Moeten we jaloers zijn op de grootmachten met spierballen, waar alles sneller lijkt te gaan? Hendrik Vos herinnert ons eraan dat Europa een verleden heeft waarin brute macht de norm was. “We herinneren ons daar niet de efficiëntie van, zelfs niet de kracht. Wel de massagraven.”
Dit is het nawoord van de herziene editie van Dit is Europa van Hendrik Vos.
Hendrik Vos – De Standaard
14 mei 2026
Leestijd: 18 min
“Het is niet vreemd dat andere landen bij de EU willen horen.”
Waarom ons continent Europa heet, is gehuld in mist en mythes. In de meest romantische lezing danken we de naam aan de Fenicische prinses Europa.
Ze had charme, lange lokken en donkere ogen, zoals gebruikelijk bij jonge vrouwen van koninklijken bloede, althans in praatjes en prentjes.
Ze werd geschaakt door de Griekse oppergod Zeus en nadien op Kreta onder een plataan door hem verkracht. Zeus had zich voor de gelegenheid als stier vermomd.
De kunstgeschiedenis ging erop los en de ontvoering werd een klassieker op vazen, doeken en muren.
Eeuwen later, toen in de jaren 2000 een Europese grondwet werd gepend, werd geopperd om in de preambule de Grieks-Romeinse erfenis en de christelijke wortels van de Unie te vermelden.
Dat voorstel haalde het niet. De tekst hield het op de ‘gemeenschappelijke tradities’ die we op dit continent zouden delen.
Dat blijkt een inspirerend en vooral elastisch thema. Veel auteurs polijsten het verleden en bezingen de zogezegde gloriedagen van weleer.

Vandaag valt de nalatenschap nog te bewonderen in galerijen, operahuizen, kastelen, kunstkabinetten en kathedralen.
Het is het Europa van schilders en beeldhouwers, architecten en aristocraten, componisten met pruiken en monniken in pijen.
Zij zouden een culturele kracht gevormd hebben en onze gemeenschappelijke identiteit geïnspireerd en gekneed hebben.
Eurofielen van het dromerige type beroepen zich erop. De eenmaking van Europa stond in de sterren geschreven, zeggen ze.
De politieke en bestuurlijke realiteit hobbelden weliswaar een eindje achterop, maar diepe integratie is hier onontkoombaar, precies vanwege de gedeelde culturele kern.
Eurovisiesongfestival
Een geboren Europeaan zou ik mezelf niet noemen. Als kind bezocht ik nooit musea, paleizen of concertzalen, al zeker niet in andere landen.
De enige buitenlandse trip die mijn ouders met mij ondernamen, was een daguitstap naar de Efteling.
Buitenlandse kranten of kabeltelevisie hadden we niet.
Mijn wereld was klein en mijn Europabeleving beperkte zich tot het Eurovisiesongfestival, een jaarlijks hoogtepunt in mijn kinderbestaan met glitters en discoballen, vooral aantrekkelijk omdat ik dan laat mocht opblijven.
Nadien, als student, overwoog ik om met het Erasmusprogramma op uitwisseling te gaan, maar ik was ervan overtuigd dat mijn talenkennis ontoereikend was en ik was bang voor nare ziektes.
Pas als onderzoeker aan de universiteit ben ik mij in Europa gaan verdiepen.
Bij het begin van mijn loopbaan beschikte de vakgroep politieke wetenschappen al over experts in de lokale, de nationale en de internationale politiek.
Europa bleef over en zo rolde ik in het vak, ergens halverwege de jaren 90. Toen begon ik door het continent te reizen. Het waren echter niet de zo geroemde gelijkenissen die me opvielen, maar de grillige gelaagdheid.
Dit kleine werelddeel, niet meer dan een aanhangsel van de grote Aziatische landmassa, herbergt een duizelingwekkende weelde aan talen en landschappen, klimaten en culturen, politieke geschiedenissen en economische achtergronden.
Van de volkse cafés in het dampende Dublin tot de chique koffiehuizen in het walsende Wenen, van de besneeuwde vlaktes in Zweden tot de stoffige steegjes in Athene, overal liggen de breuklijnen kriskras door elkaar.
Europa zit vol craquelé.
Waar er verschillen zijn, daar wordt gediscussieerd. Elkeen heeft zijn kijk op de zaken, ingegeven door de eigen belangen en geschiedenis. Daar komen conflicten van.
Vroeger vochten we die uit op slagvelden vol slijk en staal. We hebben elkaar op dit continent bekampt met knotsen en bijlen, met zwaarden en kanonnen, met mitrailleurs en yperiet.
