Portret – Max Wildiers (1904 – 1996)


Pater Max Wildiers was in 1952 de juiste man op de juiste plaats. Hij was het die iedereen overtuigde van het nieuwe katern De Standaard der Letteren. Het boek De ziel van de wereld portretteert Wildiers als iemand die overal mogelijkheden zag en rusteloosheid een zegen vond.

Sarah Vankersschaever – De Standaard

11 juni 2026

Leestijd: 12 min


“Leven zonder verandering is geen leven meer”

Nieuw boek eert de intellectuele erfenis van Max Wildiers, de bezieler van de Letterenbijlage


Sprak de pater, dan zweeg de rest.

In zowat alle teksten en gesprekken over Max Wildiers keert dat ene, begeesterende beeld terug: dat van een charismatische man, die een enorme theologische, filosofische en wetenschappelijke kennis koppelde aan de gave van het woord.

Vandaag zouden we zeggen: hij was iemand die het goed kon uitleggen. Maar dan zonder een zweem van zwendelarij, pater Wildiers had zijn wortels in deugdelijke grond.

Alleen in zijn ambities liet hij de bescheidenheid varen: hij had het bijvoorbeeld graag over “hogere journalistiek” en daarvoor moesten universitairen zich eindelijk maar eens tot een breder publiek gaan richten, vond hij. Want kennis van de wereld, daar had iedereen recht op.

“Dat was voor hem een sociale imperatief”, schreef Guido Maertens in 1978 in het tijdschrift Ons Erfdeel, nodig voor “een vernieuwd en verdiept Vlaams geestesleven”.

In het kort

Wie was de filosoof, theoloog, journalist en flamingant Max Wildiers (1904-1996)?

De Vlaamse kapucijn Wildiers was niet alleen chroniqueur bij De Standaard en, in 1952, oprichter van De Standaard der Letteren, hij genoot internationaal vooral grote faam als een van de postume bezorgers van het werk van de Franse jezuïet Pierre Teilhard de Chardin.

Tussen 1955 en 1965 groeiden diens boeken, dankzij Wildiers en enkele gelijkgezinden, onder hervormingsgezinde katholieken in en buiten Europa uit tot een regelrechte hype.

Vooral Le phénomène humainHet verschijnsel mens, waarin Teilhard het katholicisme wilde verzoenen met de evolutie theorie, werd een wereldwijde bestseller.

Wildiers doceerde in Leuven, maar ook aan universiteiten in de VS. Tussendoor kwam hij geregeld in botsing met de kerkelijke hiërarchie, vooral door zijn flamingantisme.

Met name zijn inzet voor kinderen en verwanten van veroordeelde collaborateurs na de Tweede Wereldoorlog vertroebelde de relatie.

Na de Tweede Wereldoorlog diende er ook intellectueel puin geruimd te worden. De wederopbouw van het Vlaamse geestesleven werd Wildiers’ levenswerk, zijn persoonlijke Marshallplan.

“Leven zonder verandering is geen leven meer”, was zijn overtuiging, en die verandering hield in dat je als individu en als volk evolueerde dankzij je kennis van de wereld.

Steeds in beweging blijven, steeds blijven groeien, liefst volgens een christelijke levenshouding, want “die is vol vreugde en hoop”.

Ook al bracht Wildiers bij leven uren op de kansel door – hij hield er een krachtige, dragende stem aan over –, zijn stempel drukte hij toch vooral door zijn wereldse werk ernaast.

Als uitgever en promotor van het werk van Teilhard de Chardin, als auteur van tientallen boeken en essays, als commentator in De Standaard onder de nom de plume ‘Scrutator’ en (nu zijn we er) als bezieler van een uitgebreid literatuurkatern.

Verruiming

Dus zo moet het ongeveer gegaan zijn, het ontstaan van De Standaard der Letteren: de pater sprak en de rest zweeg, eerst geboeid en daarna instemmend.

Wildiers was de bezieler van de verruiming, hij had de directie overtuigd”, herinnerde wijlen Gaston Durnez zich in zijn boek over De Standaard.

