Terwijl iedereen in het kleine Vlaanderen vecht om de laatste morzels grond, bewaakt Toon Denys het grotere plaatje als secretaris-generaal van het departement Omgeving. “Soms moeten we ingrijpen als je ziet welke vergunningen afgeleverd worden.”
Simon Andries – De Standaard
23 augustus 2026
Leestijd: 11 min
“Soms moeten we ingrijpen. Eén slechte beslissing kan decennialang gevolgen hebben”
Toon Denys
De managers van de macht
In de machinekamer van het complexe België houden topambtenaren ons land draaiende. Wie zijn die civil servants, wat zijn hun uitdagingen en drijfveren en hoe gaan ze om met de politieke macht die hen aanstuurt? De Standaard interviewde hen bewust niet in duffe kantoren, maar op plekken die voor hen van bijzondere waarde zijn of waar ze echt zichzelf kunnen zijn.
De ochtendzon gloeit over de velden. Varkens knorren. Een kleine tractor tuft voorbij. Alleen de elektrische bakfietsen, de Leuvense skyline met AB InBev en een gloednieuwe serre verraden dat dit wel degelijk Vlaanderen anno 2026 is.
Het idyllische plekje, vlak naast de stad en de historische Abdij van Park, is het geesteskind van BoerEnCompagnie, een coöperatieve bioboerderij die zich toelegt op heel kleinschalige landbouw en korte keten.
Toon Denys, de secretaris-generaal van het Vlaamse departement Omgeving, is een van de 250 kleine aandeelhouders van het bedrijfje.
Hij woont er in de buurt, in een rijhuis in Leuven, en passeert er tijdens zijn looptoertjes.
“Met een jaarabonnement kun je hier zelf je groenten komen oogsten”, zegt hij.
“Ik heb dat ook ooit gedaan, maar de tijd ontbreekt mij nu om hier geregeld naartoe te komen en om de groenten te kuisen. Maar de boerderij is een heel interessant concept en ik ondersteun het graag.”
Denys noemt het tegelijk een voorbeeld voor de toekomst.
“We zullen steeds meer overgangszones nodig hebben tussen de stadskernen en de grote landbouwbedrijven. Daar leent zo’n vorm van biologische landbouw zich perfect toe. En ook in de nabijheid van natuurgebieden kan biologische landbouw leiden tot minder druk op het milieu.”
Daarnaast, benadrukt Denys, blijft de intensieve landbouw wel nodig voor de voedselvoorziening.
“Al zullen die boerderijen echt wel moeten evolueren naar kmo’s. Om het als eenmansbedrijf nog allemaal te beheersen, dat wordt toch moeilijk.
“Dat is geen verwijt naar die mensen, maar veel landbouwers staan nog voor grote uitdagingen om milieuvriendelijker te produceren. Denk maar aan het gebruik van drones en automatische onkruidverwijderaars om percelen veel gerichter te bewerken.”
De kaart van het kleine Vlaanderen raast voortdurend door het hoofd van Denys.
Als belangrijkste omgevingsambtenaar van het land moet hij erop toezien dat alles en iedereen een plekje krijgen, en dat terwijl de open ruimte steeds schaarser wordt en de regelgeving steeds strenger.
En vooral: hij staat voor een race tegen de tijd.
De Vlaamse regering besliste dat er vanaf 2040 netto geen open ruimte of natuur meer mag worden aangesneden voor bebouwing of verharding.
Die betonstop, intussen door politici omgedoopt tot het subtielere ‘bouwshift’, komt er snel aan.
“Veertien jaar lijkt misschien nog lang, maar 2040 is voor ons zo goed als morgen”, zegt Denys.
“De klimaatverandering duwt ons ook, nog sneller dan verwacht, met de neus op de feiten.”
Maar daarover later meer.
Vakantiejob op de pikdorser
Want eerst: wie is de man die het toekomstige Vlaamse landschap vastlegt en waar staat hij voor?
De vraag is des te relevanter omdat Denys politiek kleurloos is.
“Zo zie je maar dat het toch ook op deze manier kan”, zegt hij met enige trots.


Denys groeide op in Sint-Martens-Latem.
“Maar dan aan de meer democratische kant, richting De Pinte, in een klassieke verkavelingswijk van de jaren 70.”
Zijn liefde en interesse voor het Vlaamse landschap dankt hij aan zijn jeugdvakanties op het West-Vlaamse platteland.
“We gingen altijd op hoevetoerisme in een West-Vlaamse boerderij. Ik hielp de boer graag en op mijn zestiende deed ik al de oogst met zijn pikdorser. Tien jaar lang heb ik daar een vakantiejob gedaan, ook toen ik al studeerde aan de universiteit.”
Niet toevallig koos Denys voor de opleiding bio-ingenieur aan de faculteit Landbouw wetenschappen (UGent), gevolgd door een opleiding milieusanering.
Vanaf de jaren 90 begon het beleid voor natuurbehoud en -bescherming zich in een razend tempo te ontwikkelen.
