Ann De Ridder – Ik gun mezelf de luxe om zachtjes te vertrekken


Misschien is de vraag om euthanasie van Ann De Ridder een laatste vraag naar erkenning: zie mij, in het diepst van mijn gedachten. Aan DS Weekblad legt ze haar ziel bloot. ‘Psychiaters weten wat goed voor je is. Ook al slaan ze de bal mis.’

Veerle Beel en Veerle Windels – De Standaard


Zaterdag 29 oktober. Gent binnenrijden voelt anders dan normaal. De zon schijnt, maar het hart is bezwaard. Vandaag mogen we naar een feest, maar eentje waarvan je denkt: uitzonderlijker wordt het nooit meer.

Ann De Ridder heeft beslist haar leven te beëindigen, en ze heeft haar familie, beste vrienden en de vele mensen die haar door de jaren gesleurd hebben, uitgenodigd op een afscheidsfeest.

Het is aanschuiven tot buiten, want Ann verwelkomt iedereen persoonlijk. Er wordt een polaroidfoto gemaakt van haar met elke gast. De bloemen, de hapjes, het buffet: alles is tot in de puntjes geregeld.

Het wordt stil wanneer even later in de tuin een rituele verbranding plaatsvindt: Ann gooit er, twee per twee, al haar dagboeken in een vuurschaal. Je wilt het niet zien en wilt er ook niets van missen.

Na dat bijzonder pakkende moment wordt het opnieuw gemoedelijker. Ann loopt van tafel naar tafel. Ze knuffelt, lacht en huilt en lacht weer. Haar emoties liggen rauw aan de oppervlakte. ­Bijna iedereen ziet haar hier voor het laatst.

Rika is vijftien jaar lang de buddy van Ann geweest. Lief en leed hebben ze gedeeld, soms meer leed dan een buddy dragen kan.

‘Een tweede deelnemer (zo noemen ze de cliënt bij Buddywerking Vlaanderen, red.) heb ik nooit gehad. Ann is een unieke vrouw, slim en getalenteerd. Maar ik begrijp haar beslissing om haar leven te beëindigen. Haar leven is een hel. En ze heeft alles geprobeerd om hieruit te raken. Voor haar is dit het beste.’

Wat Rika zegt, raakt. ‘Bij buitenstaanders komt dit hard aan. Als je in haar lichaam zou zitten, zou je wel ­beter weten.’

Vijf maanden geleden heeft Ann contact opgenomen met journaliste Veerle Windels. Ze wilde haar verhaal doen: een aanklacht tegen de psychiatrie van vandaag. Waar je tientallen keren opgenomen kunt worden zonder dat er echt naar je wordt geluisterd. Waar je ten slotte te horen krijgt dat ze niets meer voor je kunnen doen.

Veerle Windels kent Ann al langer uit de modewereld. Ann die altijd stijlvol voor de dag kwam en geweldige etentjes organiseerde. Een vrouw met smaak, met een grote liefde voor kunst en met artistiek talent. Maar ook: Ann die de reputatie had rebels te zijn en die worstelde met een verslavingsproblematiek.

In heel Gent bekend als ‘Ann en Manu’, een onafscheidelijk koppel.

‘Er zijn ook goede psychiaters. Degenen die oprecht luisteren. Ze zijn zeldzaam’

Ann De Ridder

Sinds het overlijden van haar man is Ann alleen. Het valt haar zwaar. Daarom heeft ze haar eerdere aanvraag en goedkeuring voor euthanasie gereactiveerd. Die had ze ingetrokken toen bleek dat Manu ongeneeslijk ziek was. Zij wilde voor hem zorgen, zoals hij altijd voor haar had gezorgd.

Daarna herpakte ze zich via vrijwilligerswerk in een schooltje, waar ze mee instond voor het middagmaal. Toen kwam corona. Omdat ze borstkankerpatiënte is en aan de longziekte COPD lijdt, verbood de adviserend arts haar om onder de mensen te komen. In dat gedwongen isolement kwam het verlangen naar levensbeëin­diging opnieuw boven.

