Literatuur – Bert Natter, de schrijver op zowat elke short- en longlist, maakt kans op de Libris Literatuurprijs


Bert Natter won zonet de Confituur Boekhandelsprijs en maakt kans op de Libris met zijn meesterwerk Aan het einde van de oorlog. Daarin volgt hij daders en slachtoffers in een concentratiekamp tijdens de nadagen van het nazisme. “Antidemocratische systemen belonen slechtheid, dat zie je in zo’n kamp zeer goed.”

Katrien Steyaert – De Standaard

7 mei 2026

Leestijd: 14 min


“Kwaadaardigheid zie ik als een bijproduct van intelligentie”


In Ik ook van jou, de cultklassieker uit 1992, volgen het alter ego van schrijver Ronald Giphart en zijn beste vriend Fräser hun lust en hang naar avontuur.

De twintigers typeren zichzelf als “jong, knap, bedroefd en totaal verliteratuurd”.

Ruim dertig jaar later ben ik benieuwd hoeveel daarvan nog doorschemert in Bert NatterGipharts beste vriend naar wie het personage Fräser is gemodelleerd.

Zijn typisch Nederlandse doorzonwoning in Baarn verraadt een stabiel gezinsleven, maar zijn oogopslag blijkt nog altijd jongensachtig.

Hij gaat me voor naar de woonkamer, waar een wand volledig uit boeken bestaat, Osca de goedmoedige labrador vlijt zich ervoor neer.

Bezwaard is Natter ook, want de voorbije drie jaar verloor hij behalve Osca’s voorganger Hutsh – voor wie hij de ontroerende elegie Zonderhond (2026) schreef –, ook beide ouders. Zijn recentste roman,

Aan het einde van de oorlog, is opgedragen aan zijn vader.

“Ik mis vooral zijn humor en zijn stem”, vertelt hij aan de tafel in zijn woonkamer.

“Die ging in een hoger register als hij tegen Hutsh of Lidewij (Natters dochter, red.) sprak, waardoor hij een emotionele connectie maakte met het dier of het kind.

Lidewij is nu 22, maar door haar zeldzame genafwijking moet je haar sociaal en emotioneel als een peuter beschouwen; haar fijne motoriek is die van een baby.”

© Desiré van den Berg

Terwijl je om je vader rouwde, zat je tegelijk kniediep in een roman over de nazigruwel. In Aan het einde van de oorlog beschrijf je bijna in realtime het laatste, benauwde etmaal in een kamp in 1945.

“De combinatie was inderdaad zo verschrikkelijk dat ik het werk een maand of drie stilgelegd heb.

“Maar het verlies gaf me ook nieuwe inzichten. Zo besefte ik pas door te waken bij mijn vaders lichaam hoezeer dat respect voor overledenen in de kampen ontbrak.

“Daardoor bedacht ik de scène waarin de verpleegster Johanna een begrafenis improviseert voor een van de ‘proefkonijnen’ op wie vreselijke medische experimenten werden uitgevoerd.”

Omhooggevallen SS’ers

Precies die ontmenselijking verbijstert en verwart Natter al sinds hij op school het verhaal van Anne Frank hoorde, of thuis in de Oosthoek-encyclopedie een foto van een leeftijdgenootje zag, onder schot gehouden in het getto van Warschau.

“Inmiddels weet ik dat zelfs de grote Hitlerkundigen geen sluitende verklaring hebben voor de bijna 6 miljoen Shoah-doden, of beter gezegd: de 6 miljoen moord slachtoffers. Maar als kind wilde ik het nog begrijpen.

“Toen een klasgenootje met wie ik het goed kon vinden de verjaardagstraktaties afsloeg omdat ze Jehova’s getuige was, dacht ik gefascineerd: zou het zoiets geweest zijn?

“Met de jaren raakte ik alleen maar geïnteresseerder in waarom zoveel Duitsers aan Hitlers groteske plan meewerkten.

“Ook verdiepte ik me in de verwerking van de oorlog in de Europese literatuur.”

Daarin is je roman de eerste noch de enige. Het vernieuwende is dat je een stem geeft aan 31 mensen in het kamp, die allemaal ergens op het dader-slachtofferspectrum zitten. Zo geef je inzicht in de collectieve, moedwillige psychose die kon leiden tot de Holocaust.

“Dat was precies mijn wens. In een traditionele roman met alleen het perspectief van een SS-commandant zou ik te weinig recht doen aan de impact van zijn handelen op allerlei mensen in het kamp.

