De roep om alternatieven voor het kapitalisme klinkt steeds luider, vooral onder jongere generaties. The Atlantic-redacteur David Frum onderzoekt hoe het vergeten falen van het socialisme het debat kleurt en waarom markteconomieën onmisbaar blijven voor brede welvaart. Zelfs als het kapitalisme dringend hervormd moet worden.
David Frum – De Morgen
5 augustus 2025
Leestijd: 9 min
In de jaren tachtig was ’s werelds grootste schoenenproducent: de communistische Sovjet-Unie.
In zijn boek Dismantling Utopia uit 1994, schreef Scott Shane dat de USSR “800 miljoen paar schoenen per jaar produceerde – twee keer zoveel als Italië, drie keer zoveel als de Verenigde Staten. Meer dan drie paar schoenen per jaar voor elke Sovjet-man, vrouw en kind.”
En toch, ondanks die massale productie, stonden er lange rijen voor andere winkels bij het minste gerucht dat er buitenlandse schoenen te koop waren.
“Het hele ontwerp van Sovjet-schoenen stond zo veraf van wat mensen zelf wilden, dat ze bereid waren urenlang in de rij te staan voor een zeldzame, geïmporteerde schoen”, vervolgde Shane.
Het Sovjet-systeem zette met miljoenen werknemers nuttige grondstoffen om in ongewenste producten. Buiten werktijd zochten mensen naar de schaarse bruikbare goederen. Het was een gigantische verspilmachine.
Voor een jongere generatie Amerikanen is het concept ‘socialisme’ een lege doos, waarin allerlei wensen en dromen kunnen worden gestopt. Maar in het verleden namen sommige mensen het project heel serieus. In ruil kregen ze echter onbruikbare schoenen.
Steeds meer Amerikanen vinden dat de economie voor hen niet werkt. En dus debatteren ze over ideeën die ooit dood en stoffig leken, en sommige politici zetten die ideeën om in een programma.
Het nieuwe socialisme, een van de resultaten daarvan, lijkt de problemen die het oude socialisme ten val brachten slechts aan te pakken door ze te ontkennen of te negeren.
Wie socialisme wil terugdringen en democratische concurrentie in de markteconomie wil behouden, moet meer doen dan socialistische alternatieven bekritiseren. De markteconomie moet worden hervormd en gezuiverd. Hieronder leg ik uit waarom
Geloof in socialisme
Tijdens zijn hoogtijdagen werd het potentieel van een geplande socialistische economie nog door ’s werelds knapste koppen geprezen.
Albert Einstein schreef in 1949:
“Het winstmotief, in combinatie met de concurrentie tussen kapitalisten, is verantwoordelijk voor een instabiliteit in de accumulatie en het gebruik van kapitaal. Onbeperkte concurrentie leidt tot een enorme verspilling van arbeidskrachten en tot een verlamming van het sociale bewustzijn…”
“Een planeconomie, die de productie aanpast aan de behoeften van de gemeenschap, zou het werk verdelen over iedereen die in staat is om te werken en zou iedereen, man, vrouw en kind, een inkomen garanderen.”
In 1960 voorspelde de Harvard-econoom Abram Bergson dat de Sovjet-economie de Amerikaanse zou inhalen. Bergson was niet gek. De CIA hanteerde soortgelijke schattingen van de Sovjet-economie tot ver in de jaren zestig.
Amerikanen bestempelden het socialisme misschien als onderdrukkend, toch geloofden experts dat het Sovjet-socialisme, hoe onaantrekkelijk ook, positieve resultaten kon opleveren.
Dezelfde overschatting was er ook tegenover China. In 1959 hield de toekomstige president John F. Kennedy een toespraak in de Amerikaanse Senaat, waarin hij de Chinese beweringen over een ‘Grote Sprong Voorwaarts’ bijna volledig voor waar aannam.
“De mobilisatie van de werkloze massa Chinese landarbeiders door middel van economische communes en dergelijke”, zei Kennedy, “is een prestatie waarvan de politieke en intellectuele impact in minder ontwikkelde gebieden ongetwijfeld enorm zal zijn.”