Er is een datum geprikt: 1 november, Allerheiligen en ook haar 59ste verjaardag. Ann heeft niets met de kerk, ze wil ook geen uitvaart en evenmin een dienst ‘in een lelijk crematorium’.

‘Als ik weg ben, ben ik weg. Misschien komt mijn as samen met die van Manu, of misschien is er niets meer.’

Isoleercel

Het is hartje zomer als we bij haar op bezoek gaan, in haar prachtig ingerichte appartement in Gent. Hier staat niets waarover niet is nagedacht. Enkele grote schilderijen van haar man. Een hele wand met schilderijtjes die zij de voorbije jaren maakte, vaak zelfportretten – ze noemt die haar ‘monstertjes’.

Ze heeft een tijdlang in de mode gewerkt, onder meer bij Walter Van Beirendonck: ‘Het werk van Walter was helemaal mijn ding: tussen kunst en fantasie, tussen droom en kinderlijkheid.’ Dat was een goede periode in haar leven.

Dit eerste gesprek gaat vooral over de psychiatrie, over wat ze daar meemaakte en over hoe ze van in haar jeugd worstelt met het idee niet geliefd te zijn.

‘Ik ben hoogsensitief en was dat als kind ook al. Ik trok me terug in een hoekje met een boekje omdat ik niemand wilde irriteren. Ik probeerde ­mezelf onzichtbaar te maken. Ik dacht dat niemand me graag zag.’

Ze begint te huilen. ‘Ik was nochtans rustig vandaag.’

De warmste herinneringen gaan over haar jongere zus, met wie ze het grote bed deelde – ‘pinkjes tegen elkaar, want meer mocht niet!’

Hoeveel mensen zijn niet zo grootgebracht, door ouders die opvoedingsexperts geloofden die zeiden dat je je kinderen beter niet knuffelde? Hoogstens een schouderklopje. Wie huilt, moet niet zo flauw doen. Een strenge en afstandelijke opvoeding. Zelf noemt ze die ‘superautoritair’. Ze was bang voor de oordelende blik van haar ouders.

 Ann De Ridder

Gelukkig was ze goed op school. Haar ouders lieten haar de keuze. Die was snel gemaakt: ze ging op internaat in Eeklo.

‘Op mijn veertiende, in het derde middelbaar, heb ik daar een eerste zelfmoordpoging gedaan, met een overdosis hartmedicatie van mijn moeder.’

Was dat een hulpkreet? ‘Nee, het was een oprechte wens om ermee op te houden. Toen al.’

Later volgden nog veel suïcidepogingen, zowel in de psychiatrie als thuis. ‘Ik ging tekeer tegen mezelf, op een heel destructieve manier. Ik kon dat niet ­tegenhouden … ik had zoveel pijn. En dan tot de vaststelling komen dat je in een gespecialiseerd psychiatrisch ziekenhuis niet geholpen kunt worden!’

‘Ze vonden mijn problematiek te complex. Dat hoor je dan pas nadat je er maandenlang verbleven hebt. Ik herinner me dat een opname 40.000 frank per maand kostte (1.000 euro, red.).

‘Ik had een grote villa kunnen kopen in de plaats. Aan hoeveel vernederingen hebben ze me niet onderworpen! Soms mocht ik maar een kwartier naar buiten en moest ik daarna al mijn kleren uittrekken, omdat ze me wilden betrappen op het bezit van cannabis. Dat is nooit gelukt. Ik gunde mezelf die joint wel, dus ik was daarin niet eerlijk.’

Verslavingen waren deel van haar problematiek. ‘Ook daar wisten ze geen weg mee. Voor de verslavingszorg had ik een te complexe persoonlijkheids­problematiek, en omgekeerd. Ze pingpongden me heen en weer.’

Tientallen keren is ze in opname geweest, van Limburg tot West-Vlaanderen. Soms zes maanden, soms een jaar, soms anderhalf jaar.