Na de Tweede Wereldoorlog gooiden we het over een andere boeg. Het is te zeggen: de verschillen mochten blijven bestaan. Landen en regio’s mogen hun karakter behouden. Ook mensen kunnen zijn wie ze willen zijn.
Dat staat intussen zelfs vooraan in het Europees Verdrag, gegraveerd in artikel 2, waarin de beginselen worden opgesomd waarop de Unie is gebouwd.
Eerbied voor de menselijke waardigheid staat centraal. De samenwerking wordt gekenmerkt door pluralisme, non-discriminatie en verdraagzaamheid, zo staat het er letterlijk.
Ook het belang van de vrijheid wordt vermeld: mensen mogen zich uiten en verenigen en kunnen bijdragen tot de democratie. Wat ook je politieke overtuiging is, welke taal je spreekt, wat je geloof ook is of je geaardheid: het maakt niet uit. En als je voor de rechter staat, hoor je fair behandeld te worden. De rechtsstaat is de basis van alles.
De diversiteit is dus niet afgeschaft, integendeel.
Maar de bijbehorende conflicten verhuisden: van het slagveld naar vergaderzalen. Ze worden uitgevochten aan tafels en in wandelgangen, in Brussel en in Straatsburg en op zo veel andere plekken.
Liberalen zien het zus en socialisten zo. De Grieken willen dit, de Denen dat. De Belgen vragen een uitzondering, de Nederlanders korting.
De confrontatie kan heftig zijn, soms slinks en achterbaks. Een tuinfeest is het meestal niet, maar wapens komen er niet meer aan te pas.
Iedereen heeft recht op een eigen standpunt en mag dat verdedigen. Geen enkele groep wordt achtergesteld op grond van religie of seksuele voorkeur.
Dat is wat ons in de Europese Unie bindt: een akkoord over waarden en spelregels, verankerd in verdragen en goedgekeurd door alle lidstaten.

Autoritaire kuren
Europa, dat is ploeteren en palaveren, rommelig wriemelen en water bij de wijn doen.
De Unie is een grote compromissenfabriek. Vermoeiend, jazeker. Er wordt soms jaloers naar andere plekken gekeken. Daar gaat het sneller, stelt men vast.
In China bijvoorbeeld: de Communistische Partij hakt de knoop door en zo zal het geschieden. Wat Tibetanen of Oeigoeren daarvan vinden, maakt weinig uit, want die hebben niets in de pap te brokkelen.
Ook in het Rusland van Vladimir Poetin wordt rap geschakeld. De president knipt met de vinger en verder debat is overbodig. Wie tegenspreekt, ondervindt aan den lijve de geheimen van de toxicologie in al haar varianten, van het verraderlijke polonium over het dodelijke novitsjok tot het snelwerkende gif van een zeldzame kikker. Journalisten met het lef om daar kritisch over te berichten vallen uit het raam van de zevende verdieping en ondergaan de wetten van de zwaartekracht.
In Amerika gaat het er onder president Donald Trump nog niet zo extreem aan toe, maar wie vragen stelt bij zijn beleid, mag vrezen voor zijn functie. Het is de bedoeling om ook daar blind loyaal te zijn aan de president. Wie dat niet is, zal de gevolgen voelen.
In de EU is er niet één iemand of één partij die het altijd voor het zeggen heeft. Er is ook niet één land dat steeds zijn slag thuis haalt. Als er een uitdaging op het pad komt, dan worden de meest uiteenlopende meningen, standpunten en gevoeligheden op tafel gelegd. Dat duurt. Dat kraakt. Dat schuurt. Zo werkt Europa.
Misschien verdient dat compromis meer waardering dan het krijgt. Dit is een continent dat ondanks de vele culturen, talen, geschiedenissen en belangen bijeen wordt gehouden. Niemand ramt er brutaal en ongehinderd zijn visie door. Dat maakt Europa anders dan autoritaire regimes.
Toch is het project kwetsbaar. Europa werd na de Tweede Wereldoorlog niet immuun voor autoritaire kuren. Er duiken partijen op die allergisch zijn voor het compromis en die tegenstanders bespotten, beschimpen of bedreigen. De toon is hard, de taal brutaal. Ze wakkeren polarisering aan en ranselen samenlevingen uit elkaar door mensen tegen elkaar op te zetten. Migranten zijn een favoriet, altijd beschikbaar en handig om op te mikken.
In meerdere lidstaten zijn die partijen al doorgestoten tot een regering. Soms nemen ze dan gas terug, worden ze milder en zoeken ze alsnog toenadering tot andere strekkingen. Maar het kan ook andersom.
