Zonder plechtige kaders als Pasen krijgt de taal iets manisch-depressiefs, ziet Marc Reynebeau. Eerst maakt ze alles klein, om dan opeens het wielrennen episch te bezingen. Maar zonder gevoel voor register ligt de weg open voor een armageddon van Epic Fury.
Marc Reynebeau – De Standaard
12 april 2026
Leestijd: 4 min
Op paasdag beseft een reporter in de Ronde van Vlaanderen dat taal ertoe doet, dat het nodig is om op het juiste moment de juiste woorden te gebruiken.
In de Ronde draait een renner een haakse bocht in, en de reporter zegt: “Daar heeft hij de wind in het gat.” Om er snel aan toe te voegen: “Excusez le mot.”
In de plechtige context van Pasen hoeft het niet zo expliciet of plat en is pakweg een conventioneel ‘wind in de rug’ al helder genoeg.
Nog maar pas is de campagne voorbij die mensen tot bewegen wil aanzetten met de slogan Kom van dat gat af.
Het is een wat goedkope woordspeling op een oud, lekker rockend, absurd-humoristisch liedje van Peter Koelewijn. De grapdwang eindigde in directe informaliteit.
Een soepele taal let op registers. Concrete relaties en omstandigheden verschillen van geval tot geval en uiten zich telkens in een eigen, aangepast taalregister.
Dat maakt taal wendbaar, rijk, helder en meerlagig. Een beetje hypocriet ook soms, maar dat is zoals met alle leugentjes om bestwil.
Pasen, wanneer de klokken het voor het zeggen krijgen, is zo’n omstandigheid.
Het gebrek aan plechtige kaders levert alleen informaliteit zonder reliëf op.
Zoals bij die bedrijven die ons wat willen aansmeren en veinzen dat we zo intiem met elkaar zijn dat ze ons bij de voornaam en met ‘jij’ aanspreken.
In een commerciële transactie is nochtans afstandelijkheid gepast en is een “u” op zijn plaats. ‘Voor u ben ik meneer’.
Taalgebruik reflecteert de aard van de relatie. Informeel gesmoes verdoezelt die.
Alles mag zijn correcte naam hebben, ook vaders en moeders. Toch verdwijnen ze steeds vaker in de informaliteit van de intieme aanspreking, als papa’s en mama’s.
Het gebeurt tot in het harde nieuws.
“De papa van Romelu Lukaku is overleden.”
Met alle respect, maar zijn vader is mijn papa niet. Dit slag afgevlakte informaliteit leidt slechts tot kneuterigheid, soms tot ongewenste intimiteiten.
Zo vergaat het ook de friet die kennelijk alleen nog als ‘frietje’ mag bestaan.
Om een personage in de film Les Ripoux (1984) van Claude Zidi te citeren: “Pourquoi petit?” Waarom alles klein maken?
De taal lijkt wel manisch-depressief.
Nu eens schuilt ze in een register dat klein, nabij en intiem pretendeert te zijn, op het kneuterige af, maar faalt om de reële wereld daarbuiten te benoemen.
Dan weer maakt ze zich overdreven luid en groot, zoals in de mond van de zelfzuchtige bullebakken die zelfs met Pasen geen ruimte laten voor de jubel van de klokken die de overwinning van het leven op de dood vieren.
Die paasklokken moeten het na de middag afleggen tegen het geschetter, getoeter en gebeier van de Ronde van Vlaanderen, de nieuwe versie van de christenplicht ‘zijn Pasen houden’.
In de podcastreclame wordt het wielrennen “episch” genoemd, met heroïek die stof biedt voor een epos dat van generatie tot generatie bij het haardvuur wordt doorverteld.
Pardon? Verliezen we hier niet de maat der dingen ietwat uit het oog?
Die buldertaal op steroïden van de permanente hyperbool, die alles epic of awesome of badass maakt, kan de kennelijk als banaal ervaren alledaagsheid nog een beetje interessant doen lijken.
Maar zo komt sleet op de taal. Superlatieven smoren de nuance en de differentiëring en vervluchtigen tot loze kreetjes.
Net zo ‘epic’ is Epic Fury, de Amerikaanse oorlog in Iran.
Op paasdag gaf de president zijn lezing over die “geschifte smeerlappen” die “de klotestraat” van Hormuz blokkeren.
Op paasmaandag ruimde het machteloze stampvoeten in taal de weg voor wat meer gravitas, passend bij het taalregister dat bij een staatshoofd hoort: hij zou een hele beschaving doodmaken.
Het was de aankondiging van een genocide, misschien een nucleair armageddon.
Dat krijg je met iemand die nu al wegkomt met ordinaire oorlogsmisdaden en die over een conflict spreekt in een register dat leunt op “decimeren”, “verpletteren” en “vermorzelen”.
Dat is een les voor wie de klok luidt.
Wij, volkeren van Het Boek, moeten in heilige geschriften de taalregisters onderscheiden, inzien naar welke context en realiteit ze verwijzen, interpreteren wat erin te klein of te groot is, tussen de regels lezen.
Anders gaat de zin verloren voor ambivalentie, ironie en menselijkheid.
Als daarin een god voorkomt, is hij niet de Heilige Papa.
Voor wie of waarvoor moeten we de klokken luiden? Die vraag wordt elke dag van de paasvakantie in ‘Bim Bam Beieren’ door telkens een andere auteur beantwoord. Vandaag: journalist en columnist Marc Reynebeau.

Marc Reynebeau is journalist, verbonden aan deze krant. Zijn column verschijnt wekelijks op woensdag.
Lees ook
Lees ook
Lees meer berichten
Marc Reynebeau
Bron: De Standaard