Met intimiderende vanzelfsprekendheid blijft Réginald Moreels nadenken over wat de wereld nodig heeft. De oorlogschirurg schreef zijn memoires, maar zet er daarmee lang nog geen punt achter. “Er is nog zoveel dat moet gebeuren.”
Guinevere Claeys – De Standaard
15 mei 2026
Leestijd: 17 min
“Menselijke warmte blijft het meest kalmerende middel dat je kunt innemen”
Zijn koffie krijgt Réginald Moreels geserveerd met een krul slagroom op een afzonderlijk schoteltje. Dat hoefde hij zelfs niet te vragen, de serveerster hier in de Oostendse Grote Post kent zijn routine en dus ook wat hij zijn “enige verslaving” noemt – elke dag wat roomzachte zoetigheid die hij tussendoor subtiel oplepelt.
Zijn jas zal hij het hele gesprek aanhouden. De oorlogschirurg verkiest efficiëntie – hij wil op elk moment snel weer weg kunnen.
Zijn licht voorovergebogen schouders lijken zich na vijftig jaar al vanzelf klaar te houden voor de operatietafel.
Vriendelijk maar nadrukkelijk geeft hij me meteen ook het uur mee waarop hij straks weer moet vertrekken. Er is met andere woorden geen tijd te verliezen, en hij weet intussen als geen ander hoe dat moet.
Met een indrukwekkende concentratie vanonder zijn omhoog geschoven brilglazen gaat hij dit gesprek aan, en houdt hij dat onverminderd anderhalf uur vol.
Efficiëntie hoeft generositeit niet in de weg te staan.
Dat is ook zowat de toonaard van Het was mijn verdomde plicht, zijn memoires die na amper twee maanden al aan hun vierde druk zitten.
Dat er geen tijd te verliezen is, dat had hij al vroeg begrepen. Zoveel te doen en maar één mensenleven de tijd.
En dus is de jonge Moreels er ooit zonder aarzelen aan begonnen om nu, op zijn 76ste, nog altijd zonder verpinken door te gaan.
Niet langer als chirurg – “ik word door mijn leeftijd niet meer geselecteerd voor Artsen Zonder Grenzen missies, al zouden mijn handen en ik niets liever willen als ik die beelden in Gaza zie” – maar wel als de vredesactivist die hij met de dag met nog meer overtuiging aan het worden is.
“Dat is ook de belangrijkste reden waarom ik deze memoires heb geschreven”, zegt hij.
“Mijn leven is dan misschien wel atypisch geweest, maar iederéén heeft een leven waarover die zijn memoires kan schrijven.
“Ik wilde vooral de waarden en inzichten formuleren die ik me onderweg gevormd heb. Daarmee kun je al dan niet akkoord gaan, maar op zijn minst hoop ik zo het gesprek mee op gang te blijven trekken.
“Ik maak me zorgen. De mensenrechten eroderen in een razend tempo. Ik denk dat we vergeten zijn wat een magnifieke zaak het nochtans ooit was dat die Universele Verklaring van de Rechten van de Mens in 1948 door zoveel landen officieel is aangenomen.
“Nu is het respect voor internationale verdragen plots zomaar aan het verdampen.
“Ik heb de gevolgen van de genocides in Cambodja en Rwanda van nabij gezien, ik had nooit gedacht dat we in de 21ste eeuw opnieuw een genocide live zouden meemaken zonder enige interventie.
“Daar mogen we niet over zwijgen. Daar moeten we het over blijven hebben.”
U draagt ook de Palestijnse sjaal.
“Ik draag die uit respect voor de Palestijnen en als iemand dat wil verwarren met antisemitisme, dan vind ik dat heel jammer, maar dan is dat geheel zijn eigen fout.
“Als vredesactivist wil ik me blijven uitspreken. Zo ben ik ook radicaal tegen de wapenwedloop die ons nu wordt opgelegd.
“‘Si vis pacem, para bellum’, geldt zogezegd – ‘Als je vrede wilt, bereid dan de oorlog voor’. Maar daar ben ik het hartgrondig mee oneens.
“Als je vrede wilt, dan moet je exact ook die vrede voorbereiden.
“Ik wist niet wat ik hoorde toen bleek dat jongeren onder de vijftien korting kregen om naar die internationale wapen- en defensiebeurs in Brussel te gaan onlangs.
“Waanzinnig vind ik dat. Die beurs alleen al. Maar goed, daar zou ik nog uren over kunnen doorgaan. U wilt het misschien nog over iets anders hebben.”
