De rand wordt doorgaans geassocieerd met de afgrond, met gevaar of een abrupt einde, terwijl borders ons net broodnodige ondersteuning en bestaansrecht bieden, merkt Katrin Swartenbroux. ‘De openbare ruimte gaat meer als publiek bezit voelen wanneer ze, welja, bezitbaar is.’
Katrin Swartenbroux – De Morgen
22 juli 2026
Leestijd: 4 min
Ode
Journaliste Katrin Swartenbroux schrijft deze zomer elke week een onverwachte Ode aan een fenomeen dat doorgaans geen lofzang krijgt
In de kern zijn we allemaal tuig van de richel. Borderbeminners, randtoeristen, stoepklevers.
Het is niet zozeer een manier van leven als wel een manier van zijn: steunend, leunend, speurend naar de rand van de samenleving – al hoef je in een goed aangelegde stad nooit lang te zoeken.
Stedenbouwkundig onderzoek toonde immers al aan dat de openbare ruimte meer als publiek bezit gaat voelen wanneer ze, welja, bezitbaar is.
Wanneer mensen er vrijblijvend hun plaats kunnen innemen langs gevels en plantsoenen, rond monumenten en fonteinen, op de treden van kerken, stations, musea en appartementsgebouwen.
Een bescheiden vorm van gastvrijheid die niet per se uitnodigend oogt, maar die je evenmin ontmoedigt – simpelweg de stenen suggestie om pas op de plaats te maken of even op je stappen terug te keren.
Een leefbare stad herken je dan ook niet aan het aantal hotspots waar je heen moet gaan, maar aan hoeveel plaats er is om vrijblijvend te mogen zijn.
Ze wordt ontworpen door een deksteen niet af te schuinen, beschutting te bieden en geen metalen pinnen te plaatsen, maar laat de invulling vervolgens over aan haar inwoners.
Borders en borstweringen zijn dan ook zelden een bestemming op zich. Het zijn tussen ruimtes langs het onderweg zijn en aankomen, de marge waarin je gewoon mag bestaan.
De richel vereist immers geen afspraak of consumptie en in tegenstelling tot een bank bepaalt ze je zithouding niet.
Je kunt wijdbeens plaatsnemen om op een lastig bericht te antwoorden, je op één bil met je gezicht naar de zon richten terwijl je batterijen even opladen, of verwachtingsvol in kleermakerszit postvatten met zicht op de schoolpoort, waar je zo meteen de krullen die je die ochtend nog hebt geborsteld uit de massa zult zien opduiken.
Deze grillig geplaatste verhogingen vormen de naden van de stad; ze houden ze bij elkaar – de straten, de pleinen, maar ook haar inwoners.
Het zijn vluchtheuvels voor mensen die moe zijn, die zich geen houding weten te geven of die de volledige inhoud van hun handtas moeten doorploeteren om zich ervan te verzekeren dat ze hun portefeuille niet ergens hebben achtergelaten.
Het zijn monumenten waarop romantici het eerste afspraakje met de liefde van hun leven afwachten, banketten voor smulpapen die net naar de frituur zijn geweest, commodes voor kleuters die even uit hun speeltijd worden getild om hun veters opnieuw te laten strikken, en podia waarop skaters al schrapend hun kunstjes vertonen.
Bomen, sokkels en treden verankeren mensen in het jachtige openbare leven en geven hun bestaansrecht.
Nee, letterlijk. Het zijn de plekken waar je oerbrein je even laat stilstaan.
De prospect-refuge-theorie heet dat in de omgevingspsychologie.
We voelen ons aangetrokken tot plekken die ons tegelijk uitzicht en beschutting verschaffen, en de richel biedt beide.
De muur, fontein of plantenbak dekt onze rug terwijl de straat zich voor ons ontvouwt.
We kunnen ons terugtrekken zonder te verdwijnen, deelnemen zonder iets te moeten bijdragen, mensen bekijken zonder zelf midden in het schouwspel te gaan staan.
En met een kathedraal in je rug ligt de rest van de wereld onvermijdelijk aan je voeten.
De rand is dan ook niet waar het leven ophoudt, maar wat het leefbaar houdt.
Hoewel we haar associëren met de afgrond, met gevaar of met het einde, is de richel vaak net dat wat ons opvangt.
Een begrenzing, een bedding, een begin.

Lees ook
Lees ook
Klik op de hyperlinks hieronder
en vind meer berichten
Bron: De Morgen