Plage Centrale – Kat Steppe en Mathias Sercu


Kat Steppe en Mathias Sercu ontmoeten elkaar aan de vooravond van de “eerste zomer zonder hem”. Zij verloor in december haar geliefde, hij in januari zijn zoon. Ze keken uit naar dit gesprek en ze hielden ook het hart vast. “Je wil niets liever dan praten over hem, en er is ook niets pijnlijkers dan praten over hem.”

Ine Renson en Guinevere Claeys

De Standaard

3 juli 2026

Leestijd: 27 min


“De spelregels van dit leven zijn helemaal veranderd”

Mathias Sercu


“Heb jij dat ook soms?”, vraagt ze hem, “dat je ’s nachts wakker wordt en dat je het heel even vergeten bent? Een fractie, echt maar een fractie, maar toch. En dat het je dan onderweg naar het toilet pas begint te dagen: ‘Ah just. Het is niet meer tof. Ik jeun mij niet meer.’”

Hij knikt.

“Het kan je totaal onaangekondigd even weer helemaal overvallen. Tore zit altijd in mijn gedachten, maar het verdriet houdt zich het ene moment wat verder op de achtergrond, en het andere moment vreet het me weer helemaal op. Rouw is niet logisch. En verloopt al zeker niet lineair.

“‘Rouwproces’ vind ik een misdadig woord, want dat beweert dat het ooit afgerond zou zijn. En dat is nu net het ding. Dat is nu net waar het op aankomt: je moet er voor altijd mee leren leven. Al kan ik dat nu nog niet bevatten. Voorlopig kan ik nog geen twee dagen verder kijken.

“Als ik eraan denk dat Tore er voor altijd niet meer is, dan kan ik dat niet verdragen. Echt. Ton kommekik zot.”

Nu knikt zij.

Zonder rietje

Vier uur eerder is het bij de kennismaking de eerste en enige vraag die Kat Steppe en Mathias Sercu ons stellen. Of ze het juist hebben dat ook wij allebei van West-Vlaanderen zijn, en of we dus misschien gewoon West-Vlaams kunnen spreken?

Dit is een gesprek waarvoor ze alle mogelijke houvast kunnen gebruiken, en West-Vlaams is er alvast een van – een moedertaal biedt beschutting.

Zij is van Menen, Mjinde, op de grens met Frankrijk, hij van 25 kilometer hogerop, van Ardooie, ergens diep in het hart van de provincie. Ze klinken gelijk, maar ze praten anders.

Hij is een woordenvloed, de ene roerende gedachte brengt hem vanzelf bij de andere rake formulering, hij heeft geen voorzet nodig.

Zij wel. Zij zwijgt, tot ze een vraag krijgt, of tot ze weet wat ze wil vertellen. Want dat is exact wat je krijgt wanneer ze het woord neemt: een vertelling, een geheel eigenste vertelling met eigenste observaties en beelden, en prachtig sprekende details.

“Ik heb last van volledigheidsdrang”, knikt ze.

Ze vertelt alles, en als ze niet alles kan vertellen, dan zwijgt ze liever. Ze is niet het mondjesmaat-type. Uit haar gin-tonic haalt ze meteen ook het rietje – “daar heb ik het geduld niet voor.” 
Ze heft het glas.

“Santé.”
“Zeg wel.”

Ze hebben elkaar nooit eerder ontmoet. Verrassend, dat vinden ze zelf ook, want professioneel lopen ze al jaren in dezelfde coulissen rond.

Mathias Sercu eerst als acteur, hij was nog een prille twintiger toen het grote publiek hem begin de jaren 90 al in de armen sloot in het dolpopulaire Buiten de zone, en gaandeweg ook als scenarist – Chantal, met zo’n anderhalf miljoen kijkers per aflevering, schrijft hij helemaal in zijn eentje, ook dus zijn eigen rol daarin als de behoorlijk beperkte macho Johnny D’Haese.

En er was drie jaar geleden zijn eerste film die hij ook zelf regisseerde, J’aime la vie, over een jonge alleenstaande moeder die een terminale kankerdiagnose krijgt – “een verhaal waarvoor ik voor alle duidelijkheid geïnspireerd was door de kankerdiagnose van mijn broer Sam. Met Tore was, toen ik begon te schrijven, nog helemaal niets aan de hand. Een behoorlijk wrange wending, ja. Het leven haalt je al eens rechts in.”