U noemde uw leven daarnet, en ook in uw boek, “atypisch”. Een behoorlijk bescheiden woord voor een leven dat zovele andere zo fundamenteel geraakt, beïnvloed, zelfs gered heeft, en dat dus misschien ook wel als uitzonderlijk omschreven mag worden?
“Wel kijk, iedereen heeft ambitie. Ik heb die ook gehad. En ik ben onderweg op mijn manier niet ontsnapt aan een zekere mediageilheid en zelfgenoegzaamheid.
“Maar ik ben later door een zware crisis gegaan en daar heb ik de echte nederigheid leren kennen. Sindsdien gebruik ik bewust dat woord.
“Het gaat me er echt niet om vals bescheiden te zijn en ik aanvaard wat u zegt, ik heb relatief bekeken wellicht wel een uitzonderlijk leven geleid. Mais je suis pas le seul. Er zijn zoveel uitzonderlijke levens.
“Bij mij is het vooral atypisch geweest in de grilligheid van zijn parcours, als arts, als politicus, als linkse christen.
“De rode draad is altijd het engagement geweest, mijn toewijding aan de filosofie van het effectief altruïsme: zo veel als mogelijk proberen te helpen met de middelen die je voorhanden zijn.
“Dat vat het simpel en toch ook allesomvattend samen.”
En dat engagement is u aangeboren?
“Ik heb het in elk geval van thuis ook meegekregen. Ook al was het gezin waarin ik opgroeide verre van ideaal.
“Mijn ouders pasten helemaal niet samen, ik heb als enig kind best wel geleden onder de constante, heftige ruzies.
“Daar is pas een eind aan gekomen toen mijn vader vroegtijdig overleed, hij was nog geen vijftig, ik was zeventien.
“Pas achteraf heb ik hem goed leren kennen door zijn notitieboekjes te lezen. Hij was politiek actief als christendemocraat, heel geëngageerd, sociaal, links – zo’n partij bestaat helaas niet meer.
“Zijn engagement en sociale betrokkenheid heb ik ingeademd en overgenomen.”
“En zijn vader, mijn grootvader, was een neus-, keel- en oorspecialist die op zijn tachtigste bleef doorgaan met consultaties.
“In de namiddag, tussen twee en vier, liet hij de voordeur van zijn Gentse huis gewoon openstaan en wachtte hij boven op de patiënten die zich nog kwamen aanbieden.
“De hele benedenverdieping had zomaar leeggehaald kunnen worden zonder dat hij het doorhad. Maar net omdat hij zijn vertrouwen zo nadrukkelijk liet blijken, denk ik dat het ook nooit geschonden is.
“Die levenslange zorgverlening met vastberaden open deur heeft mij ongetwijfeld ook heel erg beïnvloed. Dat engagement zit dus wel degelijk diepgeworteld. Het is van niet anders kunnen.
“Maar die hardnekkigheid had ook haar schaduwkanten.”
Die schaduwkanten laat u in uw boek niet onbenoemd. Zeker tegenover uw gezin trekt u nadrukkelijk het boetekleed aan – “Ik leefde als een getrouwde vrijgezel.”
“Je memoires kun je niet schrijven met de handrem op. Over eerlijkheid valt niet te onderhandelen, vind ik.
“Ik heb veel fouten gemaakt en ik vond het belangrijk die ook te benoemen.
“Ik ben als vader en als echtgenoot vaak afwezig geweest. Ze moesten me altijd weer laten vertrekken. Soms heel plots. En naar moeilijke bestemmingen.
“Mijn vrouw, zelf thuisverpleegster, deelt gelukkig dat engagement, en dat is de reden dat wij na vijftig jaar nog altijd samen zijn. Om het zo lang vol te houden moet je wel eenzelfde levensvisie delen.
“Je hebt natuurlijk de ‘eros’, de wederzijdse aantrekkingskracht, maar daarmee alleen trek je het niet.
“Passie duurt fysiologisch gezien ongeveer achttien maanden. Daarna ga je in het beste geval over naar een vorm van ‘agape’, een onvoorwaardelijke, onbaatzuchtige liefde. En die kun je alleen beleven met iemand met wie je een levensvisie en overgave deelt. En dan nog is het natuurlijk niet altijd gemakkelijk.