In Hongarije raadpleegde de vorige premier het draaiboek van de dictatuur. Hij liet de rechtsstaat afbrokkelen, perkte de media vrijheid in, veranderde het kiessysteem, liet geen asielzoekers meer binnen, hongerde vluchtelingen uit, maakte ngo’s het leven zuur, probeerde universiteiten te veranderen in fabrieken die slechts een ideeëngoed verspreiden en maakte het leven lastig voor wie andersgeaard is.
Partijen die voortdurend dreigingen oproepen en gevaren verzinnen, mikken op de bange kiezer. Waar ze macht verwerven, is er al gauw sprake van een snuif discriminatie, een scheut racisme en een vleugje corruptie – een huisrecept met regionale varianten.
Sommige traditionele centrumpartijen zien dat zo’n recept succes heeft bij verkiezingen, en schuiven ook in die richting op.
© Reuters
Aan de overkant van de oceaan is het intussen zelfs gelukt om met zo’n aanpak president te worden en op het elan verder te gaan door te liegen, tegenstanders af te dreigen, een loopje te nemen met het internationaal recht en de wereldorde te ontwrichten.
Of Europa ooit hetzelfde pad opgaat, valt niet te voorspellen. Misschien zit de reflex tot compromis hier toch dieper ingebakken.
Misschien weegt de herinnering aan de Tweede Wereldoorlog nog zwaarder. Of misschien is de welvaartsstaat een efficiënte rem: er valt voor te veel mensen te veel te verliezen als we het hele politieke bestel omverkegelen.
Maar zeggen dat het hier nooit zo uit de hand zal lopen als in de Verenigde Staten, is meer een kwestie van wensdenken dan van wetenschap.
Quo vadis, Europa?
Door de voorbije decennia heen waren er vaak momenten van diep pessimisme.
De Koude Oorlog zou Europa splijten, net als de Irakoorlog.
Tijdens de eurocrisis werd met grote stelligheid het einde van de gemeenschappelijke munt aangekondigd.
De coronapandemie en de migratiecrisis zouden het failliet betekenen van de Schengenafspraken.
Maar kijk, we hebben in een rotvaart vaccins ontwikkeld en geproduceerd. We betalen vandaag nog altijd met de euro en we reizen van Finland naar Portugal zonder dat we onderweg papieren of formulieren moeten tonen.
Aan doemberichten heeft het Europa nooit ontbroken. Maar de geschiedenis toont ook een ander patroon.
Als de nood hoog was, lukte het om maatregelen te nemen, voor de beurzen openden, voor het onheil zich voltrok, voor de barsten onherstelbaar zouden worden en alles in elkaar zou stuiken.
Wat soms jaren onderhandelen vergt, kan dan in enkele uren worden beslist.
Vandaag zijn er opnieuw grote uitdagingen en crisissen. Maar dat dit hét beslissende moment voor de Unie zou zijn, verdient relativering.
De allereerste conferentie over Europese politiek waar ik ooit naartoe ging, droeg de titel: ‘Europa op een kruispunt’.
Sindsdien woonde ik een twintigtal congressen bij met precies dezelfde titel. En als er geen kruispunt was, dan wel ‘Quo vadis Europa?’ – vertwijfeling klinkt blijkbaar gewichtiger in het Latijn.
De waarheid is: de EU hobbelt al haar hele bestaan van de ene crisis naar de andere uitdaging.
Vandaag bereiden de Europese landen zich voor op een lange confrontatie met Rusland. Letterlijk: er worden legers versterkt, budgetten verhoogd, camouflagejassen besteld en kanonnen in stelling gebracht.
Ruslandkenners zeggen dat het niet anders kan. Met Moskou ben je nooit klaar. Er is altijd die neiging om het oude Sovjetrijk opnieuw op te bouwen.
Misschien hebben ze gelijk. Maar vlak na de Tweede Wereldoorlog werd krek hetzelfde gezegd over Duitsland.
De Duitsers zouden eeuwig op zoek blijven naar lebensraum. Ze zouden de verkeerde leider kiezen, zich herbewapenen en een ingebakken liefde tonen voor gotische letters, marsmuziek en strak staande vlaggen.
Hadden we dat niet al een paar keer meegemaakt?
Maar met de oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal nam de geschiedenis een onverwachte afslag.
Ze ontstond niet uit een majestueus plan dat breed was voorbereid, maar uit een merkwaardig samenspel van improvisatie en toeval.
Op een avond in een station in Parijs kreeg de Franse minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman een papiertje in de hand gedrukt. Op de tast werkte hij het idee uit, met Jean Monnet, in korte tijd en zonder dat ze konden beseffen wat ze zouden losmaken.