Kat Steppe ging begin dit jaar nog maar net in première met haar film Zondag de negenste, over twee gebrouilleerde broers, de ene met alzheimer, de andere met geldproblemen, die ondanks alles toch ook samen twee zonen blijven die een onbegrijpelijk verdriet delen.

Het was haar eerste langspeelfilm als regisseur, nadat ze eerder veelgeprezen tv-reeksen en documentaires had geregisseerd, waaronder Taboe, Een kwestie van geluk, Goed volk, Bedankt & merci en niet te vergeten, want waar het zowat mee begon: Dagelijkse kost met Jeroen Meus.

“Hij is het trouwens die mij, als regisseur, nadrukkelijk bij naam heeft genoemd. Doorgaans is tv-regisseur een behoorlijk anonieme job, maar plots, omdat Jeroen mij had benoemd, bestond ik.”

Mathias: “Altijd een bijzonder schone daad van liefde, vind ik, iemand bij naam noemen.”

© Sanne De Wilde

Neusvleugels

Ze hebben elkaar dan wel nooit eerder ontmoet, er is een iets waarin hun verleden naadloos samenkomt, een aloude gedeelde angst: ‘de bende van Menen’. Een gewelddadige bende die in de jaren tachtig en negentig, alleen al met haar reputatie, de streek teisterde.  

Mathias: “Dat was echt niet om te zeveren. Als wij in Ardooie naar een fuif gingen, dan hadden wij altijd de angst dat ofwel de bende van Houthulst zou komen, maar nog veel meer dat de bende van Menen zou opdagen. Iedereen had schrik. Mythische proporties nam dat aan.”

Kat: “In Menen konden we niet anders dan ermee te leren leven. Als wij feesten gaven met de Chiro, dan wisten we altijd dat het van het ene op het andere moment gedaan kon zijn met feesten.

“Menen was ook, los van de bende, zo’n typisch grensstadje waar weleens Franse rabauwen boel kwamen zoeken op café. Dat was iets waar je rekening mee hield.

“Ik herinner me eens een avond, ik was een jaar of 20, dat ik in café Den overkant zat met twee gasten die ik halvelings kende. Tegen één uur ging ik naar huis en een beetje later kwam plots een witte auto op mij afgereden die met gierende remmen net voor mij stopte. Ik stond er volledig verlamd van schrik.

“Twee gasten met een kap over hun hoofd grepen me vast, gooiden me in de koffer en begonnen te rijden. Tot net over de grens in Frankrijk. Daar deden ze de koffer weer open, en dat bleken gewoonweg die twee sjarels uit het café van daarnet.

“‘Haha!’, riepen ze, ‘het was maar om te lachen!’”

Mathias: “Niet te geloven, wat een scène (lacht). Mag ik die gebruiken voor Chantal?” 

En wat ging er door je hoofd toen je daar in die koffer lag?

Kat: “Niets. Heel raar. Het is niet zoals in de films dat je daar allerlei ontsnappingsplannen ligt te bedenken. Ik was er nogal fatalistisch in. Iets als: ‘Ze had dan toch gelijk, mijn moeder (lacht)’.

“Ook achteraf was ik daar niet compleet razend voor, terwijl ik daar het volste recht toe had. Nee, ook daar dacht ik: ‘Ah ja. Kijk. Ze hebben me liggen gehad.’”

In Ardooie ging het er lieflijker aan toe?

Mathias: “Ik kijk in elk geval terug op een paradijselijke kindertijd en jeugd. We waren met zeven thuis. Zes jongens en één meisje. De warmte en de geborgenheid van zo’n groot nest, dat legt een fundament voor de rest van je leven.

“Mijn moeder was de absolute spil. Wat een krachtbron zij was. Ze is net geen 78 geworden toen ze, dertien jaar geleden intussen, omkwam bij een stom fietsongeval.

“We hebben dus geen afscheid kunnen nemen. Maar haar cadeau was dat niemand van ons met het gevoel zat dat we van alles nog hadden moeten zeggen.”

“Mijn moeder was iemand die alles altijd uitsprak en benoemde, en zeker in die tijd, in West-Vlaanderen, was dat bijzonder. Ze wás bijzonder.

