Ooit smoesden politiek en economie discreet over hoe het verder moest met de energie. Maar nu regeert een andere politieke elite, schrijft Marc Reynebeau. Die gebruikt ook haar economische strategie als een ideologisch wapen.
Marc Reynebeau – De Standaard
5 mei 2026
Leestijd: 6 min
Van marktkramers is bekend hoe bedreven ze zijn om hun waar aan te praten als het ultieme antwoord op alle noden van hun klanten.
De politiek doet het net zo.
Voor de Vlaamse regering heeft het drinkwater in de Westhoek een probleem, omdat er te mijden stoffen in zitten, wat het zuiveren ervan ook extra duur maakt.
Maandag heeft de regering dat probleem evenwel opgelost: het spul mag er nog drie jaar langer in blijven rondzweven.
Men zou er welhaast bij vergeten dat het probleem een oorzaak heeft en dus elders ligt, bij de vervuiling van de waterlopen.
En om het nog wat verder op te peppen, wijt minister van Omgeving Jo Brouns (CD&V) de vervuiling niet aan pesticiden of onkruid verdelgers in de aardappelteelt, maar gewaagt hij van “gewasbeschermingsmiddelen” – wat nochtans hetzelfde is, maar veel sympathieker klinkt.
Ook premier Bart De Wever (N-VA) kent de marktkramerstruc. Hij verantwoordt zijn voorgenomen nationalisering van zeven kerncentrales met de stelling dat het aandeel van hernieuwbare energie in het land slechts goed is voor “enkele procenten”.
Maar procenten van wat?
- Van het energieverbruik?
- Van de energievraag?
- Van de elektriciteitsproductie?
De elektriciteitsproductie wisselt, maar toch waren wind- en zonne-energie in 2023 goed voor 27,7 procent daarvan, en neemt hun aandeel gestaag toe, in de eerste plaats omdat ze almaar goedkoper worden.
Dat “enkele procenten” roept nog andere vragen op, zoals over Vlaamse regeringen die in het recente verleden nog hun ambities omtrent duurzame energie afschaalden, omdat die niet “haalbaar en betaalbaar” zouden zijn.
Het is maar wat politici in hun kraam verkocht willen krijgen.
Historicus Guy Vanthemsche bracht hier gisteren in herinnering dat ooit het plan bestond om ook Zeebrugge met een atoomcentrale te begiftigen.
Met als argument dat die centrale zou nodig zijn voor de bouw van een energiegulzige ontziltingsinstallatie aan de kust, om, zoals nu pakweg benoorden de Straat van Hormuz gebeurt, van zeewater drinkwater te maken.
Het argument bleek echter niet te overtuigen, al had het vandaag toch Brouns’ waterprobleem kunnen oplossen.
Gebrek aan vooruitziendheid?
Het verleden en zeker politieke verantwoordelijken van toen krijgen vandaag wel vaker het verwijt zo niet ronduit dom, dan toch kortzichtig, naïef of, o horreur, te ideologisch te hebben gehandeld.
Over atoomcentrales, de begroting, defensie, wat al niet. Met het verwijt kan de politiek van nu zich in enig mentaal comfort wentelen, maar als historische analyse houdt het weinig steek.
De verhouding tussen politiek en economie en die tussen de overheid en het bedrijfsleven fluctueert en is in hoge mate ideologisch gekleurd.
In de 19de eeuw gingen de eigenaars van de steenkoolmijnen elk jaar een avond dineren in Brussel met ambtenaren en politici om af te spreken hoeveel de spoorwegen zouden betalen voor hun kolen.
Eenzelfde elitaire consensus leidde ertoe dat, zoals Vanthemsche aanstipte, de introductie van kernenergie in België nooit in het parlement is besproken, laat staan beslist.
En toen het grootkapitaal af wilde van verlieslatend geworden bedrijven, mocht het de sociale afwikkeling in de zogeheten nationale sectoren (staal, textiel, steenkoolmijnen, glas, scheepsbouw), doorschuiven naar de staat en de belastingbetaler.