Die ‘verruiming’ mag je letterlijk nemen: er bestond al zoiets als Geest en cultuur, maar het katern werd op 12 april 1952 omgedoopt tot De Standaard der Letteren en besloeg voortaan twee grote pagina’s.

Dat was veel in een dagblad van acht à tien bladzijden. Bovendien ‘verhuisde’ de Letteren naar zaterdag, want op ‘de dag des Heren’ was de krantenboer minder begeesterd, bleek uit klachten van lezers. Uit elke afweging, kortom, sprak bedachtzame ambitie.

Het was de pater dan ook menens met dat geestesleven: de Letteren vertolkte geletterdheid veeleer dan letterkunde.

De bijlage moest aandacht hebben voor cultuur en wetenschap, en moest de lezer helpen “bij het vormen van een oordeel om het waardevolle van het waardeloze en schadelijke te onderscheiden”.

De geletterde mens was iemand die op de hoogte was van wat Wildiers de “vijf vreugden van de geest” noemde:

  • esthetica
  • filosofie
  • religie
  • geschiedenis
  • (natuur)wetenschappen

“De krant kon en moest ook een eigen vorm van hogeschool zijn”, om het met de woorden van Durnez te zeggen.

Er stond héél veel tekst op zo’n krantenvel.

Het “geestesleven van onze tijd”. Het klonk toen al onverantwoord interessant, en dat was het ook: De Standaard der Letteren zag het licht een kleine zeven jaar na het einde van de Tweede Wereldoorlog.

De ambitie om “het waardevolle van het waardeloze en schadelijke te onderscheiden” was wereldser dan ze christelijk was – een moeilijk te negeren koerswijziging op de lang verzuilde bladzijden van De Standaard.

Onverantwoord, vond collega-journalist Urbain Van de Voorde, die weleens smalend “Paus Urbanus” werd genoemd, omdat hij het voormalige Geest en cultuur nogal, hoe zullen we het zeggen, conservatief-katholiek had ingevuld.

De nieuwe De Standaard der Letteren daarentegen moest voor de onbevreesde Max Wildiers gedurfder zijn, de inzet van een intellectuele ontvoogdingsstrijd, en daarom moest de nadruk voortaan liggen op mensen en hun ideeën.

De eerste DSL.
De eerste DSL. © rr

Drang en talent

Vandaag leest het allemaal logisch, hoogstens een tikkeltje avontuurlijk, maar het vergt durf om te claimen dat je in de kopgroep wilt zitten van een cultuur- en geestesleven dat zichzelf volop aan het herontdekken is.

Je moet mensen rond je weten te verzamelen die je ambitie delen om toonaangevend te zijn, en zelfs maatschappij- en mensvormend.

Die intellectuele power was aanwezig op de redactie van De Standaard, maar er was iemand nodig om in te zien dat zoiets benadrukt mocht worden met een eigen bijlage.

Iemand die vanuit een gezamenlijk project het geestelijke leiderschap durfde op te nemen, en die wist hoe te zeilen met tegenwind.

Die iemand was Max Wildiers.

Hij was “een man van de wetenschap”, schreef Guido Maertens nog in Ons Erfdeel, “met een ongemene belezenheid, maar uiterst beminnelijk en met een soort ingeboren drang en talent om mensen aan te moedigen”.

Toeval, schrijft filosoof Jeroen Hopster in zijn gelijknamige boek, vindt voortdurend plaats.

“Juist wanneer het toeval wordt opgepikt en aangewend door zoekende en strevende wezens, in wisselwerking met bedoelingen en intenties, wordt toeval slim en productief.”

Max Wildiers was in 1952 de juiste man op de juiste plaats. Puur toeval was dat niet.

Nonkel Max, zoals ik hem noemde, was uitzonderlijk positief ingesteld. Hij werd gedreven door vooruitgang en dacht in mogelijkheden.”

Aan het woord is Toon Wildiers en hij herinnert zich zijn grootoom behoorlijk goed. Hij ging in de jaren negentig, als tiener en twintiger, geregeld bij hem studeren.