“Als twintiger is ze tien jaar non geweest, ze is als missionariszuster nog naar Congo gegaan. En daarna heeft ze haar kap over de haag gegooid, en heeft ze mijn vader leren kennen, die toen een weduwnaar was van 27.

“Over Maya, mijn vaders eerste vrouw, werd amper gesproken – dat was zo in die tijd – en al zeker niet tegen mijn moeder.

“Mijn moeder doorbrak dat. Bij haar eerste bezoek aan Maya’s ouders vroeg ze hen meteen: ‘Vertel me, wie was Maya?’

“In die openheid heeft ze ons alle zeven fundamenteel gevormd. We waren en zijn allemaal ook heel close. En aan het einde van elk telefoontje: ‘En ik zie je geirn hé’.

Met je broers speel je ook nog eens samen in een band.

Mathias: “Dat is iets wat we gewoon al ons hele leven doen, samen muziek maken. Tegenwoordig niet meer zoveel helaas.

“Mijn broer Kobe heeft intussen zijn project, ik heb mijn groepje De Opportuniteiten, met Sam en Rik Tans, maar toen ik indertijd Steracteur / sterartiest gewonnen had en ik hier en daar gevraagd werd om op te treden, voelde het heel logisch om dat met mijn broers te doen.

“Dat we zo makkelijk samen spelen, dat is omdat we één iets delen: we hebben allemaal nul ambitie. Het is dus altijd alleen maar plezant.” 

Jij schildert samen met je vader, Kat.

Kat: “En dat is nu eens niet altijd alleen maar plezant geweest (lacht).

“Ik doe het erg graag, en ik leer veel van hem, hij is een geweldige kunstschilder, maar onze schilderrelatie is door een behoorlijk zware puberteit gegaan. Een hele periode lang zaten we ruzie te maken. Nu zijn we daar gelukkig voorbij.” 

Mathias: “Hoe zijn jullie dat ooit beginnen te doen?”

Kat: “Ik had vroeger altijd geschilderd. Voor ik naar het Ritcs in Brussel ging, heb ik aan het Kask in Gent gestudeerd, maar sinds ik daar weg was, was ik ook met schilderen gestopt en technisch niet meer geëvolueerd.

“Mijn vader is technisch net enorm sterk. Zo sterk dat hij nooit kan stoppen, het altijd nóg beter wil maken, en dus al eens iets ‘dood’ werkt.

“Toen ik enkele jaren geleden weer zin kreeg om te schilderen, zat mijn vader net thematisch vast, en het leek me een goeie deal om samen te werken, zo zouden we elkaars zwaktes misschien kunnen oplossen.

“De afspraak is dat ik meestal mag beslissen wat we gaan schilderen, dat ik de eerste laag leg, dat mijn vader daarna verdergaat en het verbetert, en nét voor hij te ver gaat, mag ik het weer een beetje verprutsen. Zo werkt het wonderwel.”

Wat gebeurt er intussen tussen jullie? Wat zeggen jullie?

Kat: “Mijn vader zegt nooit veel. Hij communiceert met zijn neusvleugels. Aan die neusvleugels zie ik meteen of hij al dan niet content is. Ik kan er alles op aflezen wat ik moet weten (glimlacht).”

Dat je een artistieke richting zou uitgaan, dat hadden je ouders dus wel zien aankomen.

Kat: “Helemaal niet. Ik had dat zelf niet zien aankomen. Ik heb een erg grillig school parcours gelopen. Als tiener heb ik het nogal uitgehangen. De kunstrichting was op den duur de enige plek waar ze nog iets met mij wilden aanvangen.

“Ik weet niet wat het was. Ik ging voortdurend in verzet tegen elke vorm van autoriteit. Iemand die me zomaar zei wat ik moest doen, ik kon daar niet mee om. Mijn ouders werden zot.

“Het was pas toen ik al in Gent zat, dat ik, na een halfjaar hard feesten, plots de knop heb omgedraaid.

“Vast ook omdat ik in geen enkele broek meer paste door die twee bakken bier per week, maar vooral omdat het me plots begon te dagen dat mijn ouders mij graag zagen en voor dit liederlijke leven wel degelijk aan het betalen waren. Toen heb ik definitief de klik gemaakt.”