“Na mijn studies leverde ik aan de universiteit mee pionierswerk door de allereerste milieueffectenrapportages (MER) op te stellen voor landbouwbedrijven.
“Dat focuste zich toen eigenlijk nog vooral op geurhinder. Maar daarna volgden al heel snel nitraatrichtlijnen, waterrichtlijnen, habitatrichtlijnen en ga zo maar door.”
Na zijn universiteitsperiode kon hij aan de slag bij de Vlaamse Landmaatschappij (VLM), een Vlaamse instelling die zich toelegde op de ontwikkeling van het platteland.
“Het was een oubollige boîte die net geregionaliseerd was.
“Paul Demeester, de man van voormalig minister Wivina Demeester (CD&V), wilde de VLM moderniseren door heel veel jonge ingenieurs en andere disciplines van allerlei strekkingen aan te trekken voor de inrichting en het beheer van de open ruimte in Vlaanderen.
“Hij gaf ook mij de kans om te groeien. Al na vijf jaar studeerde ik overheidsmanagement bij, aan de ULB.”
Meer dan 30 jaar bleef Toon Denys trouw aan de VLM, waarvan 15 jaar als topman, en bouwde hij onder meer grote landschapsprojecten uit. Die hadden vaak vijftien tot twintig jaar nodig om helemaal rond te raken.
“Het is werk voor geduldige mensen die goed kunnen onderhandelen”, glimlacht hij.
“Maar het resultaat geeft veel voldoening.”
Twee jaar geleden waagde hij vervolgens de sprong naar de allerhoogste positie: secretaris-generaal van het departement Omgeving. Daar is geduld intussen geen schone deugd meer.
Burning platform
Vanuit zijn functie overziet Denys vandaag het nieuwe Beleidsplan Ruimte Vlaanderen.
Daarin wil de Vlaamse regering afspraken maken over hoe we in de toekomst de ruimte in Vlaanderen het best gebruiken.
- Waar en wat kan er in de toekomst nog gebouwd worden in het kleine Vlaanderen?
- Hoeveel ruimte moet er voorzien worden voor natuur, voor landbouw, voor industrie, voor wonen en voor duurzame energie-infrastructuur zoals windmolens?
Veelzeggend: het vorige beleidsplan dateert al van 1997.
“Dat zegt alles over hoe moeilijk het in Vlaanderen is om een duidelijke visie vast te leggen”, zegt Denys.
Het werkstuk van zijn overheidsdienst, goed voor zo’n 300 pagina’s, is klaar en ligt nu al een tijdje bij het kabinet van de bevoegde minister Jo Brouns (CD&V).
Daar bleef het voor de zomer hangen in een politieke discussie tussen de Vlaamse coalitiepartners N-VA, Vooruit en CD&V.
“Het gaat allemaal te traag”, zegt Denys zonder omwegen.
“Dat document is bepalend voor de toekomst van Vlaanderen, voor onze bevolking, onze economie, onze natuur, voor de energie- en klimaattransitie.
“Want we zitten nu echt wel op een burning platform.” In mensentaal: de situatie is zo urgent dat er geen ruimte meer is voor getreuzel.

“We zien nu klimaatfenomenen veel sneller dan we hadden gedacht”, zegt Denys.
“Kijk vandaag al naar de gevolgen van de hittegolven in ons land en in heel Europa.
“Niet alleen de branden, maar ook de kerncentrales in Frankrijk, Roemenië of Hongarije die niet meer kunnen afkoelen omdat het waterpeil te laag staat of omdat het koelwater te warm is.
“Als we straks noodgedwongen weer moeten overschakelen op fossiele energie, dan is dat ontwrichtend en verontrustend.”
“Sommige politici vinden een Spanje aan onze kust misschien wel leuk, maar vinden ze dat nog als onze economie er heel zwaar onder begint te lijden?
“Door hittegolven gaat de arbeidsproductiviteit naar beneden.
“Door de aanhoudende droogte daalde het waterpeil van het Kanaal Gent–Terneuzen al tot een niveau dat het problematisch is voor de scheepvaart. Dat zijn grote gevaren voor onze economie.”
Het betekent dat de regering nu dringend knopen moet doorhakken.
“We moeten nu echt wel versnellen in ons beleid, en dat vraagt niet alleen sensibiliserend, maar ook sturend optreden”, benadrukt Denys.
“Ik begrijp dat dat lastig is voor politici. Zij staan dicht bij de bevolking en de boodschap zal niet altijd makkelijk zijn. Maar het is ook hun taak om die communicatie te durven aangaan. Laat ons nu, over partijgrenzen heen, denken aan onze kinderen en kleinkinderen.”
Verpaarding
Veel lokale burgemeesters beseffen het probleem wel en gaan al heel bewust om met hun omgeving, zegt Denys. Maar dat geldt niet voor iedereen.
Het departement Omgeving gaat de laatste jaren noodgedwongen vaker in beroep tegen vergunningen die de lokale overheden toekenden.