“Mijn vrouw en ik hebben ook ooit, na een groot probleem, een rustpauze ingebouwd. Een paar maanden hebben we apart gewoond. Daarna zijn we opnieuw het gesprek aangegaan en merkten we, voelden we, dat ons fundament onaangetast was. Zo zijn we opnieuw samen vertrokken.
“Ik weet dat het voor haar echt niet evident is geweest, al die risicovolle missies met Artsen Zonder Grenzen. Ik voelde altijd de diepe opluchting bij mijn thuiskomst. Ook al werd die zelden of nooit benoemd.”
Hoe bewust ging u zelf met die risico’s om? Angst is een woord dat vrijwel afwezig is in uw boek.
“Ik ben altijd aangetrokken geweest tot risico’s. Ik weet niet waarom. Of misschien beter: ik ben altijd aangetrokken geweest tot grenzen verleggen.
“Ik wil uitzoeken wat mogelijk is, om daar dan koste wat het kost voorbij te raken. En ja, sommige missies waren achteraf bekeken wellicht onverantwoord.
“In het Iraakse Mosoel, bijvoorbeeld, in 2017, ik was toen 68.
“Ook in een zwaar belegerde Sarajevo, begin jaren 90, waar ik als toenmalige voorzitter van Artsen Zonder Grenzen de lokale equipes wilde bezoeken en een hart onder de riem steken, ook daar zijn we ooit door het oog van de naald gekropen.
“En dan kun je je achteraf afvragen of dat risico wel aanvaardbaar was. Maar op het moment zelf voel ik nooit of amper angst. Misschien door de extreme focus?
“Als oorlogschirurg concentreer je je op dat leven dat voor je op de operatietafel ligt. Wat rondom aan het gebeuren is, dat ontsnapt je.”
Niet te geloven dat uw scoutstotem ooit Voorzichtige Hermelijn was.
“(glimlacht) Ik heb dat ook nooit goed begrepen. Maar ik was als tiener wel een heel verlegen jongen en ik vermoed dat ‘voorzichtig’ vooral daarop sloeg.
“Wie weet was mijn latere hang naar risico wel mijn antwoord, of zelfs wraak, op die ongelukkig gekozen totem. (lacht)
“Maar nog eens, het is niet omdat ik zelden angst heb gevoeld, dat die missies mij nooit achtervolgd hebben. Sommige beelden blijven plakken.
“Aan Halabja, in Iraaks-Koerdistan, denk ik, bijna veertig jaar later, nog elke week.
“We kwamen er aan nadat het gebied vijf uur lang intensief gebombardeerd was geweest met mosterdgas, tabun en sarin. Een spookstad. Pompeï.
“Er was dan wel geen angst, er was totale ontzetting. Bevreemding.
“Als je van zo’n horrordecor terugkeert, moet je onvermijdelijk door een periode van zelfverlies. Je neemt je rol als vader weer op, je herneemt je consultaties en operaties in het ziekenhuis, je gaat een pint drinken hier op het Wapenplein, je doet wat je doet om de draad weer op te pikken, maar alles voelt onwerkelijk.
“Je moet weer op zoek naar wie je bent. Gaandeweg lukt dat, maar de beelden verlaten je nooit.
“Dat gruwelijk ontmenselijkte Halabja, dat is een aanblik die zich, plots en ongevraagd, aan me blijft opdringen.”

Tocht door de woestijn
Wanneer dit interview verschijnt, bevindt Réginald Moreels zich opnieuw in Unichir, het gloednieuwe centrum voor chirurgie en verloskunde dat hij in 2023 opende in het Oost-Congolese Beni.
De reis duurt elke keer zo’n 25 uur, met net voor de aankomst, “als beloning zeg maar”, een rit door het adembenemende Virungapark.
Dat Unichir er is, en dat hij zo heeft kunnen bewijzen dat het mogelijk is om in chronisch conflictgebied een duurzaam project op te zetten, dat helpt hem, eindelijk, of toch een beetje, rust te vinden.
“Ik ga er nu trouwens heen om af te sluiten. Toch officieel. Ik stap uit het bestuur.
“Op zeker moment moet je kunnen zeggen: het is gedaan. Ik wil absoluut niet die stichter zijn die niet kan loslaten en daardoor de groei van zijn eigen project belemmert. Het is tijd. Ook al zal ik er tot mijn dood mee verbonden blijven, ik moet het aan anderen overlaten.
“Zelf wil ik nu uitzoeken in hoeverre het concept ook in andere Afrikaanse landen te introduceren is.
“Oncologie krijgt in Congo en de omliggende landen nog veel te weinig aandacht.