© Sanne De Wilde

En op dat moment heel bewust voor regie aan het Ritcs gekozen?

Kat: “Regie was eerder een negatieve keuze, vrees ik. Bij het Kask had ik altijd het gevoel dat elk geslaagd schilderij een pure toevalstreffer was.

“Soms kreeg ik goeie commentaar op een werk, en dat gaf me alleen maar ontzettend veel stress, want ik geloofde nooit dat me dat nog eens zou lukken. Ik blokkeerde helemaal.

“Dat ik voor regie koos, dat is omdat ik wist dat je als regisseur nooit alleen werkt. Dat ik er op zijn minst dus niet meer alleen voor zou staan. Gedeelde smart was mijn ambitie (lacht).

“Ik heb echt lang niet geweten wat ik wou doen, ik weet dat, denk ik, nog altijd niet zeker.”

Mathias: “Dat deel ik. Ik ben toneel gaan studeren, enkel en alleen omdat Kurt Defrancq me dat had gesuggereerd toen hij me had bezig gezien in een schoolvoorstelling waar ik, toevallig, aan had meegedaan.

“Hij is toen ook met mijn ouders komen praten. Want theater! Dat stond zo gigantisch ver van ons bed. En toen zat ik daar plots, aan het conservatorium in Brussel, rechtstreeks van Ardooie. Ik wist niet wat ik daar liep te doen. Ik werd verliefd op al wie ik tegenkwam, ik zat op café, en dat was het. Ik deed niets.”

“Ik ben geen rebel geweest zoals jij, Kat, maar ik heb me ook zelden goed gevoeld op school.

“Mijn eerste drie jaar aan het college van Roeselare waren ronduit verschrikkelijk geweest. Ik was een laatbloeier, ik was amper 1,35 meter toen ik daar in het eerste middelbaar aankwam, in die machoschool waar het recht van de sterkste gold.

“Ik heb nooit slaag gekregen, omdat ik verbaal snel was, maar ik heb er al die jaren wel doodsbang rondgelopen, en dat heeft een diepe afkeer geïnstalleerd voor al wat school is.”

“Mijn liefde voor theater en acteren is pas veel later begonnen, nadat ik al afgestudeerd was en al wat geleefd had.

“Ik zeg dat nu vaak aan jonge mensen. Neem je tijd. Denk niet te snel dat je het nu al moet weten.

“Ik vind ouder worden een grote zegen. Zeker in wat wij doen. Ik heb het gevoel dat ik nu pas iets te vertellen heb. Ik word 56 en ik heb nog altijd het gevoel, ondanks alles, dat het nog allemaal moet beginnen. Ik word heel graag ouder.”

Kat (knikt): “Los van het feit dat ik met ouder worden steeds vaker mijn, weliswaar lieve, grootmoeder in de spiegel begin te zien, op katerdagen zelfs onmiskenbaar (glimlacht), realiseer ik me dat ook, het geluk dat ouder worden kan zijn.

“Ik ben in december 51 geworden, en ik besef: dat is beter dan geen 51 te zijn geworden.”

© Sanne De Wilde

Ontstellende veerkracht

Hier wat verderop op de dijk heeft Kat Steppe sinds enkele maanden een ster liggen, van toen haar film Zondag de negenste op het Oostendse Filmfestival in première ging.

Het is een dag waar ze met een snik in de keel aan terugdenkt. Het plan was natuurlijk geweest dat ze daar hand in hand met haar man, Frank Temmerman, over de rode loper had gestapt. 

“Nu stond ik daar zonder hem, wankel op de benen. Iedereen was ontzettend lief, maar wat voelde het bevreemdend allemaal.

“En toch heb ik die avond ook geleerd dat je kunt doodgaan van verdriet en tegelijkertijd tot 5 uur ’s ochtends in je trouwkleed kunt staan dansen in de Lafayette in de Langestraat. Een surreële nacht.”

Mathias: “Je geraakt soms aan jezelf niet uit. Vaak denk je dat je niet meer kunt, en toch ga je door.

“Net voor we vijf jaar geleden het eerste seizoen van Chantal zouden draaien, hadden we de diagnose van Tores terminale kanker gekregen en lag hij op de intensieve afdeling.

