maatschappij

Mentale gezondheid

Nele Van den Broeck

De Eed van Hypocritus

Augenblick, 2021 (oil on stitched canvas, 90x 75 cm) Kati Heck & Tim Van Laere Gallery

Jaaropeningsrede

I

Het meest dissonante interval in de toonladder is de tritonus. De duivelskwint. Wie een piano in de buurt heeft, of een blaas- of pijporgel, kan even ­tegelijkertijd een do en een fa kruis aanslaan. Hoort u hoe dat wringt? ­Onhoudbaar haast. U wilt die fa kruis naar een sol trekken, of afzwakken tot een fa – een kwint of een kwart, intervallen die zoveel makkelijker te verdragen zijn voor een mensenoor, intervallen die rein heten te zijn, alsof ze een zuiverend effect op de geest hebben.

Een dissonant in de muziek is haast altijd een overgang op een lange weg naar huis. Thuiskomen, dat zal pas aan het einde van het muziekstuk gebeuren. We trekken traag naar het grondakkoord, allemaal samen onderweg, halleluja.

Als muzikant weet je hoe je bij je ­publiek een daverend applaus kunt uitlokken. Een klinkend slotakkoord, een langgerekte tonica op de toppen van je bereik, afgesloten door een luide slag op basdrum en cimbaal. Boem, paukenslag! We zijn er geraakt, beste mensen. Het lied is ten einde, de harmonie is teruggekeerd. Alles is in orde.

Wanneer je dat niet doet, wanneer je een stuk dissonant laat eindigen, dan zal je publiek nauwelijks aanvaarden dat het afgelopen is en lange tijd blijven hopen op die laatste bevrediging, dat grondakkoord.

II

Vijftien jaar van mijn leven versleet ik op een katholieke school. Ook al ben ik tegenwoordig een halfslachtige agnost, heel mijn denken is schatplichtig aan de lessen die ik daar leerde – de Gospel zoals geïnterpreteerd door het educatieve team van het Sint-Donatus-instituut in Merchtem.

We leerden over delen wat je hebt, niemand uitsluiten, de andere wang toekeren. Het werd allemaal aanschouwelijk gemaakt door kleurplaten in de klas. Doe! Het! Goede! Als kind was ik doordrongen van een vurig, ongefilterd rechtvaardigheidsgevoel zoals alleen kinderen dat hebben. Er was lijden te over midden jaren negentig – dat was me niet ontgaan. Srebrenica. Rwanda. Ik snapte niet dat de volwassenen voor mij een hel op aarde oogluikend hadden laten gedijen. Ik begreep het werkelijk niet. Toen dacht ik nog dat volwassenen wisten hoe het moest, de ­wereld, het leven.

Ik weet nog hoe ik als puber, op ­retraite in Orval, een vraag stelde aan de dienstdoende pastoor. Hij had iets verteld over het-goede-doen, ik weet niet meer wat, maar ik vroeg of nalaten het goede te doen gelijk stond aan het kwade. Ja, zei de priester, zonder twijfel. Wie niets doet in het licht van andermans lijden, die maakt zich schuldig aan diens miserie. Het leek me duidelijk. Maar goed, ik had een excuus. Ik was nog maar een kind. Later, als volwassene, zou ik uiteindelijk de wereld redden.

III

Twee jaar geleden verhuisde ik naar Brussel. Ik kocht een appartementje in Molenbeek. Loop vijf minuten door mijn buurt en je kan moeilijk beweren dat de wereld een barmhartige plek is. Misschien bestaat er ergens in Vlaanderen nog een dorp met aangeharkte tuintjes waar je kan geloven dat het ­leven een welluidend interval is. In Brussel valt dat niet vol te houden.’

‘Ik wil doen wat goed is’ en ‘ik wil met rust gelaten worden’ zijn twee muzieknoten die tegelijkertijd worden gespeeld aan de binnenkant van mijn schedel, noten die botsen met elkaar, een tritonus die maar niet lijkt op te lossen.

Elke dag zie ik lijkbleke mensen ­heroïne opwarmen in de metro aan ­Ribaucourt. Tweehonderd meter verder, aan het kanaal, staan honderd sans-papiers in de rij voor de voedselbedeling. Als ik ga wandelen in het park aan Tour & Taxis, die gigantische houten sauna, dat toonbeeld van gentrificatie, dan zie ik mensen onder een brug slapen, een brug die overigens op instorten staat.

Er gaat geen dag voorbij of ik zie een kind dat op straat leeft, in de geur van pis. Dag en nacht sirenes. Geschreeuw in het donker. Een staalkaart van het hele scala aan menselijk lijden, ­opnieuw en opnieuw. En wat doe ik? Ik trek mijn kraag omhoog en loop door, naar mijn appartement, waar het warm is.