In werkelijkheid was de Grote Sprong Voorwaarts misschien wel de dodelijkste zelf veroorzaakte ramp in de geschiedenis van de mensheid.
Het gedwongen industrialiseringsprogramma van Mao Zedong veroorzaakte een hongersnood, en daarbij kwamen tussen de 23 en 55 miljoen mensen om.
Welke alternatieven?
De Sovjet-economische statistieken die zo’n indruk maakten op de CIA, waren dus vervalst of zinloos. Het maakte bijvoorbeeld niet uit hoeveel paar schoenen een Sovjet-fabriek produceerde, indien niemand ze wilde dragen.
Om aan de Sovjet-sclerose te ontsnappen, stelde communistisch China in 1978 geleidelijk aan zijn landbouweconomie en zijn industrie open voor privaat beheer, marktconcurrentie en buitenlandse investeringen. Het communistische Vietnam en anderen volgden het Chinese voorbeeld.
In het Westen raakten socialistische ideeën in verval. In 1995 wijzigde de Britse Labour-partij van Tony Blair haar partijstatuten: ze schrapte de formulering waarin ze zich verbond tot “gemeenschappelijk eigendom van de productiemiddelen, de distributie en de uitwisseling”.
In Duitsland voerde de sociaaldemocratische coalitieregering van Gerhard Schröder in het begin van de jaren 2000 de meest ingrijpende bezuinigingen op de sociale uitkeringen in decennia door.
En In de Verenigde Staten verklaarde de Democratische president Bill Clinton in 1996 het “tijdperk van de grote overheid” voor gesloten.
Daar was niet iedereen blij mee natuurlijk. Tegenstanders verwierpen misnoegd Margaret Thatchers bewering dat “er geen alternatief is”, maar konden vervolgens niet op een samenhangende manier aangeven wat dat alternatief dan wel zou zijn.
In 2000 stelde antibedrijfsactivist Ralph Nader zich kandidaat voor het presidentschap om de promarktconsensus van het Clinton-tijdperk te bestrijden.
Zijn campagne voor de Groene Partij somde allerlei klachten op – van slecht openbaar vervoer, tot buitensporige CEO-salarissen – maar duidelijk maken waar hij vóór was, lukte hem niet
En zo verging het alle andere alternatieven ook. Enkelen uit de linkse vleugel destijds citeerden somber een uitspraak van de Amerikaanse marxistische literatuurcriticus Fredric Jameson:
“Het is makkelijker om je het einde van de wereld voor te stellen dan het einde van het kapitalisme.”
De ‘Grote matiging’
In de kwarteeuw tussen begin 1983 en eind 2007 kenden de Verenigde Staten slechts twee korte, milde recessies: een in 1990-1991, en een die slechts duurde van het voorjaar tot het najaar van 2001.
Vanaf het begin van de tweede regering van Ronald Reagan tot het einde van de eerste regering van George W. Bush bedroeg het werkloosheidspercentage in de VS nooit meer dan 8 procent.
En in diezelfde periode was de inflatie laag en daalden de rentetarieven gestaag. Economen noemen deze tijd de ‘Grote Matiging’.
Je voelde het ook in de politiek. Peilingbureau Gallup peilt al vijftig jaar naar de stemming onder Amerikanen. Van 1983 tot 2007 bereikte het percentage Amerikanen dat tevreden antwoordde op de vraag ‘hoe het gaat in de VS’, een piek van ongeveer 70 procent – en meestal lag het steevast boven de 50 procent.
Daar kwam een abrupt einde aan. In de vijftien jaar tussen 2007 en 2022 werd de Amerikaanse economie getroffen door de bankencrisis, de coronapandemie en de daaropvolgende inflatie.
Tijd van radicalisme
Het tijdperk van gematigdheid maakte plaats voor een tijd van radicalisme. De bewegingen volgden elkaar op: Occupy Wall Street, de Tea Party-beweging, birtherism en de militante sociale ideologie die de afkorting woke kreeg.