“Ik wou meteen alles stopzetten, maar het was uiteindelijk Tore zelf, en ook mijn dochter Jade, die me overgehaald hebben om toch door te doen. En dat is uiteindelijk ook gelukt.

“Ik kwam met Chantal tenslotte in een veilig nest terecht, veel castleden zijn vrienden, en het ging om twintig draaidagen in vier maanden, dat was behapbaar.

“Voor mijn film J’aime la vie, die ik ook zelf wou regisseren, lag dat moeilijker. Een paar weken voor we gingen draaien, bleek dat Tores centraal zenuwstelsel was aangetast en toen dacht ik zéker aan stoppen.

“Ik wou op elk moment snel naar Tore kunnen vertrekken als het nodig was, en als regisseur kun je dat uiteraard niet maken. Maar uiteindelijk heb ik de film toch ook gedraaid, met Christina Vandekerckhove als stand-by regisseur.

“Je vindt altijd wel een manier, of anderen vinden die voor jou, om door te gaan.

“Op de première was Tore erbij, ook al voelde hij zich echt niet goed. Hij zat naast me en het laatste kwartier heeft hij mijn hand vastgehouden. Dat kwartier alleen al heeft de film waard gemaakt.”

De openheid waarmee jullie als gezin het hele proces hebben durven te beleven, is op zijn zachtst gezegd uitzonderlijk te noemen.

Mathias: “Dat is gewoon Tores eigen openheid die steeds verder en breder bleef uitdijen.

“Elke keer dat hij een interview gaf, bleek hij ontzettend veel mensen te raken. Lotgenoten, maar ook niet-lotgenoten.

“Een van de mooiste complimenten die we gekregen hebben over de documentaire over Tore, Leven in verlengingen, kwam van een vrouw die zelf nog nooit met kanker of ziekte te maken had gehad: ze zei dat ze, na Tore en ons gezin bezig te hebben gezien, zichzelf beloofd had om meer met haar kinderen te praten.

“Voor dat soort reacties alleen al ben ik blij dat die documentaire gemaakt is.

“En natuurlijk ook, en vooral, als een uitzonderlijk herinneringsdocument voor ons.

“Veel beelden hadden we zelf als gezin gedraaid, lang voor van de documentaire sprake was.

Ilse, mijn vrouw, was dat meteen na de diagnose beginnen te doen. In een reflex om nog zoveel mogelijk van hem vast te leggen en mee te nemen.” 

Kat: “Frank en ik zijn elke dag een foto van elkaar beginnen te nemen. Voor mij vanuit de idee dat ik hem binnenkort zou verliezen, voor hem dat we dit minstens nog twaalf jaar zouden doen.

“Zijn manier om met zijn ziekte om te gaan was helemaal anders dan die van Tore: hij deed alsof die er gewoon niet was. Hij sprak er nooit over, werkte onverminderd verder. Hij wou zo lang mogelijk níét de patiënt zijn. En voor mij zat er niets anders op dan dat te respecteren.

“Eén enkele keer heeft hij het benoemd, op reis in Portugal. Hij zei: ‘Ik ga dood en jij gaat verder.’

“Daar schrok ik van, want voor mij voelde het helemaal anders. Voor mij was het: ‘Jij gaat dood, en ik blijf achter.’”

“In elk geval hebben we het er nooit nog over gehad. Voor de man die geen patiënt wou zijn, waren de laatste maanden wel erg hard.

“In augustus was hij met leverfalen, wellicht door de medicatie, opgenomen in het ziekenhuis en hij is er niet meer uit gekomen. Op 1 december is hij er gestorven.

“Toen we samen het nieuws kregen dat niets meer gedaan kon worden, zette hij het uur juist op zijn polshorloge – een cadeau waarvoor zijn vrienden en ik het jaar voordien nog hadden samengelegd om zijn verjaardag extra in de verf te zetten –, deed hij dat horloge vervolgens af, en gaf hij het aan mij.

“Dat was het.” 

Mathias: “Iedereen reageert anders op dat einde in zicht. Je kunt het niet voorspellen, niet van jezelf, niet van je naasten.

Ilse en ik hebben zelf vaak met grote ogen gekeken naar de ontstellende veerkracht van Tore, en het gemak waarmee hij alles benoemde.

