarom het dan überhaupt bestond.
“Als je daar zo verwonderd over bent, kijk je toch niet naar de complexiteit van het leven en sluit je toch uit dat er nog andere drijfveren kunnen bestaan voor menselijk gedrag, naast nut en competitie?
“Verbinding, bijvoorbeeld? Of gewoon plezier?”
Gescinska: “Wij zijn inderdaad relationele wezens.
“Mensen die vinden dat ze aan niemand iets verschuldigd zijn en hun ogen kunnen sluiten voor de wereld, hebben het mis.
“Het is een pleidooi dat ik in meerdere van mijn boeken houd. Het feit alleen al dat je jezelf als mens ziet, heb je te danken aan andere mensen.
“Doordat jij er nu ook microben bij haalt, Kristien, gaan we nog een stap verder in het denken over wat ons tot mens maakt.
“Het maakt het vraagstuk alleen maar interessanter.”
Mevrouw Gescinska, u schrijft: ‘De mens heeft de plicht om betrokken te zijn. Wie wegkijkt van het kwaad in de wereld is er zelf medeverantwoordelijk voor.’
Gescinska: “Zowel het kwade als het goede zit in de mens. Mijn boek is een aanklacht tegen het kwade en een ode aan het goede waartoe de mens in staat is.
“Maar het kwaad kan inderdaad zodanig ontsporen dat wij elkaar op grote schaal gaan uitroeien.
“Hoe komen wij daartoe, om de ander te ontmenselijken, hem als vijand te zien, of zelfs de dood toe te wensen?
“Veel mensen denken: ik ken geen haat, dus ben ik geen slecht mens. Maar geen haat koesteren is niet voldoende om een goed mens te zijn. Veel kwaad ontstaat omdat wij onverschillig zijn.
“Als wij vandaag onverschillig blijven voor mensen die sterven aan de buitengrenzen van Europa, vinden we het morgen misschien niet meer erg wat er in Oekraïne gebeurt, en overmorgen in Duitsland, en volgende week kan het ons niets meer schelen dat de mensen in het dorp naast ons worden uitgemoord.
“Onverschillig blijven is bijdragen aan de ontmenselijking van mensen.
“Ik weet dat het zwaar klinkt en mensen horen het niet graag, maar we hebben als mens een opdracht. We zijn allemaal verantwoordelijk voor de mensheid en voor onze medemensen.
“Er is trouwens geen enkele garantie dat jij niet de volgende zult zijn die ontmenselijkt wordt.”
‘Binnen de universiteit kun je nog maar weinig buiten de lijntjes kleuren. De grootste geesten zullen zich misschien buiten de universiteiten gaan ontwikkelen’
Alicja Gescinska
Het is lastig om in deze tijden niet onverschillig te worden. De oorlogsellende in Gaza is nog altijd niet achter de rug, evenmin als in Oekraïne. In heel wat Afrikaanse landen is er nog steeds ontzettend veel miserie, en nu is de bevolking van Iran en Libanon er ook nog bijgekomen.
Gescinska: “Klopt. Veel mensen voelen zich machteloos en vragen zich af wat ze in godsnaam kunnen doen tegen al die grote problemen. Maar je kunt veel doen.
“Niet iedereen hoeft zich op een politieke lijst te zetten. Alle kleine keuzes die je dagelijks maakt, dragen bij aan hoe we in het leven staan.
- Hoe je met de andere omgaat.
- Of je je informeert.
- Of je voor jezelf denkt.
- Of je gaat stemmen.
- Hoe je over mensen praat.
“Als jij zelf over vluchtelingen en migranten praat als onmensen, wat denk je dan dat er zal gebeuren bij een volgende stap? Dan zul je het niet meer erg vinden wanneer die vluchtelingen en migranten gedood worden.
“Zelfs wie we volgen op social media en wat we daar liken, heeft een impact.
“We zijn constant de wereld mee vorm aan het geven. En we dragen constant zelf bij aan het ontmenselijken of net meer mens maken van de ander. Daar moeten we ons van bewust zijn.”
Hens: “Je bent als mens inderdaad nu eenmaal een onderdeel van een relationeel geheel en je maakt de wereld mee door de manier waarop je praat of denkt.
“De wereld drastisch veranderen zul je door je eigen, individuele keuze hoogstwaarschijnlijk niet doen. Maar elke keuze veroorzaakt wel een rimpeling in het water. En soms kan dat genoeg zijn.”
Om af te sluiten: zijn het vruchtbare tijden voor filosofen?
Hens: “Het zijn altijd vruchtbare tijden voor filosofen. Er zijn nog zoveel zaken waarvan we nog niets weten en die relevant zijn om filosofische vragen over te stellen.”
Gescinska: “En hoe meer we weten, hoe groter die vragen worden. Dus nee, veel jobs zullen in de toekomst misschien verdwijnen, maar filosofen zullen altijd werk blijven hebben.”
De winnaar van de Socratesbeker, prijs voor ‘het meest urgente, oorspronkelijke en prikkelende’ Nederlandstalige filosofieboek van het afgelopen jaar, wordt op woensdag 8 april in Amsterdam bekendgemaakt.




Lees ook
Klik op de hyperlinks
en lees meer berichten
Bron: De Morgen