‘Ik heb heel veel dingen meegemaakt die niet door de beugel konden. Meerdere keren hebben ze me opgesloten. Na zware automuti­latie hebben ze me in Scheldewindeke eens drie dagen en drie nachten in de isoleercel gestopt: geen raam, geen daglicht. Alleen een laken, een emmer en een luikje om je plateau met wat vieze frut door te schuiven!’

‘Ik heb me niet laten doen. Ik heb aangeklopt bij de ombudsdiensten. Ik stak daar veel energie in. Die diensten zijn zogenaamd onafhankelijk, maar ze willen gewoon alles toedekken. Daar kun je niets mee aanvangen.’

Ze geeft toe: ‘Ik was een lastige ­patiënt. Ik verzette me. Je wordt gestraft voor dingen die je doet, en waarvoor zij onbekwaam zijn om ermee om te gaan. Is dat normaal?’

Heeft ze ooit een diagnose gekregen?
Zucht: ‘Ik heb er zovéél gekregen.’

Vergeetafdeling

Ook nu drinkt ze veel alcohol, al voor de middag. Voelt ze zich er goed bij?

‘Zelfs dat niet meer. Het is iets wat ik mezelf nog gun, omdat de werkelijkheid te hard is om van uur tot uur mee om te gaan. De nachten zijn lastig, de dagen ook, er is nauwelijks nog verschil. En ik heb alles geprobeerd op de markt van de psychofarmaca, de hele reutemeteut.’

Was dat op aanraden van de psychiaters?
‘Hola, niet op aanraden. Dat was op hun bevel! Zij weten wat goed voor je is. Ook al slaan ze de bal helemaal mis.’

Ze corrigeert zichzelf: ‘Er zijn ook goede psychiaters. Degenen die oprecht luisteren. Ze zijn zeldzaam.’

Hoe komt het dat ze telkens weer in opname ging? Had ze elke keer opnieuw hoop dat het toch zou lukken?

‘Door Manu! Door mijn man, die me telkens kon overtuigen om het nog eens te proberen, omdat het thuis niet meer ging. Omdat ik niet meer kon functioneren, net zoals ik dat nu niet meer kan. Voor sommige mensen ben ik misschien een plantrekker van het ziekenfonds, maar het lukt me gewoon niet meer.’

Enkele keren heeft Manu haar ook letterlijk uit de psychiatrie wég gedragen.

‘Omdat ze me soms op een “vergeetafdeling” onderbrachten, waar ik gedrogeerd lag van de psychofarmaca. Dat kon hij niet aanzien. Alles heb ik ­geslikt, tot en met lithium. En ik heb ­alle gespecialiseerde therapieën een kans gegeven.’

Een van de ‘goede’ psychiaters heeft haar uiteindelijk voorgesteld om de ­ultieme behandeling te proberen: elektroshocks.

‘Om de twee weken, 33 keer, waarvan tweemaal met een hartstilstand en reanimatie tot gevolg. Dat wil ik niet nog een keer.’

Heeft het geholpen? ‘Ja. Zes maanden lang had ik een gevoel dat ik nooit eerder ervaren had. Maar daarna glipte het weg. Ik heb echt alles een kans gegeven. Dat heeft een arts me ook bij mijn laatste opname gezegd:

“Mevrouw, wij kunnen niets meer voor u doen.”

‘Ik ben op een eindpunt beland.’

De jonge Ann De Ridder, geportretteerd door Lieve Blancquaert.  

Ze huilt weer. Het besluit brengt nog geen rust. ‘Ik denk dat mijn familie het er moeilijk mee zal hebben. Maar ik kies deze weg omdat euthanasie menswaardiger is dan zelfmoord.

‘Ik heb ­zoveel pogingen ondernomen. Ik heb mezelf zoveel schade toegebracht. Dat is de grootst mogelijke agressie tegenover jezelf. Nu mag het op een zachte manier gebeuren. Zonder geweld, zonder een opname op intensieve zorg waar ze je vastbinden om je maag leeg te pompen.

‘Ik sta het mezelf toe om op een niet-agressieve manier te vertrekken. Dat is ook troostend. Die luxe gun ik mezelf nu. Vroeger niet, omdat ik zo slecht in mijn vel zat. Omdat ik me al mijn hele leven afgewezen voel.’