“Op 9 januari had hij opnieuw een heel slechte scan gekregen en toen hij dat toch weer op zijn eigen rustige wijze verwerkte – ook al besefte hij dat er geen behandeling meer overbleef – vroegen we hem dat eens. ‘Hoe doe jij dat nu toch?’

“Hij zei: ‘Totale acceptatie is het mooiste dat ik mezelf kan geven. Want anders is het enige wat overblijft angst en frustratie. En dan lukt het niet meer om de mooie dingen te zien. Om te genieten van wat ik wel nog kan.’

“Hij wou naar Frauke, zijn lief, kunnen blijven kijken, zei hij, en alleen maar kunnen denken: wat is Frauke mooi.

“Dat soort ongelofelijke dingen zei hij. Hij heeft óns altijd getroost.

“Toen Ilse het hem ooit eens huilend had gezegd dat ze echt niet wist hoe ze verder zou moeten zonder hem, had hij geantwoord, alweer heel rustig: ‘Maar mama, ik bén jullie.’”

Dat is veel inzicht en wijsheid voor een twintiger.

Mathias: “Dat hebben wij dus ook vaak gedacht.

Geert De Backer, een man die in Gent veel thuisbevallingen heeft begeleid en ooit Tore op de wereld heeft helpen zetten, zei me dat eens.

“‘Ik heb veel borelingen in mijn handen gehad, en heel soms kijkt er je een in de ogen en voel je: die weet het al. Tore was zo iemand.’

“Als kind al kon Tore van die grote uitspraken doen: ‘Als ik nu weet dat ik volgende week zou sterven, dan zou dat oké zijn.’

“Ik herinner me zelfs dat hij dat twee weken voor zijn diagnose nog had gezegd. Dat hij er vrede mee zou hebben, omdat hij al zo’n mooi leven had gehad. Alsof hij die vroege dood altijd heeft voelen aankomen. Al zijn dat van die dingen die ik achteraf vast te hard ben gaan interpreteren.”

Kat: “Dat herken ik. Ik heb ook van bij ons begin altijd het vage gevoel gehad dat wij niet genoeg tijd zouden krijgen. En nu zie ik ook overal symboliek.

Frank vergeleek me altijd met een reiger. Zogezegd omdat hij dat een elegant dier vond, maar ik zie ook wel dat dat beest een verdomd lange nek heeft, net als ik.

“Die reiger is altijd een soort van mascotte gebleven, een running joke.

“Een tijdje geleden, op een van de eerste mooie avonden van dit jaar, zat ik in mijn hof, hevig huilend, naar de zonsondergang te kijken, iets waar we samen heel bedreven in waren, en plots vloog een reiger rakelings langs.

“Ik weet ook wel dat dat beest daar allicht ergens een nest heeft. Maar toch. Ik heb zelden zoveel reigers gezien als de laatste maanden.”

Oestermes

Op zijn armen draagt Mathias Sercu zijn hele gezin mee.

Aan de binnenkant van de linkerbovenarm, ter hoogte van het hart, staan de contouren getatoeëerd van een gezinsportret, “genomen op de verjaardag van mijn dochter Jade, niet lang na de risicovolle stamceltransplantatie die Tore had ondergaan met stamcellen van Jade”.

Op zijn onderarm staat, in morsecode, de naam ‘Ilse’, op zijn rechterbovenarm een klein zeldzaam tekeningetje van Tore, en op de onderarm, een citaat van Tore, in het handschrift van zijn broer Sam: ‘Tijd is relatief. Haha’. 

“Ik had vroeger helemaal niets met tatoeages, maar nu ben ik blij dat ik mijn geliefden in mijn huid heb zitten. Ik kan me alleen maar gelukkig prijzen omringd te zijn met zoveel liefde.

Ilse, Jade, haar man Jordy, en Frauke, we blijven een hecht span.

Ilse en ik hebben het elkaar al zo vaak gezegd. ‘Wat hebben wij toch chance.’

“Chance dat we in de verschrikking van dit gemis elkaar hebben. Want de verschrikking wordt voorlopig alleen maar groter.

“Je zou denken dat wij, door dat ziekteproces zo nadrukkelijk te beleven, al een voorschot genomen hadden op de rouw. Maar dat blijkt helemaal niet het geval.