Idem met de strategische sectoren. Eind vorige eeuw koos de Vlaamse regering voor het principe van de ‘Vlaamse verankering’.
Ze bedacht er zelfs een aparte onderscheiding voor: de Vlaamse Ankerprijs, voor ondernemers die hun bedrijven in eigen hand hielden en zich niet door buitenlands geld lieten verleiden.
De ondertoon daarvan was, mee in het verlengde van een oude fixatie in het flamingantisme, bijzonder anti-Frans getint; Frankrijk zou eropuit zijn om via het opkopen van bedrijven Vlaanderen te willen “koloniseren”.
Tot zo’n winnaar, een baksteenfabrikant, de prijs een aparte glans gaf door zijn bedrijf prompt aan een Britse overnemer te verkopen.
Even later stond de Vlaamse regering mee aan de wieg van het telecombedrijf Telenet (in Mechelen, waar ook de toenmalige minister-president vandaan kwam), dat echter al in 2012 in handen kwam van een Amerikaanse investeerder.
De Vlaamse verankering stak onlangs weer de kop op toen de Vlaamse regering een forse participatie kocht in Brussels Airport, zodra een Canadees pensioenfonds daarvan af wou.
Ook hier was de argumentatie – de overheid greep laten houden op deze economische groeipool – flinterdun, omdat de overheid al een plek had in het kapitaal van de luchthaven, al was dat dan de federale overheid.
Er bestond dus al politiek toezicht op de luchthaven, maar de Vlaamse regering zag de “overkant”, de Vivaldi-coalitie voorop, nu eenmaal als een concurrerende of voor Vlaanderen onbetrouwbare overheid.
Idem toen toenmalig Vlaams energieminister Zuhal Demir (N-VA) morde over het energie-eiland voor de kust.
Daarmee kon, aldus Demir, haar federale collega Tinne Van der Straeten (Groen) wel gloriëren, maar zijzelf zou het vuile werk moeten opknappen.
Daarmee bedoelde ze de Ventilus hoogspanningslijn die ze moest vergunnen. Demir beloofde elk bezwaar ertegen (het zijn er duizenden geworden) nauwgezet te onderzoeken.
In die evolutie verdween de oude elitaire consensus, de stilzwijgende verstandhouding tussen de tenoren van politiek en economie, die een halve eeuw geleden nog de atoomcentrales ongemerkt tot een dominante energiebron maakte.
De politieke elite is ook van aard veranderd. Behoorde tevoren ook de top van de zuilen ertoe, net als die van de vakbonden, vandaag is het gedemocratiseerde middenveld er helemaal uit weggedrukt. Overheden zien publieke medezeggenschap via het middenveld nu slechts als een last.
De oude elite is vooral van aard veranderd doordat het activisme van de Vlaamse regering, in al zijn varianten, de overheden in België nu met elkaar laat strijden, niet zozeer om het economische overwicht, maar om politieke en ideologische hegemonie.
Daarbij hanteert het Vlaams-nationalisme zijn greep op de Vlaamse staatsmacht en staatskas voor ideologische belangen.
Marktwerking, privatisering, deregulering en all that neoliberal jazz, allemaal goed en wel, maar het moet de staatsmacht niet hinderen.
Dat werpt een bijzonder licht op de nucleaire kwestie. Waarbij het nog de vraag is hoe een derde institutionele factor, de Europese, daarmee zal omgaan.
Hoe dan ook heeft nationaliseren in dit geval weinig te maken met de oude socialistische wens om, in naam van het algemeen belang, de economische hefbomen onder collectief toezicht te brengen.
Het gaat daarentegen, met de staatsmacht als koevoet, om het bewijzen van een politiek gelijk.
Nostalgici aan de linkerzijde kunnen te rade bij de stilaan vergeten socialistenleider Emile Vandervelde en diens even vergeten boek Le socialisme contre l’Etat (1914).

Marc Reynebeau is journalist, verbonden aan deze krant. Zijn column verschijnt wekelijks op woensdag.
Lees ook
Lees ook
Lees meer berichten
Marc Reynebeau
Bron: De Standaard