Geweld in de publieke ruimte is geen exclusief Brussels probleem. Politici die bootcamps daarvoor een remedie noemen, spelden de bevolking maar wat op de mouw, schrijft Marc Reynebeau. Ze weten nochtans beter.
Marc Reynebeau – De Standaard
16 juni 2026
Leestijd: 6 min
Het is een les uit de geschiedenis: overheden die de controle kwijtraken, zijn geneigd om de geringste misstap van hun onderdanen te sanctioneren met de zwaarste straffen. Disproportionele repressie is een blijk van machteloosheid en wanhoop.
Een gruwelijk voorbeeld van die wetmatigheid deed zich voor in de laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog.
Toen liet het in chaos, anarchie en uitzichtloosheid verzonken nazi-Duitsland duizenden van zijn eigen soldaten doodschieten of ophangen omdat ze oorlogsmoe waren, gingen muiten of deserteerden.
Ter vergelijking: tijdens de hele Eerste Wereldoorlog bracht datzelfde, toen wel nog structureel intacte Duitse leger ‘maar’ 48 soldaten als muiters of deserteurs voor het vuurpeloton.
Misschien moet die historische wet worden aangescherpt.
In bepaalde gevallen vaardigen politici niet uit machteloosheid of wanhoop zware straffen uit, maar omdat ze geen zin hebben om zich in de details te verdiepen, omdat ze een hinderlijk probleem snel uit de wereld willen helpen door zich te beperken tot stoere retoriek over law and order, met daadkracht die alleen verbaal is, daardoor gratuit blijft en niet verder komt dan ordinaire, maar allerminst onschuldige stemmingmakerij.
Dat is wat vorige week gebeurde toen het woord ‘bootcamp’ in de publieke conversatie opdook.
De aanleiding ervoor was het geweld en het vandalisme in Brussel bij de protesten van leerkrachten en studenten tegen de besparingen in het Franstalig onderwijs.
Vooruit-voorzitter Conner Rousseau, die er wellicht persoonlijk mee was geconfronteerd op weg naar zijn kantoor in de buurt van het Brusselse Centraal Station, bracht de term in omloop: dat “crapuul” moest maar eens naar een bootcamp worden gestuurd om een lesje te leren.
Het mocht geen verrassing zijn dat Rousseau prompt bijval kreeg van minister van Defensie Theo Francken (N-VA).
Die heeft het ook graag kordaat, zeker als dat hem de kans biedt om protest te politiseren en om ‘extreemlinks’ en het nog schimmigere ‘antifa’ te criminaliseren.
Want viel daar al niet eens het woord ‘revolutie’?
Er zou sprake zijn van opruiing en desinformatie (daarmee deed de volgende usual suspect, MR-voorzitter Georges-Louis Bouchez, zijn duit in het zakje) en verder viel te vernemen dat de Brusselse gemeente Sint-Gillis een waar revolutionair rovershol zou huisvesten.
Zodra de geest uit de fles is, duurt het niet lang voor hij helemaal op hol slaat. Meer nog, de wenkbrauwen even fronsen en zich afvragen of het met dat wilde getoeter niet wat minder kan, zou neerkomen op het geweld goedpraten en aansturen op straffeloosheid. Ga toch fietsen.
Een groot raadsel
Zo konden die bootcamps enige dagen lang de gemoederen beheersen. Problemen zouden oplosbaar zijn door balorige jongelui erin op te sluiten.
Wat bootcamps dan precies zijn, hoe ze werken en wat ze doen, is niettemin een groot raadsel.
Ze zijn een thema in Amerikaanse films en tv-programma’s, waarin het beeld wordt opgeroepen van intense, door schreeuwende sergeanten begeleide dagmarsen door de wilde natuur, met een rugzak volgestouwd met zware stenen, bedoeld om discipline, karaktersterkte en volharding op te bouwen.
Of zulke bootcamps in België een plaats kregen in het jeugd- of strafrecht, is verre van zeker. Al zou een opleiding bij de special forces van het leger er wel mee vergelijkbaar zijn.
Verder komen bootcamps alleen voor in een sfeer van Spartaanse wellness of van sportieve recreatie in openlucht.
Maar “bootcamps”, het blijkt door politici snel gezegd te kunnen worden, inhakend op een hoogst moraliserend Amerikaans cliché.
Rousseau had inmiddels wel de verstandige ingeving om niet langer te gewagen van bootcamps, maar (in Bruzz) van “residentiële vormingstrajecten”, wat eerder het beeld van een kostschool dan van militaristische drill oproept.
Centraal in die retorische omcirkeling van suggestieve beelden en woorden, onder meer over een vijftienjarige die met een bus benzine op zoek gaat naar iets om in de fik te steken, kreeg het vermeende kernprobleem gestalte: de “Brusselse jongeren”, lui die met nieuwjaar de Brusselse straten al onveilig maken en in de zomer keet schoppen aan stranden en zwemvijvers.
Zo groeit, nog voor van enig bewijs sprake is, het amalgaam dat al snel als hondenfluitje kan fungeren.
Aanleiding voor amok
Toch is het niet de eerste keer dat betogingen worden verstoord door geweld in de marge, vaak na infiltratie door al dan niet georganiseerde derden, voor wie een toeloop van protesterend volk een aanleiding is voor amok.
Vakbondsbetogingen hebben er al langer mee af te rekenen, bij een Brusselse betoging tegen het coronabeleid gebeurde hetzelfde.
Boerenprotest staat zowat synoniem voor vernieling en obstructie.
Parijs kent het geweld van de zogeheten casseurs al veel langer, ook in de acties indertijd van de ‘gele hesjes’.
In Nederland komen relschoppers telkens weer opdagen bij protesten tegen het asielbeleid, om ramen in te gooien, brand te stichten, stenen en vuurwerk te gooien naar de politie en hulp diensten te hinderen, praktijken die daar ook bij boerenprotesten en nieuwjaarsvieringen eerder regel dan uitzondering zijn.
- Vorige week gingen hooligans in Belfast nog auto’s en huizen van migranten in brand steken.
- Dat voetbalploeg PSG laatst iets belangrijks won, leidde evenzeer tot geweld in het hart van Parijs.
- Bij de viering vorig weekend van de lokale basketbalploeg in New York ging straatmeubilair eraan, werd iemand neergeschoten, deden zich vier steekpartijen voor en brandden onder meer schoolbussen uit.
Wat bezielt die mensen?
Deels gaat daar extremistisch gedachtengoed achter schuil, zoals vaak het geval is bij asielprotest in Nederland of het Verenigd Koninkrijk.
Soms is blinde haat in het spel, soms het nihilisme van wie niets constructievers kan verzinnen om zich te manifesteren of om aandacht op te eisen.
Al die gevallen brengen fricties en scheuren in het maatschappelijke weefsel aan het licht.
Denken dat bootcamps, wat die ook mogen zijn, een uitkomst bieden, is in het slechtste geval zelfbegoocheling, een vermeend efficiënt en simpel antwoord voor wie geen moeite wil doen om oorzaken op te sporen en adequate oplossingen te bedenken.

© Kristof Vadino
Marc Reynebeau is journalist, verbonden aan deze krant. Zijn column verschijnt wekelijks op woensdag.
Lees ook
Lees ook
Lees meer berichten
Marc Reynebeau
Bron: De Standaard