“Je begint van vooraf aan. Je hebt het allemaal opnieuw uit te zoeken. De spelregels van dit leven zijn helemaal veranderd.”

Kat: “Zo voel ik dat ook. Alles is anders, en ja, voorlopig wordt het alleen maar erger.

“Van rouw weet ik nog niet veel, maar alvast wel dit: je kunt hem niet versnellen, maar je kunt hem helaas wel vertragen.

“Ik had net twee weken mijn kinderen bij mij, en ik heb te weinig tijd gehad om te huilen. Niet dat ik het altijd verberg, maar als ik het te vaak doe, panikeren ze. Ik moet doseren.

“Met Frank ben ik mijn beste vriend, mijn grootste steun en troost kwijt.

“Ik ben goed omringd, daar niet van, maar het voelt alsof mijn bescherming helemaal is weggevallen.

Frank was een feministische, maar ook ridderlijke, beschermende man. En dat vond ik heel prettig.

“We hebben samen veel uitgespookt, maar ik was nooit bang omdat hij bij mij was. Nu is dat weg.

“Een tijdje terug ben ik een week alleen naar Portugal gegaan en ik moest er voortdurend vechten tegen een irrationele angst dat er iets ging gebeuren alleen maar omdát hij er niet was. Ik durfde er zelfs niet alleen te gaan lopen. Uiteindelijk heb ik dat toch gedaan, maar met een oestermes mee als wapen (glimlacht).”

Hoe hebben jullie elkaar ooit leren kennen?

Kat: “Ik heb hem ontmoet als grader (iemand die de kleuren van het filmmateriaal bewerkt en optimaliseert) van een van de documentaires die ik regisseerde. Daarvoor had hij vooral als oorlogsfotograaf gewerkt.

“Ik heb me lang verzet tegen de mogelijkheid van ‘ons’ – ik was getrouwd, ik had twee kinderen. Maar uiteindelijk is die mogelijkheid toch een onvermijdelijkheid gebleken.”

Zie je je scheiding als een mislukking?

Kat: “Absoluut. Ik vond het ook vreselijk dat die scheiding zo publiekelijk moest gebeuren, omdat het nu eenmaal om ‘de muzikant Frank Vander linden’ ging.

“Mensen denken altijd dat de persoon die beslist om weg te gaan zelf geen verdriet voelt, maar dat is natuurlijk onzin.

“Je loopt rond met een sombrero van schuldgevoelens, die krijg je nooit nog uit je hoofd. Gelukkig heeft onze band het overleefd. We hebben samen altijd goed kunnen lachen, en dat kunnen we, naast ruziemaken natuurlijk, nog steeds.”

© Sanne De Wilde

Intussen knettert de bliksem de Noordzee in. Het is even prachtig als huiveringwekkend en dat is een combinatie waar ze intussen goed vertrouwd mee zijn.

Daarnet, net op het moment dat ze allebei met dichtgeknepen keel over de laatste maanden van hun geliefden praatten, kwam een accordeonist langs de tafels die met brede glimlach ‘La vie en rose’ speelde.

Ook dat is een dramaturgie waarin ze zich allebei kunnen vinden – de tragikomedie die dit leven is.

“Alles is één grote paradox”, zegt Mathias.

“De voorbij jaren waren de vreselijkste en ook de mooiste die ik heb meegemaakt.

“De intensiteit aan leven die ik heb gevoeld, dat kan ik gewoon zelfs niet beschrijven. Ik zou bijna zeggen dat ik het niet had willen missen. Ik wens het niemand toe, en ik wens het iedereen toe.”

Alle kleuren!

“Vandaag wordt een ambetante dag”, zucht Kat Steppe de volgende ochtend boven een vrolijk bord fruit met daarnaast ook twee worstjes.

“Ik passeerde vanmorgen vroeg langs de fitnesszaal en zag daar een man bezig die me zo hard aan Frank deed denken. Ik zag hem maar een fractie, en dan nog alleen zijn rug en kuiten, maar er was iets adembenemend kenmerkends aan zijn houding. Ik moest naar adem happen.

“Dat soort ongesolliciteerde flashbacks kunnen me weer even helemaal doen instorten. En dat blijft de rest van de dag hangen.

