Frank Albers – Afscheid van Bernard Dewulf


Frank Albers is schrijver en docent Amerikaanse cultuur (Universiteit Antwerpen). Hij was samen met Bernard Dewulf hoofdredacteur van het Nieuw Wereldtijdschrift na de dood van Herman de Coninck.

Frank Albers – De Morgen


Bernard deed graag bescheiden. In sommige opzichten was hij echt bescheiden, maar vaak was die bescheidenheid een list, een hinderlaag. 

Frank Albers


De dood van Bernard Dewulf – hoe kan ik dit nu toch zomaar opschrijven – heeft veel reacties losgemaakt (DM 24/12).

Ik heb de voorbije dagen in kranten en op sociale media heel veel moois en liefs over hem gelezen. Over hem en over zijn werk.

De schok die zijn dood heeft veroorzaakt doet me terugdenken aan de dood van Herman de Coninck in mei 1997.

Ook toen golfde er door Vlaanderen veel verdriet, ongeloof, dank en bewondering. Op een schaal en van een intensiteit en een oprechtheid die een schrijver hier maar zelden teweegbrengt. En de gelijkenissen gaan verder.

Bernard stierf te jong, op zijn 61ste. Herman was nog jonger: 53.

Herman viel plots dood op een stoep in Lissabon. Bernard viel even plots dood, thuis in zijn slaapkamer.

Ze hadden ook disciplines en talenten met elkaar gemeen: dichter, journalist, essayist, columnist, vertaler.

Hun levens waren ook met elkaar vervlochten: Herman de Coninck en Bernard Dewulf werkten allebei voor deze krant, en toen Herman stierf volgden Bernard en ik hem op als hoofdredacteur van het door hem gestichte Nieuw Wereldtijdschrift.

En zoals men over Herman de Coninck zei dat hij zijn volk poëzie had leren lezen, zo lees ik nu dat Bernard zijn lezers leerde kijken.

  • Naar kunst
  • Naar licht
  • Naar verf
  • Naar de zee
  • Naar vrouwen
  • Naar lichamen

Veel lezers uitten hun dank, omdat hij hen met zijn teksten heeft geholpen schoonheid te zien, schoonheid te horen of te voelen. Van woorden, mensen, dingen, schilderijen. En daarmee is meteen een van de klemwoorden uit zijn leven en zijn werk gevallen: schoonheid.

Bernard hield niet van het woord troost, dat was hem te klef. Liever sprak hij over genade. In een zinloos, richtingloos universum was schoonheid voor hem een vorm van genade.

Het andere klemwoord: zinnelijkheid. Geen woord gebruikte hij liever, geen eigenschap was hem dierbaarder dan zinnelijkheid. Hij vond zinnelijkheid niet alleen in vrouwenbeelden of vrouwenlichamen, maar ook in schilderijen, in verf, in licht en niet te vergeten: in taal.

Hij wilde en kon zinnelijk schrijven.

Hij had een bloedhekel aan kromspraak, net zoals hij een bloedhekel had aan academische moeilijkdoenerij. Ook die allergie deelde hij trouwens met Herman de Coninck.

Omgekeerd mochten sommige échte intellectuelen zich graag ergeren aan zijn soms badinerende schrijfstijl, die al te makkelijk met oppervlakkigheid of zelfs met populisme werd verward.

Bernard zou zichzelf nooit een filosoof hebben genoemd, niet eens een denker, maar denken deed hij wel. Filosoferen deed hij wel. Maar hij filosofeerde in de oudste, Griekse zin: als een verwonderde.

Hij dacht heel vaak in vragende vorm. Wat betekent dit? Waar komt dat vandaan? Hoe zal ik dit eens benoemen, beschrijven?

Bernard was een ontzettende vraagal. Zijn beste essays vertrokken altijd uit een vraag, een verwondering, of, welja, een grote ergernis. Hij wilde graag weten, maar betweterig was hij nooit.

Bernard deed graag bescheiden. Dat klinkt onvriendelijker dan ik het bedoel. In sommige opzichten was hij echt bescheiden, maar vaak, in teksten en zeker in gesprekken, was die bescheidenheid een list, een hinderlaag.

Bernard mocht zich immers graag van den domme houden, om vervolgens de stoere mening die zijn gesprekspartner zonet gloedvol had verdedigd, met fijne vraagjes onderuit te halen.

  • “Ik ben geen filosoof, maar…”

  • “Zou het kunnen, ik zeg maar wat…”

  • “Misschien vergis ik me maar…”

En een half uur later was je helemaal niet meer zo zeker van je grote gelijk. Niet dat hij zíjn gelijk wilde bewijzen, hij hield er gewoon van om mensen te doen twijfelen aan hun soms al te stellige of ondoordachte oordelen.

Ik noemde hem wel eens Socrates. Daar was hij zeer mee verguld. Met één belangrijke nuance, natuurlijk: Socrates’ hysterische antilichamelijkheid was hem totaal vreemd. Integendeel, hij hield ontzettend veel van lichamen, van vrouwenlichamen in het bijzonder, in en buiten de kunst.

Hij laat een oeuvre achter dat op haast elke bladzijde van die liefde getuigt. In zijn gedichten, zijn essays, zijn columns – altijd opnieuw bezong hij het zinnelijke leven waar hij met een bijna tragische heftigheid naar taalde.

Maar in het afgelopen jaar hebben fysieke klachten en pijnen hem gesloopt. Mensen zeggen wel eens: “Ik verga van de pijn”.

Dat is in zijn geval letterlijk te nemen. Bernard is vergaan van pijn.

Adieu, hunkerende Socrates, adieu.


Bernard Dewulf bij de uitreiking van de Libris Literatuurprijs in 2010, toen hij de prijs won met zijn novelle Kleine dagen.
Beeld ANP

Lees ook

Klik hier of op de hyperlink hieronder en vind meer berichten over

Bernard Dewulf


Bron: De Morgen

Welkom op Facebook

Naar de website


Scroll naar boven