Achteraf lijkt het allemaal vanzelfsprekend. Bijna ongemerkt raakten Frankrijk en Duitsland met elkaar verstrengeld.
Sinds een afspraak tussen De Gaulle en Adenauer in 1963 zien Franse en Duitse leiders elkaar met een regelmaat die men in vele relaties als verstikkend zou ervaren.
Let wel: ze hebben niet dezelfde belangen en ze kibbelen erop los. Maar oorlog is ondenkbaar geworden.
Misschien kan het ooit ook zo lopen met Rusland, wanneer Poetin er niet langer de lakens uitdeelt. Of misschien ook niet. Wie zal het zeggen? Schrijf niets voor altijd af.

Zo gaat dat met geschiedenis. Ze gaat niet in rechte lijnen. Het gebeurt struikelend in het halfduister.
Wie had in de jaren 70 durven voorspellen dat Spanje, Portugal of Griekenland ooit tot de Europese club zouden behoren? Het waren akelige dictaturen en het was fout om daar te gaan zonnen.
Wie voorzag in de jaren 80 dat weldra een heleboel landen uit de communistische wereld zouden toetreden? Dat Joegoslavië en Tsjechoslovakije uiteen zouden spatten?
Toch gebeurde het. In Zuid-Europa gaan we vandaag op vakantie, uit het oosten kwamen de beroemde Poolse loodgieters. Ondertussen zijn de meesten alweer vertrokken.
Vandaag kijken we schouderophalend naar al dat verleden, alsof het nooit anders had kunnen zijn.
Nobelprijs
Als er één constante is in de Europese geschiedenis, dan deze: steeds meer doen we samen. Zelden snel, maar opvallend vaak met resultaat.
De Unie is bij lange na geen paradijs – daarvoor zijn er nog te veel armoede, ongelijkheid, discriminatie en cynisme.
De manier waarop met migratie wordt omgegaan is een schande.
En dan zijn er de dubbele standaarden in de buitenlandse politiek, de aarzeling om destijds de apartheid in Zuid-Afrika te veroordelen of om het te hebben over de ellende die de Palestijnen al decennia te verduren krijgen, het wegkijken als er oorlogsmisdaden worden gepleegd of als het internationaal recht wordt overtreden door bevriende regimes, de kruiperigheid tegenover Trump.
De hypocrisie is soms niet om aan te zien. Zelfvoldaan achteroverleunen zou ongepast zijn. Maar ondanks alles zijn er weinig plekken in de wereld waar het beter en veiliger leven is.
Toch kijken we in Europa vaak jaloers naar de zogenaamde grootmachten.
Landen die, zo heet het, beter uitgerust zijn voor de harde wereld van nu en straks: landen met spierballen, stalen zenuwen en weinig scrupules.
Landen ook die diplomatie vervangen hebben door decibels. Stieren in galop, waar geen prinses tegenop kan. We moeten meer zoals zij worden, klinkt het weleens.
Maar als brute macht de norm wordt, als regels worden afgeschaft en cynisme een deugd wordt, dalen we af naar de kelders en de krochten van onze eigen geschiedenis.
We hebben het vroeger uitgeprobeerd, een wereld van willekeur en zonder recht. We herinneren ons daar niet de stabiliteit of de efficiëntie van, zelfs niet de kracht. Wel de massagraven.
De sterkte van de Unie ligt precies in het omgekeerde: in haar aaneenklontering en in de regels die dat geheel bijeenhouden. Het levert welvaart op. En vrede.
Al decennia vallen lidstaten elkaar niet meer aan met de wapens. In 2012 kreeg de Unie daar de Nobelprijs voor de Vrede voor.
Er schuilt een merkwaardige paradox in het Europese verhaal.
Binnen Europa klinkt vaak somberheid: we zouden achteropraken, vergrijzen, verzwakken, verdwijnen. Maar van buitenaf bekeken oogt het allemaal een stuk aantrekkelijker. Iedereen wil zakendoen met Europa.
Europa bepaalt normen en standaarden, schrijft regels. Bedrijven mopperen soms, maar passen zich aan, omdat ze het zich niet kunnen veroorloven om de Europese markt te laten schieten.
- Europeanen leven langer dan inwoners van de zogenaamde echte grootmachten.
- Ze hebben recht op meer betaalde vakantie.
- De sociale voorzieningen zijn toegankelijker.
- De ongelijkheid is kleiner.
- Er zijn minder drugsdoden of arbeidsongevallen.
- De kindersterfte ligt lager.