“Het breekt mijn hart om tijdens consultaties mensen te moeten onderzoeken van wie de tumor intussen te ver gevorderd blijkt.
“Die machteloosheid over de gigantische kloof tussen arm en rijk, daar blijf ik van wakker liggen. Ik wil dus blijven onderzoeken wat mogelijk is.
“Dat hoeft geen exacte kopieën van Unichir op te leveren. Misschien volstaat het al de chirurgie en verloskunde op te schalen in een bestaand publiek ziekenhuis. Dat is allemaal nog uit te zoeken.”
En zo blijft u toch doorgaan. U lijkt finaal onvermoeibaar.
“Ik heb nog altijd het gevoel dat er zoveel moet gebeuren en dat er geen tijd te verliezen is. Maar ik moet die zogeheten onvermoeibaarheid wel in het oog houden.
“Ik ben als veertiger door een diepe crisis gegaan toen ik aan anorexia leed. Mijn tocht door de woestijn, noem ik dat.
“Het was plots, schijnbaar uit het niets, begonnen, tijdens een reis naar Cambodja als minister van Ontwikkelingssamenwerking. Ik at steeds minder van mijn rijst. Ik begon obsessief calorieën te tellen. Nu zouden we dat een burn-out noemen.
“Bij de meesten vertaalt zich dat in prikkelbaarheid en vermoeidheid. Bij mij, net omgekeerd, in hyperactiviteit en dwang.
“In de professionele hulpverlening vond ik weinig heil. Het heeft veel tijd en bovenal liefde van mijn nabijen gevergd om daar voorgoed van te herstellen.
“Menselijke warmte is het meest kalmerende middel dat je kunt innemen, dat vergeten we te vaak. Dat heb ik toen aan den lijve ondervonden.
“Helaas ben ik nog lang gebrandmerkt gebleven als ‘anorectisch patiënt’ en zijn mij kansen en vacatures geweigerd uit schrik dat ik labiel was.
“De samenleving is, of was zeker toen nog, behoorlijk meedogenloos als het over mentaal welzijn gaat.”
In uw boek staan ook enkele harde cartoons die verschenen zijn over uw eetprobleem.
“Ik vind die zelf wel formidabel, moet ik bekennen, ik kan daar goed mee lachen. Zelfspot is uitermate heilzaam.
“Maar het klopt, ze zijn genadeloos, nu zouden die niet meer kunnen verschijnen.
“Ik vind het niet verwonderlijk dat die burn-out mij overkomen is op het moment dat ik net actief was als politicus.
“Als chirurg heb ik driekwart van mijn leven een masker gedragen. Als politicus deed ik dat nadrukkelijk niet, en dat heeft mij veel te kwetsbaar gemaakt. Al heb ik van mijn politieke engagement nooit spijt gehad.
“Ik was er ook met een heldere missie aan begonnen. Ik wilde mezelf als oorlogschirurg overbodig maken. Daar komt het tenslotte op aan.
“En ik wilde de politiek eraan herinneren dat het haar taak blijft om dat te doen. Hoezeer humanitaire hulp ook onmisbaar is om mensen in acute nood te helpen, die hulp is géén structurele oplossing. Ik heb op dat vlak wel een en ander kunnen verwezenlijken en dat alleen al maakt het de moeite waard.“
“Maar politiek blijft een spel en ik was er slecht in.
“Ik lag uiteindelijk niet goed meer in de partij, ik was voor een christendemocraat te links, volgens sommigen te populair ook.
“Op een bepaald moment is de top je beu. And then you have to go. Om daarna, als ex-politicus, een paar jaar als een pelgrim in de maatschappij te leven.
“Want ga je in de politiek, dan maak je vijanden. Dat heb ik mogen ondervinden.
“Ik mocht mijn oude positie als chirurg hier in Oostende niet weer opnemen. Dus ben ik urgentiegeneeskunde beginnen te studeren. Op mijn 53ste, tussen allemaal twintigers.
“Een paar jaar heb ik zo als dolende arts op verschillende spoedafdelingen in Vlaanderen gewerkt. Allemaal niet evident. Maar ook weer veel uit geleerd.”
U bent dan wel uit de actieve politiek gestapt, u blijft ervan doordrongen.
“Ten volle. Politiek blijft een van mijn grootste interesses. Omdat ik niet onverschillig wil zijn.
“Opstandigheid is mijn enige uitweg. Ik kan niet anders dan me als vredesactivist blijven inzetten als ik zie wat er allemaal aan het gebeuren is. Ik vind dat mijn plicht.