“Hij kon iets ingewikkelds heel helder voorstellen. Dat vond ik zijn ware sterkte. Een talent dat hij koppelde aan een grote taligheid: als hij speechte, had hij genoeg aan een paar woorden op een briefje, de rest rolde er zo uit.”

Max Wildiers “kon iets ingewikkelds heel helder voorstellen.”
Max Wildiers “kon iets ingewikkelds heel helder voorstellen.” © rr

Dat had de jonge Max ongetwijfeld thuis opgepikt.

“Zijn vader en dus mijn overgrootvader”, vertelt Toon Wildiers, “was advocaat. Hij was overtuigd en overtuigend, en richtte nog voor de Eerste Wereldoorlog een Nederlandstalig schooltje op in Antwerpen.

“Later ijverde hij mee voor de vernederlandsing van de Gentse universiteit – iets wat de Orde hem destijds niet in dank afnam.

Max was toen een tiener en de vurige strijd van zijn vader moet een grote indruk op hem gemaakt hebben. De strijd voor het Nederlands en de Vlaamse zaak, daar is hij al op jonge leeftijd van overtuigd geraakt.”

Dus nee, zegt Toon nog, en hij moet er decennia later nog om grinniken, “toen mijn echtgenote kunstgeschiedenis ging studeren aan de universiteit van Louvain-la-Neuve, ging dat er bij hem niet in”.

Max Wildiers was onderlegd, sociaal geëngageerd, uitgesproken, invloedrijk, en “in wisselwerking met bedoelingen en intenties” werd het toeval slim en productief, en ontstond dus De Standaard der Letteren.

Zijn idealisme en dat van de Letteren-ploeg toonden zich in een grote journalistieke rijkdom.

Op zaterdag 3 januari 1953 publiceerde de redactie trots een overzichtspagina met alles wat er in de eerste jaargang was verschenen aan artikels over boeken, geschiedenis & archeologie, muziek & toneel, wijsbegeerte & theologie & sociologie & recht, plastische kunsten, en literatuur & taalkunde.

Geletterdheid, zo leek de monumentale bladzijde uit te stralen, is groepswerk dat publiek toegankelijk gemaakt moet worden, om “mede te werken aan de geestelijke en culturele verheffing van ons volk”.

Zo stond het letterlijk in de beginselverklaring van de Letteren.

Spiegel

Waaraan spiegelde de krant zich eigenlijk, destijds?

In 1952 waren alle ogen gericht op Le Figaro littéraire: de bijlage van het Parijse dagblad Le Figaro vulde de term ‘littéraire’ breed in.

“De ‘letteren’ als aanleiding om de wereld te verkennen, het was een groot journalistiek ideaal”, schreef Durnez.

Twintig jaar lang had dat ideaal de wind in de zeilen, ook dankzij een groeiende leeshonger: de massale scholing en economische groei na de Tweede Wereldoorlog betekenden voor een grote groep mensen een sprong in sociale mobiliteit. En dus in geletterdheid.

De Standaard surfte mee op die golf.

Maar altijd keert de wind, en dat gebeurde in de jaren zeventig, weet historicus en oud-journalist Marc Reynebeau, die naar aanleiding van het zeventigjarige bestaan van De Standaard der Letteren een portret van de bijlage schetste:

“De klassieke opdeling tussen hoge en lage cultuur kwam, ook literair, ter discussie te staan, de oude culturele hiërarchie en het bijbehorende elitarisme brokkelden af. Met als tegenstrijdig effect dat cultuur aan referentiewaarde verloor. Alles en niets was cultuur.

“De boekenrubrieken verdwenen uit de kranten; alleen De Standaard en, wat wisselvalliger, De Morgen investeren nu nog in boekenbijlagen.

“Tegelijk vervluchtigde de levensbeschouwelijke verzuiling. Sinds een kwarteeuw stut DSL niet langer een Vlaams-katholieke monocultuur.”

Vandaag verschijnt de Letteren (na omzwervingen op donderdag en vrijdag) nog steeds wekelijks op zaterdag, als literair supplement van zestien bladzijden.

De intellectuele ambitie van weleer heeft zich verspreid over meerdere bijlagen, want ondertussen zijn er ook een Weekblad en een Magazine – iets waar ze in 1952 met een paar collega’s luidop van droomden, herinnerde Gaston Durnez zich.