Ook in haar schijnbaar perfecte huwelijk was er dat gevoel van afwijzing. ‘Ik zag Manu graag en hij mij. Hij zwoer dat hij nooit bij me zou weggaan, maar ik mocht hem niet aanraken, zelfs geen hand op zijn schouder leggen.

‘Pas later is hij ervoor uitgekomen dat hij op mannen viel, maar hij wilde alleen met mij leven. Ik verdroeg alles, omdat ik wilde dat hij gelukkig was, ook al was ik het niet.’

‘Ik heb enkele jaren geleden in Tel Aviv een toffe, jonge vrouw ontmoet. Ik verhuis naar ginds en zij kan bij mij intrekken en voor mij zorgen’

Ann De Ridder

Zelf is ze een paar keer verliefd geworden op een vrouw. Het is een taboe in haar hoofd. ‘Dat woord kan ik niet uitspreken, nog altijd niet.’ Meer dan een kus is er niet van gekomen. Wat ze wel weet, is dat ze hunkert naar aan­raking, en er tegelijk bang voor is.

Knuffeltherapeute Margo helpt haar nu over die drempel. ‘Ik vond een kaartje van haar in een winkel. Het leek me eerst raar, iemand betalen om geknuffeld te worden. Dat ruikt naar betaalde liefde. Maar ik heb het toch aangedurfd. Ze is zo goed voor mij.

‘De eerste keer heb ik alleen maar mijn hoofd op haar schouder gelegd, zij streelde mijn haar. De tranen kwamen onmiddellijk. Het is een pak van mijn hart dat Margo ermee heeft ingestemd om bij mij te blijven in mijn laatste uren. Ik weet dat alles dan goed zal komen.’

Alles geven

Eind september valt een envelop in de bus. Er zit een in achten gevouwen affiche in, met aan de ene kant een kunstwerk van Ann, waarin ze zelf te herkennen is, en aan de andere kant een gedicht van Toon Tellegen, over een eekhoorn: ‘Niemand was zo verdrietig als hij.’

Het is een uitnodiging voor het afscheidsfeest. Ze heeft alles geregeld: de beste bloemist en beste cateraar van Gent ingehuurd, een playlist gemaakt, haar mooiste werk uitgezocht om tentoon te stellen. Ze wil zichzelf laten zien zoals ze echt is. Geen lijdend voorwerp, maar een onderwerp. Nog één keer alles geven.

‘Ik maak het liever zelf nog mee.’

Bij ons tweede bezoek doet ze de deur open in pyjama met een kamerjas eroverheen. Ze heeft vanochtend afscheid genomen van de begeleiders van het Mobiel Team, die sinds het overlijden van haar man tweewekelijks op bezoek kwamen. ‘We hebben samen ­gehuild.’

Op haar uitnodiging zijn veel mooie, warme reacties binnengelopen. Maar voor haar familie is het moeilijk. ‘Mijn zussen en broers zijn mijn ouders gaan inlichten. Ze zijn in shock. Ik begrijp dat. Ik had het ook liever anders gehad.

‘Ik zou willen dat ze inzien dat ik zo weinig mogelijk mensen pijn wil doen, omdat ik zelf te veel pijn heb gehad. En toch weet ik dat ik hen pijn doe met deze beslissing. Het is me allemaal niet zo duidelijk.’

‘Alles heb ik ­geslikt, tot en met lithium. Ik heb ­alle gespecialiseerde therapieën een kans gegeven. “Mevrouw, wij kunnen niets meer voor u doen”, zei een arts bij mijn laatste opname’

Ann De Ridder

Bovendien moet ze zich nog om een hoop praktische zaken bekommeren, terwijl haar hoofd er niet meer naar staat: ‘Ik moet nog afspreken met de begrafenisondernemer. En ik moet nog naar de notaris, omdat ik een wijziging wil aanbrengen in mijn testament. Daarvoor moest ik een uitgebreid verslag van een psychiater kunnen voorleggen waaruit blijkt dat ik bekwaam ben om te beslissen. Dat verslag passeert eerst nog bij de vrederechter. In die fase zit het nu. En ik heb niet veel tijd meer!’