“Een lastig woord tegenwoordig, ik weet dat. En hoe jammer.
“Zou het geen idee zijn om naast de Universele Verklaring van de Rechten van de Mens ook een Universele Verklaring van de Plichten van de Mens op te stellen?
“Onze wereld is niet leefbaar met rechten alleen. Elk recht van een mens is de plicht van een andere mens tegenover dat recht.
“Ik vind vrijheid een hoog goed, maar die komt pas op de tweede plaats, na de verantwoordelijkheid. Vrij zijn op je eentje, dat gaat niet. Of je dat nu wilt of niet, je bent áltijd verbonden met anderen.”
Bij die ‘áltijd’ slaat hij zo hard op tafel dat het schoteltje met slagroom opveert en de tafels rondom even verschrikt onze richting uit kijken.
Hij glimlacht ter geruststelling, excuseert zich, en neemt nog een lepeltje slagroom.
“Ja kijk, de wereld blijft me na aan het hart liggen. Dat zit diep. In mijn engagement blijf ik ook voortdurend aangespoord en geïnspireerd door de prachtige evangelische waarden.
“Ooit heb ik wel een agnostische periode doorgemaakt, om nadien alleen maar nog gegronder in mijn geloof te staan. ”
“Je kunt tegelijk wetenschapper en gelovige zijn,” schrijft u, “maar je kunt de twee niet mengen.”
“Als je het geloof de wetenschap in trekt, dan wordt het gevaarlijk. Dan gaat het erom het bestaan van God te bewijzen. Maar als dat bewezen kan worden, dan moet je niet meer geloven.
“Geloven is per definitie twijfelen. Alleen wanneer je het niet zeker weet, kun je geloven. En het is net die twijfel die me aantrekt. Om te midden van alle exacte zekerheid iets te voelen waar ik nét niet bij kan.
“Het is in deze tijden niet evident om dat toe te laten, ook niet om dat uit te spreken.
“Gelovig zijn wordt bijna als een mentale ziekte beschouwd. En ik weet wel dat er een zogezegde revival bezig zou zijn onder jongeren. Maar die lijkt me vooral radicaal-rechts geïnspireerd en dus eerder politiek dan religieus geworteld.
“Er schuilt een verlangen in om terug te keren naar de oeroude tradities en dat vind ik gevaarlijk. Mijn geloof wil ik net soepel en vragend houden, ver weg van elke vorm van dogma.”
“Neem nu stelen. Als een mens zonder papieren, die op straat slaapt en zielsalleen is, iets te eten steelt, dan vind ik daar niets onrechtvaardigs aan.
“Dat hij op straat moet slapen, dát is onrechtvaardig.
“Ik voel me in mijn geloof zo eerder verbonden met de figuur van Jezus Christus dan met God. Het is een blijvend zoeken en formuleren.
“Er is weinig van de traditionele beeldvorming dat ik zomaar overneem.
“Het hiernamaals met een hemel en zo, waar je dan het eeuwig leven krijgt, daar heb ik helemaal niets mee. Alsof dat eeuwig leven trouwens het finale geluk is. Er is een tijd van komen en er is een tijd van gaan. In al haar eenvoud heb ik dat altijd een prachtige waarheid gevonden.”
Bent u al bezig met dat moment van gaan?
“De dood die nadert, daar wil ik niet te veel aan denken. Ik heb er nog geen zin in. Ik hecht nog te veel aan het leven, aan alle schoonheid, aan elke ontmoeting.
“Iemand ontmoeten blijft toch elke keer iets wonderlijks. Een kleine hergeboorte. Ik wil daar nog niet mee ophouden.
“Maar ik hoop wél, uit het diepst van mijn hart, dat ik eerst ga. Dat niemand van mijn kinderen of kleinkinderen sterft voor mij. Dat zou ik niet aankunnen.
“Dat is de enige en meteen ook grootste angst die ik in dit leven gekend zal hebben. En zolang dat niet gebeurt, hoop ik nog lang te mogen doorgaan. Er is nog zoveel dat moet gebeuren. Zoveel dat moet worden benoemd.
“Kijk naar de wereld. Kijk wat we aan het verliezen zijn. Alsof vrede een naïeve optie is geworden.
“Hebben we het daar eigenlijk wel genoeg over gehad?”


Lees ook
Lees ook
Lees meer berichten
in deze categorieën
Bron: De Standaard