Dat wil niet zeggen dat alles op rolletjes loopt. Er is technologische achterstand, tanende competitiviteit in sommige sectoren, tergend trage samenwerking rond defensie en kapitaalmarkten – het zijn reële problemen. Ze vragen om aandacht en inzet.
Maar als het erop aankomt, staat de Unie er.
In vrijwel elke ranglijst over levenskwaliteit, geluk of menselijke ontwikkeling, staan Europese landen in de hoogste regionen, vaak ver boven de zogezegd superieure wereldspelers van het moment.
Littekens
Het is niet vreemd dat andere landen erbij willen horen.
Voor zover bekend zijn er geen landen die vragen om lid te worden van China of om toe te mogen treden tot de Russische Federatie.
Er zijn ook geen landen die deel willen uitmaken van de Verenigde Staten. Canada of Groenland al zeker niet.
De EU daarentegen is wel aantrekkelijk, zelfs al betekent het lidmaatschap dat een land nadien nooit meer helemaal zijn eigen baas is.
Bovendien moet er een heel traject worden afgelegd waarbij landen grondige hervormingen moeten doorvoeren en Europese regels en waarden moeten overnemen.
Kandidaten betalen die prijs graag.
Als anderen invloed willen hebben op hun buurlanden, dan sturen ze er vliegdekschepen en een bataljon soldaten naartoe, meestal met tegenvallend resultaat.
De Unie zwaait met de wortel van het Europese lidmaatschap en slaagt erin om duurzame verandering voor elkaar te krijgen.
Daar hoort een kanttekening bij.
De EU eist niet alleen van kandidaten dat ze de Europese regels volgen, maar ook dat ze zich houden aan de fundamentele waarden waarop het project is gebaseerd.
Ze toont zich zeer bedreven in het omschrijven van die beginselen, maar is veel minder doortastend als landen ze met de voeten treden. Dat is geen kwestie om licht over te stappen.
De sokkel van principes en beginselen waarop de Europese eenmaking berust, is wiebelig en broos. In de achteloze en kladderige omgang met de fundamentele waarden, schuilt wel degelijk gevaar.
Europa was niet voorbestemd om de unie te worden die ze nu is. Het ontstaansverhaal is geen spoorboekje met netjes aangekondigde haltes. Het is een aaneenschakeling van omstandigheden, toeval, geluk.
En altijd weer: mensen.
Mensen die het op beslissende momenten voor het zeggen hadden – presidenten, kanseliers, premiers, ministers, commissarissen, parlementsleden, maar ook diplomaten, rechters, ambtenaren of medewerkers.
Geschiedenis schrijven is mensenwerk, en precies daarin schuilt hoop. Het betekent dat niets voorgoed vastligt.
Een zware verantwoordelijkheid rust dus bij de mensen in de cockpit. Maar evengoed bij iedereen daarbuiten, want in een democratie beslissen wij wie aan het stuur zit. Dat vergt meer dan passief toekijken.
Het vraagt betrokkenheid, bereidheid om te steunen wanneer het nodig is en evenzeer om tegen te spreken wanneer dat moet.
Onverschilligheid is de enige houding die ons nergens brengt. Alles is beter dan dat: twijfel, hoop, protest, verbeelding – zolang het maar bewijst dat we de geschiedenis niet willoos laten gebeuren, maar ze mee vormgeven, stap voor stap.
Soms worden er keuzes gemaakt die verkeerd uitpakken. Mislukkingen die zich als littekens vastzetten in de geschiedenis.
De stuntelige aanpak van de eurocrisis liet diepe sporen na, zeker in Griekenland.
Ook was er de weigering om dingen te benoemen zoals ze zijn, ook als het gaat om genocide en het wegkijken bij pushbacks in de Middellandse Zee. Dat was schandalig.
Op te veel momenten is de Europese eenmaking een verhaal waarop alleen met schaamte kan worden teruggeblikt.
En toch komt er altijd weer een moment waarop kan worden bijgestuurd.
Op zulke momenten wordt duidelijk hoezeer mensen het verschil kunnen maken. Soms alleen, vaker in een trefzeker samenspel, slagen zij erin een richting te kiezen en de geschiedenis een kleine, beslissende duw te geven.
Dat maakt het verhaal uiteindelijk hoopvol. Niet omdat alles goed loopt – dat doet het zelden – maar omdat niets definitief vastligt.

Dit is het nawoord van de herziene editie van Dit is Europa van Hendrik Vos.
Hendrik Vos
Politicoloog
Directeur van het Centrum voor EU-studies (UGent)
Columnist van De Standaard..

Lees ook
Lees ook
Klik op de hyperlink hieronder
en vind meer berichten van
Bron: De Standaard