Het is tekenend voor het stigma dat op psychiatrische patiënten kleeft, vindt Ann. Ook dat valt haar zwaar om mee te leven.

‘Dat je per definitie als onbekwaam wordt gezien, en het tegendeel moet bewijzen.’

Heeft ze een plan voor wat er moet gebeuren met haar kunstwerken? Ze haalt de schouders op: een echte kunstenares heeft ze zich nooit gevoeld.

‘Tijdens een van mijn eerste opnames ben ik beginnen te tekenen als gek. Op een klein tafeltje, dus altijd op klein formaat. Manu heeft dat gestimuleerd. Ik wist niet dat ik het in mij had. Ik ben het altijd blijven doen. Het was een soort vluchtroute als ik in opname was. Ik tekende en luisterde naar muziek in mijn koptelefoon. Ik heb geen techniek, geen vorming.

‘Is dit kunst? En waar ligt de grens tussen kunst en outsiderkunst? Is het werk van Louise Bourgeois outsiderkunst? Of dat van Yayoi Ku-sama? Die zit ook al haar hele leven in de psychiatrie. Ik zou het liefst van al hebben dat mijn werk naar het outsider­museum Art et Marges in de Brusselse Marollenwijk gaat. Maar ik heb de energie niet meer om hen te bellen.’

‘Als het kon, zou ik vandaag al euthanasie willen. Ik ben er klaar voor.’

Helemaal tureluurs

Een week later. Een mail van Ann: ‘Bel mij aub. Dringend!!!’

Ze klinkt euforisch aan de telefoon. Het voorbije weekend is haar behandelend psychiater langsgekomen, met wie ze een jarenlange relatie heeft opgebouwd. Deze arts is niet bij de eutha­nasie betrokken.

‘Ik heb voor haar ­gekookt, we hebben de hele dag zitten babbelen. Ik ben er helemaal tureluurs van!’

Het plan is om toch voor het leven te kiezen.

‘Ik heb enkele jaren geleden in Tel Aviv een toffe, jonge vrouw ontmoet. Ze verkocht juweeltjes op straat. Ik slaap nauwelijks en zit al het hele weekend met haar te chatten. Ik verhuis naar ginds en zij kan bij mij intrekken en voor mij zorgen. Dankzij mijn dokter, die zei: waarom geef je het niet nog een kans?

‘Misschien heeft ze wel gelijk! Het is tenminste een alternatief, liefhebben en geliefd worden. Mijn chique kleren neem ik niet mee. ik ga er een heel gewoon leven leiden. Zulke keuzes hebben ze me in de psychiatrie nog nooit voorgesteld!’

Ze heeft haar moeder al meteen het goede nieuws gemeld. Die huilde van blijdschap: ‘De beste telefoon van haar leven’.

En het feest mag gewoon doorgaan: ‘Een afscheidsfeest voor mijn euthanasie, of omdat ik een nieuw leven begin, dat is toch om het even? Beter nog, als het een positieve afloop heeft!’

Een dag later. ‘Ik had die sparteling blijkbaar nog nodig. Ik dacht het ei van Columbus gevonden te hebben, maar besef nu dat het te impulsief was. Alleen jammer dat ik mijn moeder al gebeld heb’

Ann De Ridder

De volgende dag een nieuwe mail: het plan om naar het buitenland te verhuizen was een laatste stuiptrekking. Ze is weer met beide voeten op de grond geland. De euforie is weg, de tranen zijn dat ook.

‘Ik voel me rustiger. Ik had die sparteling blijkbaar nog nodig. Ik dacht het ei van Columbus gevonden te hebben, maar besef nu dat het te impulsief was. Wel jammer van dat telefoontje aan mijn moeder. Ze was zo blij.’

Het goede nieuws is dat de banden met haar jongere zus zijn aangehaald. ‘Zij is de persoon die ik het liefste zie. Onze relatie is niet altijd oké geweest, maar ik was ook niet altijd oké. We moeten elkaar niets verwijten. We zijn samen naar de notaris gegaan en hebben hand in hand door de stad gelopen. Heerlijk!’