In 2015, midden in een golf van radicalisme, kondigde Hillary Clinton haar tweede gooi naar het presidentschap aan. In haar toespraak somde ze keurig de vertrouwde sociale groepen op; haar politiek van de jaren negentig botste met de realiteit van de jaren 2010.
Ze sprak vooral mensen aan voor wie het systeem werkte, en traditionele arbeidersgroepen, maakte geen specifieke melding van tijdelijke werknemers, gekwalificeerde professionals die in sociale status waren gedaald, of andere onrustige sociale categorieën, die na de schok van 2008-2009 in aantal waren toegenomen.
Enkele weken later kondigde ook senator Bernie Sanders uit Vermont zijn kandidatuur aan. Sanders was een eigenaardig progressief idool. Hij had zijn hele leven in de politiek gezeten, maar had weinig bereikt.
Als onafhankelijk socialist had hij zich afzijdig gehouden van de Democratische Partij en geen eigen beweging opgebouwd. Weinig mensen beschouwden hem als een inspirerende persoonlijkheid of een boeiend spreker.
Maar te midden van het radicale sentiment verzamelde hij al snel een cultstatus om zich heen, en won hij 13 miljoen stemmen, waarmee hij 23 voorverkiezingen en primary’s won.
Toen hij uiteindelijk van Clinton verloor, bleven veel van zijn aanhangers achter met wrok. Het veroorzaakte een scheiding tussen linksen en liberalen, die Donald Trump mogelijk heeft geholpen om in november 2016 het kiescollege te winnen.
In 2002, tegen het einde van haar politieke carrière, werd aan Thatcher gevraagd wat haar grootste prestatie was.
“Tony Blair en New Labour”, antwoordde ze. “We hebben onze tegenstanders gedwongen van mening te veranderen.”
Sanders zou hetzelfde kunnen zeggen over Trump: weg was het Reagan-enthousiasme voor vrije markten en globalisering.
Trump beloofde harde overheidsingrepen ter bescherming van Amerikaanse bedrijven en banen, schetste een somber beeld van het land en zag de toekomst in een terugkeer naar het verleden.
Tegelijk belichaamde zijn persoonlijkheid precies de decadentie die Sanders aan het late kapitalisme toeschreef.
Aan de macht stond nu een miljardair die klanten bedroog en leveranciers oplichtte. Zijn privéleven hing aan elkaar van schandalen, en zijn regering bestond uit plutocraten en profiteurs die zich te goed deden aan belastinggeld.
Impact corona
De coronapandemie versterkte het antimarktgevoel verder. Ze verrijkte degenen die al bezittingen hadden, met name in onroerend goed: de gemiddelde huizenprijs in de VS steeg van ongeveer 315.780 euro in het voorjaar van 2020 tot 437.310 euro aan het einde van 2022.
De federale maatregelen tegen de pandemie werden ook misbruikt door ondernemers; de Amerikaanse regering schat dat maar liefst 170 miljard dollar aan covidsteungelden mogelijk frauduleus in particuliere zak is gestoken.
En je was als huurder en loontrekkende in 2022 vrijwel zeker slechter af dan in 2019. Je loon was minder waard en je huur was hoger.
Voor jonge afgestudeerden waren de vooruitzichten bijzonder somber. Gemiddeld had een student een jaar na zijn afstuderen meer dan 32.000 euro aan studieschuld. De zwakke arbeidsmarkt na covid verzwakte de hoop om die schuld terug te kunnen betalen.
De regering-Biden kon een deel van de studieschuld kwijtschelden, maar haar ambitieuzere plannen werden door het Hooggerechtshof afgewezen wegens overschrijding van de uitvoerende bevoegdheden.
Morgen deel 2:
‘Wie pleit er in de door Trump geleide Verenigde Staten nog voor vrijhandel?’
© 2025 The Atlantic Monthly Group. Alle rechten voorbehouden. Gedistribueerd door Tribune Content Agency, LLC

Deel 2
Lees ook
Klik op de hyperlinks hieronder
en vind andere berichten van
Bron: De Morgen