Hoe kan ik mezelf ook maar een ­redelijk goed mens achten en tegelijk al die miserie naast mij laten leven zonder er iets aan te doen? ‘Ik wil doen wat goed is’ en ‘ik wil met rust gelaten worden’ zijn twee muzieknoten die tegelijkertijd worden gespeeld aan de binnenkant van mijn schedel, noten die botsen met elkaar, een tritonus die maar niet oplost. Omdat ik er niet mee om kan, besluit ik het zo goed en zo kwaad mogelijk te negeren. Samen delen? Niemand uitsluiten? Even niet aan denken. Cognitieve dissonantie heet zoiets. Een duivelskwint in het brein.

IV

Nog steeds ben ik er niet uit of mijn ­bestaan meer goed dan kwaad veroorzaakt. Het is een trieste rekensom.

In de pro kolom staat het directe ­genoegen dat ik het selecte groepje mensen die ik mijn naasten noem verschaf – op een goeie dag. Verder probeer ik de miserie van mijn medemens met mijn stem en mijn pen te verlichten, en ook al maak ik er mij weinig ­illusies over, iemand ergens een beetje helpen zal het toch wel. Tot zover de plusjes.

In de kolom contra staan – onder meer – de ecologische ramp die mijn geboorte is, de energie die het deze aarde kost om een westerling in leven te houden, het leger van onzichtbare slaven dat mij voorziet van alle gemakken die een leven in de Belgische middenklasse in 2022 te bieden heeft. Het kwade waar ik mij nauwelijks bewust van ben, maar dat verscholen zit in zowat elk product dat ik consumeer. De computer waar ik deze tekst op schrijf – bijvoorbeeld – werd slechts mogelijk ­gemaakt door onnoemelijk lijden van mijn medemens in een mijn hier ver vandaan.

Als ik deze kolommen bij elkaar optel, de tonica, de dominant, dan klinkt er een interval zo dissonant dat de duivel zelf kippenvel krijgt en een extra truitje aantrekt. Ik hoor het heel duidelijk wringen in mijn hoofd, een lied dat één woord zingt – hypocriet!

V

Hypocrisie is een spreidstand waarin niemand zich graag bevindt. Het is moeilijk de eigen schijnheiligheid te aanschouwen. Maar het is noodzakelijk. Het te allen prijze willen vermijden van enige dissonantie, willen volhouden dat alles perfect in orde is en hoort te zijn is de snelste weg naar fascisme, daar ben ik van overtuigd.

Niemand is graag deel van het probleem. Ook ik ben niet graag deel van het probleem. Toch is het zo, en dat ontkennen zorgt slechts voor meer problemen. Veel kwaad geschiedt door een drang naar welluidende perfectie. Om fascisme geen kans te geven, dienen we de moeilijke weg der dissonantie te ­begaan.

Niemand is principieel. Overal in ons hoofd klinken dissonanten, ­gedachten die niet te rijmen zijn met onze daden. Macho’s zijn hypocriet. ­Feministen zijn hypocriet. Racisten zijn hypocriet. Iedereen die zegt geen racist te zijn is hypocriet. Vegetariërs zijn ­hypocriet. Vleeseters zijn hypocriet. ­Hypocrisie is een loze beschuldiging, want hypocriet zijn we allemaal. Wie zonder zonde is, et cetera.

Het goede doen begint met aanvaarden dat je een beetje slecht bent. Als ik niet wil accepteren dat ik niet feilloos ben, dan zal ik voor mezelf allerlei ­excuses verzinnen waarom ik vandaag wéér geen dakloze in huis heb genomen of mezelf niet aan een olieplatform heb vastgeketend. Ik zal verzinnen dat het hun eigen schuld is, dat het mijn verantwoordelijkheid niet is, of dat fossiele brandstof helemaal zo erg niet is. Ik zal verhalen ophangen over dieven en bedriegers, over schimmige statistieken. Uiteindelijk leidt zo’n ­gedachtegang tot de harde onverschilligheid over een kind dat op straat leeft in de geur van pis.

VI

Hoe kan ik voor mezelf goedpraten dat ik in dit leven voornamelijk kies voor mijn eigen geluk, mijn eigen naasten, mijn eigen kunst, terwijl ik toch wil dat het klimaat wordt gered en de daklozen opgevangen? Hoe kan ik op een gezonde manier met die hypocrisie omgaan? De verantwoordelijkheid om honderd procent volgens mijn eigen moraal te leven slaat mij plat. Als ik de wereld in mijn eentje wil veranderen dan blijf ik wanhopig in mijn bed liggen. Ik dien om te leren gaan met mijn eigen onkunde en nietigheid. De gedachte dat ik iedereen redden kan, is grotesk. Schuldgevoel is, immers, ook een vorm van zelfoverschatting.