Ze wil alleen nog maar een mooi ­afscheidsfeest. ‘Het moet niet droevig worden, omdat ik me ook niet droevig voel. Raar hè, ik heb nog maar een week te leven en voel nu eindelijk rust, en geen boosheid of verdriet meer. Of toch maar een beetje verdriet. Ik heb er vrede mee.’

Blijven praten

Piet Clauwaert, psychoanalytisch psychotherapeut en klinisch seksu­oloog, leerde Ann een tiental jaar geleden kennen in een psychiatrische setting. Ze hielden contact.

Was Ann echt zo’n lastige patiënt, zoals ze over zichzelf zei?

‘Zeker wel, omdat ze in verzet ging tegen de regels die in de psychiatrie worden opgelegd. Als je als hulp­verlener oordeelt over afwijkend gedrag, is de kans vaak al verkeken dat een therapie ingang vindt. Het zijn uiteraard de ‘lastigste patiënten’ voor wie een therapie het verschil kan maken tussen leven en dood, zeker op termijn.’

We spreken hem twee weken voor de vastgelegde datum voor de euthanasie. Clauwaert werkt als zelfstandig psychotherapeut, omdat hij zich steeds minder kon vinden in de huidige oplossings­gerichte psychiatrie, die psychisch lijden te veel reduceert tot symptomatische uitingsvormen, en de tijd niet neemt om dieper te peilen naar de oorsprong van dat lijden.

 Ann De Ridder

Hij gelooft niet in die aanpak, en zegt: ‘Psychisch lijden is in wezen on­oplosbaar. Als mens zijn we opgezadeld met de vraag wie we moeten zijn in de onlosmakelijke verhouding tot de ander. Ons hele leven blijven we daarmee bezig en we raken er nooit helemaal mee rond. Dat is de bron van psychisch lijden, dat daarom ook inherent menselijk is. Het gaat ons uiteindelijk om de liefde van de ander. Elke vraag, en ook elke hulpvraag, is een vraag om liefde.’

Daar zit voor Clauwaert ook een ­probleem met euthanasie vanwege ­ondraaglijk psychisch lijden.

‘Veel van de mensen met een dergelijke vraag kregen in de psychiatrie talrijke diagnoses opgespeld die gaan fungeren als objectivering van hoe ondraaglijk het psychisch lijden wel moet zijn.

‘Een hulpverlener die begrijpt dat je leven beter stopt en de gelaagdheid en de subjectiviteit van die vraag niet meer ziet: dat leidt voor mij tot een praktijk zonder ethiek.’

‘Ook bij de euthanasie van Ann heb ik bedenkingen. Ze roept de vraag op hoe wij psychisch lijden begrijpen en welke plaats wij eraan kunnen geven.

‘Zolang het nog kan, blijf ik met haar in gesprek gaan, want wat in het spreken mag verschijnen, kan altijd nog een verschil teweegbrengen, hoe uitzichtloos ook. Daar blijf ik in geloven.’

Na het afscheidsfeest mogen gasten een ‘monstertje’ van Ann meenemen: ze verkoopt de kunstwerken van haar hand.

De opbrengst wil ze schenken aan het centrum voor geestelijke gezondheid Eclips in Gent, waar ze geregeld ­terechtkon voor een ondersteunende babbel. Op de achterkant van het door ons gekozen werkje staat de titel A la recherche du chemin perdu.

De weg van Ann kwam ten einde op 1 november. 


Wie vragen heeft over zelfdoding, kan terecht op het nummer 1813 of op zelfmoord1813.be


Ann De Ridder maakte de uitnodiging voor haar afscheidsfeest zelf.  Beeld Ann De Ridder

Lees ook

Vul hieronder de zoekopdracht Euthanasie in en vind meer berichten.


Bijhorende Website

puzzle, heart, love-1721592.jpg

Onderweg 2.0


Bron: De Standaard

Naar Facebook

Naar de website


Scroll naar boven