“Ik denk aan het personage Georg van het Sonderkommando (de Joodse gevangenen die gedwongen meewerkte aan de vergassing en opruiming van gevangenen, red.) die in het vorige leven chirurg was, maar net als de andere dwangarbeiders zijn herinneringen verliest.

“Of chauffeur Herbert, die symbool staat voor de wat naïeve Duitsers die nog nooit een Jood in het echt hadden gezien, maar massaal op Hitler stemden.

Herbert wordt gezien als een vaderfiguur, en hij denkt net zo over zijn overste Karl.

“Die gaf ik bloed aan zijn handen, hij mocht geen Eichmann achter een bureau zijn, en tegelijk liet ik hem dwepen met Beethoven.”

Als gefnuikte artiest doet hij aan Hitler denken, die zelf werd afgewezen aan de kunstacademie. Is compensatiedrang een brandversneller voor het kwaad?

“Uit boeken zoals Hermann Langbeins Menschen in Auschwitz weet ik dat SS-kaderleden vaak teleurgestelde of tegengewerkte mensen waren, die binnen hun perverse systeem eindelijk iemand konden worden.

“Maar eerlijk: ik had Karl bedacht als verpersoonlijking van het uiteenvallende Derde Rijk en pas later zag ik de parallellen met Hitler.

“Die was inderdaad het succesvolst als hij vanuit een underdogpositie opereerde.

“Zodra er te veel tegenstand kwam, werd hij besluiteloos – iets waar zijn intimi zich druk over maakten. Ook Karl is een dwaallicht in de nacht.”

© Desiré van den Berg

Zijn vrouw zegt over hem en zijn collega’s: “Trek ze hun uniform uit en ze staan in hun blote kont.”

“In al mijn research kwam ik geen enkele SS’er tegen die niet omhooggevallen, corrupt of opportunistisch was.

“Het verweer was vaak: ‘Als ik het niet had gedaan, dan wel iemand anders.’

“Waarop Claude Lanzmann – maker van de documentaire Shoah – ooit prachtig reageerde: ‘Voor de wereld had het inderdaad niets uitgemaakt, maar voor u toch wel?’

‘Het is niet zo dat een SS’er niets kon weigeren. Hij of zij – want er waren evengoed vrouwelijke daders; dat zit ook in mijn boek – kon om een overplaatsing vragen, bijvoorbeeld naar de Sicherheitsdienst: ook geen lieverdjes, maar geen massamoordenaars.”

Hadden de Nederlanders anders kunnen reageren? Van de bezette landen in West-Europa vielen er in jullie land de meeste slachtoffers van de Jodenvervolging, zowel in relatieve als in absolute cijfers.

“Zeker. Heel veel Nederlanders werkten ijverig mee met de bezetter, met behulp van het goede ambtenarenapparaat en tram- en treinsysteem. Het schuldcomplex is daarom reëel.”

Geloof in aardigheid

Natter hoopt dat SS-Obersturmführer Karl in alles zijn tegenpool is.

“Ik weet niet hoeveel moed ik heb als het er echt op aankomt. Vroeger heb ik me weleens tussen vechtende mensen geworpen, maar sinds ik kinderen heb, denk ik: wat als iemand een mes trekt?

“Toch blijf ik heilig geloven in een soort medemenselijkheid en aardigheid.

“Voor het eerst viel het me dan ook zwaar om bepaalde scènes op papier te zetten.

“Zo laat ik Karl zijn secretaresse verkrachten – afschuwelijk, maar in Nederland is lang gezwegen over seksueel geweld in de kampen, omdat het ook gepleegd werd door soldaten van het Rode Leger, de bevrijders.

“Ik wilde niet meer wegkijken.”

Zijn er uit dat wegkijken lessen te trekken? Haat is de motor van het kwaad, zei de Poolse filosoof Barbara Skarga, maar onverschilligheid is de brandstof.

“Ik ben geen politieke auteur, maar misschien is fictie schrijven wel een bijdrage.

“Als ik mijn naam onder een protestbrief zet, heb ik vaak het gevoel: wat schieten we hiermee op? Terwijl kunst een diepere waarheid kan blootleggen.

“Zo toon ik wat de concrete gevolgen zijn van jonge mensen opvoeden met de nationaal socialistische rassenleer.

“Vandaag is het opnieuw aan de hand: indoctrinatie, propaganda, de geschiedenis herschrijven – kijk naar Poetin of Trump.

“Antidemocratische systemen belonen slechtheid en straffeloosheid, dat zie je in zo’n kamp zeer goed, dus moeten we de rechtsstaat beschermen met alles wat we hebben.”