En zo is de Letteren steeds meer, wel, Letteren geworden: een plek om het via boeken en taal te hebben over de verhalen die de wereld voortbrengt, en een plek om de mensen aan het woord te laten die hun stem inzetten om die verhalen te vertellen.

Maar de spiegelvraag van weleer is een pak minder evident. Waaraan spiegelt De Standaard der Letteren zich vandaag?

Auteur en columnist Tom Naegels stelde de onmogelijkheid van die vraag vast in de krant.

“Digitale technologie spreekt ons aan op onze individualiteit: waarom zou je naar een programma kijken, of muziek beluisteren, of een nieuwsbron volgen die niet 100 procent tegemoetkomt aan wie jij bent en wat jij op dit moment wilt?

“Het neveneffect is dat de gedeelde nationale cultuur van vroeger, die een product was van relatieve schaarste, uit elkaar valt in 101 subculturen.”

En dat we die allemaal apart, op ons eigen schermpje in verschillende kamers en zelfs in verschillende realiteiten, beleven.

“Maakt het onderwerp dat ik wil aansnijden nog wel deel uit van de leefwereld van een voldoende grote groep lezers?

“Er is een beperkt aantal verhalen die iedereen passioneren: Trump, Gaza. Maar ga ik ervan weg, dan zie ik vooral verbrokkeling.

“Veel vaker dan vroeger vroeg ik me af of ik met u nog een culturele context deelde.”

De eerste interesse

De vroegere Letteren kon de culturele context nog vatten omdat de levensbeschouwelijke verzuiling en de literaire productie enigszins overzichtelijk bleven, vandaag is dat onmogelijk.

Noem het versplintering of diversiteit, maar in de huidige overvloed is dít de meest geloofwaardige vorm van culturele ambitie: zoeken naar manieren om die veelheid aan bod te laten komen.

Zoeken naar ‘stem’, goed beseffend dat het een veelvoud aan stemmen is. En maar goed ook, want het was lang wachten op Maria Rosseels, als eerste vrouwelijke medewerker, of op iemand van kleur.

Maar dat zowat 75 jaar later het boekenvak, het culturele leven of simpelweg de “vijf vreugden van de geest” de wind niet bepaald in de zeilen hebben, is een understatement.

De geletterdheid daalt bij jonge generaties en is er toch leeshonger, dan zien uitgeverijen en boekhandels dat die grilliger is: trendgevoeliger voor genres als romantasy, healing fiction, cosy crime – telkens uitgesproken Engelstalig.

Een heel andere realiteit dus dan ten tijde van Wildiers, toen “Nederlandse literatuur tot de eerste interesse van de lezers behoorde”.

Toch is de missie van Pater Wildiers nog net zo inspirerend als op 12 april 1952, om de lezer te helpen “bij het vormen van een oordeel om het waardevolle van het waardeloze en schadelijke te onderscheiden”.

Dat geldt ook voor zijn onuitroeibare optimisme, waarmee hij steeds naar nieuwe mogelijkheden zocht, veeleer dan bij de obstakels te blijven hangen.

Op zijn graf staat de Latijnse spreuk gebeiteld: Spiritus quiescit numquam.

“De geest rust nooit.”

Het was zijn motto en levenswerk, De Standaard der Letteren is er het resultaat van.

Een bijlage die heel precies op de tijd wil zitten: verheffend als uit as en puin een nieuw mens- en wereldbeeld gevormd moet worden, verbindend als de culturele context er een is van overvloed en versplintering.

In de geruststellende wetenschap dat er geen grotere zegen is voor de geest dan rusteloosheid.

Deze bijdrage is opgenomen in het boek

De ziel van de wereld:
een portret van Max Wildiers

onder redactie van Toon Horsten.

De ziel van de wereld

Max Wildiers. © Paul Van den Abeele

Lees ook


Lees andere berichten
in deze categorieën

,


Bron: De Standaard

Welkom op Facebook

Welkom op Bluesky

Naar de website


Scroll naar boven