Misschien brengt de muziek een ­oplossing. Zoals een dissonant interval voor beweging in een muziekstuk zorgt, zo kan hypocrisie bekeken worden als een dynamisch begrip, een tussenstadium op weg naar het betere. We zijn – in het beste geval – onderweg naar een iets harmonieuzere kosmos, nootje per nootje, in een ingewikkelde kakofonie. Ik heb in dit leven maar een paar noten te spelen. Welke worden het?

In plaats van goede voornemens leg ik mezelf voor dit nieuwe jaar een Eed van Hypocritus op. ‘Ik doe wat ik kan, wanneer ik kan, op een manier die bij mij past, om al wat leeft een stukje op weg naar het betere te schuiven.’

Macho’s zijn hypocriet. Feministen zijn hypocriet. Racisten zijn hypocriet. Iedereen die zegt geen racist te zijn is hypocriet. Vegetariërs zijn hypocriet. Vleeseters zijn hypocriet. Hypocrisie is een loze beschuldiging, want hypocriet zijn we allemaal.

Ik heb niet de mentale en praktische capaciteit om heel Brussel op te vangen of om de klimaatopwarming te stoppen. Ik moet hopen dat er op deze ­wereld sterkere mensen dan ik bestaan. Die mensen kan ik dan ondersteunen door hen een deel van mijn inkomen te schenken. Het is niet veel, maar het is een steentje. Mijn kwartnoot op weg naar een menselijkere mensheid.

Ik houd mij aan mijn eed elke keer als ik besluit om een fast fashion jurkje niet te kopen, elke keer als ik prei eet in plaats van steak, elke keer als ik mijn frietvet naar het containerpark breng en niet door de gootsteen giet, elke keer als ik geld stort voor Brusselse straatverplegers of Congolese vrouwen met een minionderneming.

Wat kunt u doen? Welke dissonantie valt zonder veel pijn weg te werken? Zoek een noot en speel ze een beetje anders. Als u de weg van de minste weerstand kiest, dan maakt dat van u niet noodzakelijk een slecht mens.

VII

Dat is mijn basisgeloof. Het leven in het algemeen en de mensheid in het bijzonder is een project dat heel traag op weg is naar een iets harmonieuzere toestand. Ik moet dat geloven, of ik ga aan wanhoop kapot. Ik ben deel van dat project op manieren die ik begrijp, maar ook – en dat is interessanter – op manieren die ik niet begrijp. De mogelijkheden voor verbetering zitten net in de dissonanten, in alles wat ik niet snappen kan, alles wat schuurt, alles wat wringt. We zijn allemaal een beetje slecht. We zijn allemaal een beetje goed.

Of het nettoresultaat van mijn leven positief of negatief is, dat kan ik niet weten. Mijn perspectief is te klein. Dat zijn rekensommen die enkel God kan oplossen, en als u niet van het woord God houdt, gebruik dan het woord mysterie, evolutie, of datgene-wat-ons-overstijgt. Het is allemaal één pot nat – enkel de dwaas kijkt naar de vinger in plaats van naar datgene dat wordt aangewezen.

Misschien bereiken we op een dag dat bevredigende slotakkoord, dat moment waarop we veilig thuiskomen. Boem, paukenslag! Tot dat moment blijft onze melodie bewegen. De muziek blijft spelen, tot diep in die eindeloze nacht waarin de zon ontploffen zal.

Het lied is niet afgelopen zolang er één mensenhart klopt, zolang er één koe of neushoorn of stokstaartje op deze aardkloot rondscharrelt, zolang er één schimmelnetwerk signalen van wortel naar wortel blijft pompen en zo een heel bos in stand houdt, zolang er één dinosaurus veren krijgt en leert vliegen, zolang er één godverlaten bacterie volhardt in de duisternis op de lichtloze bodem van de Marianentrog.

Het leven is een pokkenherrie, maar het is ònze pokkenherrie. Wij, mensen, zijn in het beste geval een nietige kleine kwartnoot in deze symfonie. Ik doe wat ik kan. Morgen kan ik misschien wat meer. Is dat genoeg? Ik weet het niet.

For ever young

Genietend van de lente,
in de herfst van mijn leven.

Sitemap – Blog – Home
 
 
Scroll naar boven