“Dat is heel onpopulair en we doen het ook niet graag”, zegt Denys.
“Het vraagt van ons ook extra werk. Maar we kunnen niet wegkijken als je ziet welke vergunningen soms afgeleverd worden. Dan kunnen we niet anders dan ingrijpen.
“Eén slechte beslissing kan decennialang gevolgen hebben voor de omgeving en het landschap.”
Denys benadrukt dat ze niet lichtzinnig in beroep gaan.
“We zijn vooral streng voor het bouwen in mogelijk overstromingsgevoelig gebied. Ja, bij kleinere buien is er misschien geen probleem. Maar wij houden ook rekening met zwaardere onweersbuien in de toekomst.
“Ook de vergunningsaanvrager heeft er belang bij dat we dat doen, want die kan op termijn geconfronteerd worden met ernstige overstromingsschade.”
De tweede grote uitdaging, waar zijn departement al te vaak moet ingrijpen, is de ‘fermettisering’. Lees: het omzetten van oude boerderijen naar villa’s op het platteland.
“Die zonevreemde functiewijzigingen in landbouwgebied zijn de meest gevoelige dossiers”, zegt Denys.
“Zeker in West-Vlaanderen en Oost-Vlaanderen, waar veel boerderijen vrijkomen door stoppende landbouwbedrijven, zien we veel omzettingen.
“We grijpen vooral in opdat er voldoende wordt onthard, denk aan de oude stallen en loodsen, en opdat de omliggende percelen voor de landbouw blijven en niet dienen voor verpaarding of vertuining.”
In het algemeen noemt Denys de fermettisering “geen goede evolutie” voor de Vlaamse open ruimte.
“Zeker niet omdat volgens de regelgeving de woning mag herbouwd worden tot een volume van 1.000 kubieke meter.
“Zo’n volledig nieuwe villa, midden in de open ruimte, kan misschien aangenaam zijn voor de bewoners. Maar vanuit ruimtelijke ordening is die verdere versnippering in het landschap geen goed idee.
“Omzettingen van boerderijen naar residentiële woningen worden best beperkt tot zones dicht bij woonkernen. Dat mag de regering nu in het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen weleens helder uitspreken en consolideren, zodat de gemeenten en de provincies duidelijk de visie van Vlaanderen kennen en ook kunnen toepassen.”
Durft zijn voogdijminister Jo Brouns (CD&V) dan wel voldoende door te duwen?
“Hij staat 100 procent achter de bouwshift”, benadrukt Denys.
“En het positieve is dat hij permanent de dialoog aangaat met alle spelers en steevast het Beleidsplan Ruimte Vlaanderen wil laten landen.”
De Vlaamse mentaliteit
Denys brengt zijn moeilijke boodschap niet alleen aan de politici, maar ook aan de gewone Vlaming. Tegen 2040 mag er geen nieuwe open ruimte meer aangesneden worden om te bouwen.
“Vlamingen zijn geboren met een baksteen in de maag, maar die baksteen zullen ze alleen nog maar kunnen leggen in de al bebouwde ruimte. Denk aan het afbreken en omvormen van bestaande gebouwen”, zegt Denys.
Tegelijk streeft de Vlaamse regering er zelf naar om nog eens 450.000 extra woningen te realiseren tegen 2050.
Die gigantische uitdaging betekent onvermijdelijk dat de nieuwe generaties afscheid zullen moeten nemen van het vroegere ideaalbeeld.
Lees: een nieuwe bouwgrond voor een huisje, tuintje, met eigen auto met oprit en liefst nog in het groen.
”Als dat de overheersende mentaliteit blijft, dan gaan we er niet komen”, zegt Denys.
“Dan lopen we straks helemaal vast op het vlak van mobiliteit en verliezen we tegelijk plaats voor natuurherstel en waterberging, voor onze eigen voedselproductie op het platteland en voor onze industrie.
“Gelukkig zie ik bij de jeugd dat die mentaliteit al aan het keren is”, zegt Denys.
Omgekeerd moet Vlaanderen dan wel maken dat de woonkernen en steden leefbaar zijn.
“Want de hittegolf toonde aan hoe de steden echte bakovens zijn als alles er bebouwd en versteend is. De verhardingsgraad moet naar beneden. Het belang van water en groen in de steden en de dorpen is niet te onderschatten.”
Veel meer in de hoogte bouwen lijkt dan de enige oplossing. Maar Denys ziet nog andere opties.
“De Vlaming heeft altijd heel ruim gewoond, terwijl de behoeften intussen veranderd zijn.
“Een derde van onze volwassen bevolking bestaat uit alleenwonenden, en er zijn ook vaak twee personen per huishouden.
“Daarom bekijken we nu hoe we het makkelijker kunnen maken om oude huizen op te splitsen in meerdere woningen. Daar zit nog een enorm potentieel. Zo kunnen we óók verdichten.”

© Kristof Vadino
Lees ook
Lees ook
Klik op de hyperlinks hieronder
en vind meer berichten van
Bron: De Standaard