We hebben het voortdurend over de misogynie in de manosfeer, schrijft Tinneke Beeckman. Uit onderzoek blijkt dat jonge vrouwen een grotere hekel hebben aan jonge mannen dan omgekeerd.
Tinneke Beeckman – De Standaard
27 mei 2026
Leestijd: 5 min
In het VRT-onderzoek ‘De Foto van Vlaanderen’ werd ook niet gepeild naar wat jonge vrouwen over (jonge) mannen denken.
Daaraan dacht ik toen ik de waslijst klachten over dat onderzoek zag:
- Onvoldoende representativiteit
- Selectieve vragen
- Onduidelijke methodologie
- Overhaaste conclusies
Daardoor verzandde het debat in een stellingenoorlog, waarin elke deelnemer de eigen opvattingen bevestigd zag.
Nog een suggestie zou dus kunnen zijn om te peilen naar wat jonge vrouwen denken.
Journalisten van het Britse tijdschrift The New Statesman deden dat vorige maand. Ze ontdekten dat jonge vrouwen veel negatiever staan tegenover jonge mannen dan omgekeerd.
Die houding heeft niet alleen met een reactie op de ‘manosfeer’ te maken. Heel wat factoren hebben tot die afkeer bijgedragen, zoals sociale media, uiteenlopende politieke en economische voorkeuren en aparte morele inschattingen.
In een podcast bespreken journaliste Emily Lawford en marktonderzoekster Scarlett Maguire hun bevindingen:
- Bij jonge mannen heeft 72 procent een positieve visie op vrouwen, slechts 7 procent een negatieve.
- Bij vrouwen jonger dan 30 jaar heeft maar 50 procent een positieve kijk op mannen en 21 procent een uitgesproken negatieve.
- Bij vrouwen jonger dan 25 jaar daalt dat cijfer nog: 35 procent heeft een positieve visie op mannen.
Hoe valt dat te begrijpen?
Jonge vrouwen en jonge mannen hebben tegenwoordig sterker uiteenlopende politieke voorkeuren dan oudere (of vorige) generaties, dat werd al in een aantal landen gedocumenteerd.
Dit speelt ook in deze kwestie: jonge vrouwen zijn politiek en economisch veel progressiever dan mannen.
Die politieke voorkeur gaat gepaard met een ongunstig oordeel over mensen die rechtser denken: 60 procent van de jonge vrouwen wil niet op date met een man die een andere mening heeft over Trump, het conflict in Gaza of het klimaat.
Die vrouwen, legt Lawford uit, vinden eensgezindheid over politiek zo belangrijk, omdat ze hun politieke voorkeur met persoonlijke, morele kwaliteiten verbinden.
Ze geloven dat ze als vrouw meer voeling hebben met leed en onrecht dat anderen ondergaan.
Ze verwachten dat mensen in hun sociale kring niet alleen gelijkaardige maatschappelijke analyses maken, maar ook gelijklopende emoties ervaren.
Hoe iemand zich (online) uitlaat over Gaza, bijvoorbeeld, beschouwen ze als een algemene morele graadmeter; iemand moet voldoende empathie, verdriet, woede of verontwaardiging tonen.
Wie dat niet of onvoldoende doet, zien die vrouwen makkelijker als hard, onverschillig, moreel onbetrouwbaar.
Politieke kwesties gaan dus over meer dan alleen het politieke.
Andere factoren die daarmee samenhangen, zijn het toegenomen gebruik van sociale media.
Algoritmen versterken emotioneel geladen boodschappen, waardoor die meer aandacht en gewicht krijgen. Dat vergroot de kloof tussen mensen met verschillende interesses.
En net als bij mannen kunnen algoritmes ertoe bijdragen dat vrouwen in een eigen ‘bubbel’ terechtkomen.
Een andere dynamiek voedt dat nog: in hun besloten omgeving delen sommige vrouwen graag berichten die de sociale cohesie van de groep versterken.
Daartoe horen kritische boodschappen over mannen, zelfs over mannen met wie die vrouwen een relatie hebben. Zo ontstaan zichzelf versterkende, negatieve echokamers.
Marktonderzoekster Maguire wees op nog een belangrijk onderscheid: academisch opgeleide jonge ‘witte’ vrouwen zijn erg kritisch voor de samenleving.
Ze zien hun toekomst somberder in dan lageropgeleide vrouwen, hoewel ze daar minder reden toe hebben en ze zien de samenleving als seksistischer en racistischer.
Dat doen ze zelfs meer dan hun vrouwelijke leeftijdsgenoten uit etnische minderheidsgroepen; die zijn minder geneigd om de samenleving als racistisch te bestempelen. Ze voelen zich door de samenleving meer gewaardeerd en hebben rooskleurigere toekomstverwachtingen.
De journalisten sommen voor de kloof nog andere verklaringsgronden op, zoals de lockdown tijdens de coronapandemie rond 2020 en 2021.
De jongeren die toen thuiszaten, vonden in het internet een uitweg uit hun isolatie. Alleen vernauwde dat internet hun leefwereld op een andere, blijvende manier.
Door het internet raakten veel jongemannen verstrikt in vernederende of gewelddadige pornografie, aldus Pippa Bailey, ook in The New Statesman.
De vertekende verwachtingen, misverstanden en obsessies die daaruit voortkomen, creëren evengoed een afstand tussen mannen en vrouwen.
Die analyses verdienen ongetwijfeld meer onderzoek. Maar de essentie is dat een groep jonge, Britse vrouwen een hekel heeft aan mannen. Die groep vrouwen is groter dan de groep mannen die negatief staat tegenover vrouwen.
Veel maatschappelijke veranderingen die in de Britse onderzoeken opduiken, zijn hier bekend, zoals de toenemende schermtijd, intens gebruik van sociale media, de impact van isolatie tijdens de coronacrisis.
Misschien zijn er ook beduidende verschillen tussen Groot-Brittannië en Vlaanderen, die het beeld hier toch weer anders maken.
Reden te meer om het perspectief van jonge vrouwen in een bevraging op te nemen, en om na te gaan hoe dat én van mannen én van andere vrouwelijke leeftijdsgroepen verschilt.
Wie een goed beeld wil hebben van wat er in de samenleving leeft, kan daar niet aan voorbijgaan.
Tinneke Beeckman is filosofe en schrijfster.
Haar column verschijnt tweewekelijks op donderdag.

Lees ook
Klik hier of op de hyperlink hieronder
en vind andere columns van
Bron: De Standaard