“Gelukkig heb ik deze middag hier in Oostende met vriendinnen afgesproken. Anders zou ik straks gewoon naar huis rijden en op mijn eentje die dag doorploegen.”

Uit jezelf reik je nooit uit?

Kat: “Ik vind het erg moeilijk om hulp te vragen. Al word ik er beter in.”

Mathias: “Dat ís ook moeilijk.

“In het boek De jongen, de mol, de vos en het paard van Charlie Mackesy vraagt de jongen op een gegeven moment aan het paard: ‘Wat is het moedigste dat je ooit hebt gezegd?’ – ‘Help’, antwoordt het paard.

“Dat heb ik altijd zo mooi gevonden.

“Op ambetante momenten ga ik zelf bijna altijd meteen naar Tore zelf. Straks rijd ik meteen ook door naar hem – ik voel wel dat ik moet bekomen na ons lange gesprek van gisteravond.

“Je wil niets liever dan praten over hem, en er is ook niets pijnlijkers dan praten over hem.

Tore heeft een prachtig plekje, onder een magnolia, op Campo Santo in Gent. Ik ben zo blij dat hij daar ligt, en dat Ilse en ik elke dag naar hem toe kunnen gaan.”

“Zoals ik ook heel blij ben dat hij bij de eerste week na zijn dood bij ons thuis, in mijn schrijfkot, opgebaard lag.

“Zeker na de hectiek van het ziekenhuis hadden we er nood aan om in alle rust thuis bij hem te zijn.

“Nachtenlang hebben we daar naast hem gezeten. Met een dikke jas – het was ijskoud – en een cava, en mijn gitaar, we hebben er vaak zitten zingen.

“Op de laatste avond dat hij er lag, besefte Frauke plots dat ze het hemd dat hij aanhad graag wou houden.

“En zo hebben Ilse en ik onze zoon die nacht samen opnieuw aangekleed. En ’s ochtends hebben we hem samen het huis uit gedragen.

“Ik ben zo blij dat we dat zelf hebben kunnen doen.”

Kat: “Dat is iets wat ik Frank nog nadrukkelijk had gevraagd. Of hij een thuisopbaring oké zou vinden. Hij heeft me dat gegund en dat had ik ook echt nodig.

“Ik had ooit gezien hoe mijn grootvader meteen na zijn dood in een plastieken sarcofaag van zijn eigen erf werd gereden om in de frigo van iemand anders te gaan liggen en dat vond ik vreselijk.

“Na die lange ziekenhuisweken was ik zo blij dat Frank en ik nog even samen thuis konden zijn.

“Dan ging ik ’s ochtends met mijn kommetje granola bij hem zitten ontbijten. En wanneer mijn dochter thuiskwam van school, ging ze naar hem, nam ze zijn hand vast, en vertelde ze hem voluit over haar dag. Zij had trouwens ook de bloemen gekozen voor de kamer.

“En omdat Frank haar altijd, toen ze nog klein was, koppig hetzelfde antwoord was blijven geven op haar vraag wat zijn lievelingskleur was – “Alle kleuren!” – had ze ook echt álle kleuren bloemen gekocht die in de winkel aanwezig waren. Het heeft me een fortuin gekost. Maar het was prachtig.”

Net voor we vertrekken, ziet ze nog de twee worstjes in haar bord liggen, en neemt ze snel haar bestek.

“In elk hotel waar Frank en ik verbleven, aten we ’s ochtends worstjes en stelden we elkaar dezelfde vraag: ‘En? Zijn het worstjes waar je blij van wordt (glimlacht)?’

“Als ik op hotel ben, leg ik nog altijd twee worstjes op mijn bord. Ik moet dus nu snel nog even checken.”

Ze neemt een hap en knikt.

“Ik weet wat ik hem straks in de auto moet zeggen.”


Een zomer lang komen twee mensen bij valavond samen aan de branding in Oost­ende.
In het Thermae Palace Hotel wordt van ’s avonds tot ’s ochtends ontmoet en gepraat.
Met de blik op de horizon gaan we van vloed naar eb, en helemaal terug. 


Mathias Sercu en Kat Steppe
© Sanne De Wilde


Lees ook

Lees hier de andere gesprekken.
Of op de webpagina



Bron: De Standaard

Welkom op Facebook

Welkom op Bluesky

Naar de website


Scroll naar boven