Was het niet extra wrang om over Holocaust slachtoffers te schrijven terwijl de Israëli’s in Gaza een nieuwe genocidale oorlog voeren?

“Nee, wat daar gebeurt, verandert niets aan mijn afschuw over de Shoah.

“Vandaag tonen journalisten ons, met gevaar voor eigen leven, de feiten in Gaza, maar daaronder bevindt zich nóg een laag waarin een schrijver zich kan begeven, door een verhaal te maken over bijvoorbeeld een cel van Hamas of een Israëlische dienstplichtige.

“Mensen mogen het niet raadzaam vinden dat je daarover schrijft, net zozeer als sommigen het niet vinden kunnen dat je tragikomisch over een nazikamp schrijft.

“Maar ik vind: of alles kan, of niets kan.

“Na enige aarzeling heeft een van mijn Joodse vrienden mijn roman gelezen. Hij gaf toe dat hij zelfs af en toe had moeten lachen.”

Je drijft de spot met de SS’ers die de waarheid in pacht denken te hebben.

Karl is het hele boek bezig om sporen en getuigen van de gaskamers te vernietigen voordat het Rode Leger komt, maar tragisch genoeg wist hij daarmee ook de aanwijzingen over wat er gebeurd is met zijn zoontje, dat vermist raakte.

“Door het groteske van Karls aanpak te tonen, trek ik een lange neus naar het nazisme.”

Niet gehinderd door snobisme

Met momenten van slapstick en absurditeit plaatst Natter zich bewust in de traditie van Jonathan Littells De welwillenden (2006) – “wat een sensatie!” – en Martin AmisThe zone of interest (2014).

“Eigenlijk schreef Amis een Engels standendrama in een concentratiekamp. Waar gevangenen wel degelijk grappen maakten, dat weten we uit getuigenissen zoals die van Abel Herzberg.

“Als schrijver is humor een middel om lezers even te laten ademen, waardoor ze ook minder op hun qui-vive zijn als de volgende dreun wordt uitgedeeld.

“Als mens vind ik galgenhumor even noodzakelijk als diepmenselijk. Na een uitvaart is het toch bevrijdend om leuke anekdotes over de gestorvene te vertellen? Behalve als het over een kind gaat.”

Licht zien in het duister: valt dat te leren?

“Bij mij komt het vanzelf, misschien omdat we vroeger bij ons thuis én hier in ons gezin altijd veel gelachen hebben.

“Ik geloof dat je dat talent om te relativeren, en daardoor ook om te ontroeren, in je omgeving moet zoeken.”

Het lachen had je nochtans kunnen vergaan. Dat blijkt uit Leven met Lidewij, je memoir uit 2022, over je dochter.

“Ze voelt moeilijk aan of ze moe of overprikkeld is – wat door haar autisme snel gebeurt – en wordt dan soms onaardig.

“Toch wilde ik haar vooral de ster van mijn boek maken.

“Gesprekken met ouders van kinderen met een beperking worden gauw een klaagzang, bijvoorbeeld over niet-deugende instanties, terwijl de kinderen zulke leuke mensen zijn.”

Wat vind je het leukst aan je dochter?

“Merken hoe ze niet gehinderd wordt door goede smaak of snobisme; zet twee hele slechte clowns op het podium en ze ligt toch in een deuk.

“De keerzijde is dat ze niet kritisch is, en toch kan ik haar benijden om haar oordeelloosheid. Ze stapt op iedereen af, ongeacht kleur, positie of beperking.

“Dat heeft iets heel ontwapenends.”

© Desiré van den Berg

“Aan haar hand wandel ik door een andere wereld waarin medemensen geen te negeren schimmen zijn”, schrijf je.

“Precies. In deze grimmige tijden is er volgens mij meer nood aan Lidewijs empathie dan aan traditionele intelligentie.

“Het zijn niet alleen de zogenaamd slimsten die ons denken en handelen moeten bepalen.

“Kwaadaardigheid zie ik zelfs als een bijproduct van die intelligentie.

“Er zijn natuurlijk lager begaafde mensen met een slecht karakter, maar Lidewij kan zich oprecht niets voorstellen bij wat ik beschrijf in Aan het einde van de oorlog.

“Anderen moedwillig kwetsen of misleiden komt niet in haar op.”

Marse-pijn

Terwijl Osca hoge geluiden uitstoot – ze ligt blijkbaar te dromen – vertelt haar baasje over zijn geboortedorp, waar hij nog steeds woont.

“Voor Harry Mulisch was het universum nog niet groot genoeg, maar voor mij is Baarn prima”, lacht hij.

Op dezelfde bescheiden wijze aanvaardt hij zijn lot.

“Dat is wat Nietzsche amor fati noemt. Ik snap andermans verzet of verdriet, en ik had het vroeger ook weleens moeilijk als ik twee zusjes samen zag spelen. Dan vond ik het zo erg dat Rozemond, onze oudste dochter, dat moest missen.

“Maar los daarvan vind ik het wonderlijk dat ik mag samenleven met iemand van wie ik er nooit helemaal achter kom hoe haar hoofd werkt.

“Jaren heeft het geduurd vooraleer Hester en ik doorkregen dat Lidewij van slag raakte door de woorden ‘marsepein’ en ‘suikerspin’ omdat ze daarin alleen ‘pijn’ en ‘spin’ hoorde.”

Taal is dus niet zo’n trefzeker instrument.

“Precies, en dat maakt me nederiger in mijn communicatie met anderen.

“Mijn vriend Jean-Marc van Tol (tekenaar van Fokke en Sukke, red.) gelooft dat ik me goed in mijn personages kan verplaatsen omdat ik met Lidewij zo lang voor twee heb gedacht.”

Pas toen ze op haar vijftiende naar een woongroep verhuisde, kreeg je je hoofd terug?

(knikt) “Er waren periodes dat ik dacht: ik stop met schrijven, er is gewoon niet genoeg mentale ruimte. Tegelijk liet ik mijn gezin altijd voorgaan.

“Mannen lijken kinderen soms te zien als iets dat tegen hun leven aanschurkt, maar je moet ze er deel van laten uitmaken.

“Het motto in Leven met Lidewij is niet toevallig dat van Erasmus: ‘Je wilde vader worden? Nu moet je een goede vader zijn.’”

In dat boek zeg je ook dat Pulitzer Prize winnaar Arthur Miller zijn jongste zoon met het syndroom van Down doodzweeg.

“Terwijl het voor mij net goed voelde om Lidewij een papieren monumentje te geven, en om aan de literatuur mensen met een beperking toe te voegen.

“Al te vaak worden ze daarin opgevoerd als personages die automatisch reliëf geven, maar dan zie je ze weer niet als hele mensen.

“De komst van Lidewij was in mijn leven zonder meer een verrijking, door wie ze is en door wat ze me heeft geleerd.

“Ook het verdriet dat je om iemand hebt kan verrijkend zijn, dat merkte ik bij de dood van mijn broer.”

In Zonderhond schrijf je dat vrienden hem ‘de rock-‘n-rollversie’ van jou vonden. Werkten zijn drank- en druggebruik zijn fatale hartaanval in de hand?

“Hij was nog maar 35, ik 32 en tot dan hadden we alles gedeeld. Ik had die rouw dus absoluut willen missen, maar uiteindelijk vergrootte het verlies mijn emotionele pakket. En het gaf mijn schrijven een richting die het tot dan toe miste.”

Zonderhond © Desiré van den Berg

Debuteerde je daarom pas op je 40ste, zelfs al hongerde je als tiener al naar de glans van het schrijverschap à la Jeroen Brouwers?

“Klopt. Ik schreef al lang en op scèneniveau zelfs best goed, maar er ontbrak een persoonlijk fundament.

“Daarom vind ik de romans van Joost Zwagerman een soort maakwerk: ze tappen niet uit een persoonlijke bron.

“Zijn en mijn generatie kregen van oudere collega’s die de oorlog nog hadden mee gemaakt weleens het verwijt dat ons werk nergens over ging. Maar mijn broers dood en Lidewijs beperking gaven het mijne toch een diepere ondertoon.”

Het levert je maandag de Libris op, meent je redacteur Roel van Diepen. Jij gelooft hem niet, maar als je ongelijk krijgt, moet je een tatoeage laten zetten.

“Dat zullen we nog zien. (lacht)

“Als ik win, zal ik vooral denken: gut, als jochie bewonderde ik de grote Nederlandse schrijvers en instituten – Mulisch, Brouwers, De Bezige Bij – en nu sta ik er gewoon tussen.

“Maar goed, het draait voor mij eigenlijk alleen om het schrijven zelf. Daarin zitten de échte triomfen.”

Bert Natter


Leven met Lidewij
Aan het einde van de oorlog
Zonderhond

Bert Natter © Desiré van den Berg

Lees ook


Lees ook

Klik op de hyperlinks en lees veel meer
berichten in deze categorieën

,

Bron: De Standaard

Welkom op Facebook

Welkom op Bluesky

Naar de website


Scroll naar boven