Ieder mens is in staat een morele grens te overschrijden, weet Ester Naomi Perquin sinds ze als cipier werkte. Ze schreef er de roman ‘Tot alles in beweging komt’ over. Nu neemt ze ons mee naar de Rotterdamse gevangenis die ze haar “ouderlijk huis” noemt.
Jozefien Van Beek – De Standaard
23 juli 2026
Leestijd: 21 min
De plek
In de reeks ‘De plek’
zoeken we auteurs en hun landschap op,
om over hun schouder mee te kijken
naar wat ze zien wanneer ze schrijven.
“Ik schaam me voor wat ik toen gedaan heb. Juist daarom wil ik erover praten”
Ester Naomi Perquin
Elk van haar poëziebundels viel in de prijzen.
Haar debuutroman Tot alles in beweging komt werd genomineerd voor de Hebban Debuutprijs én de Libris Literatuurprijs, ze was Dichter des Vaderlands, en binnenkort schrijft ze het poëziegeschenk van 2027.
Alles wat Ester Naomi Perquin aanraakt, lijkt in goud te veranderen.
Zelf is ze niet onder de indruk, en dat is géén valse bescheidenheid.
“Ik heb de neiging om me volledig los te knippen van mijn werk zodra ik het over de schutting van de uitgeverij heb gegooid”, zegt ze.
“De positieve dingen vind ik amusante onzin, en de negatieve dingen probéér ik ergerlijke onzin te vinden.”
Die nuchterheid typeert Perquin.
Om het met John Milton te zeggen:
“The mind is its own place,
and in itself can make a heaven of hell,
a hell of heaven.”
Het is Satan die dat zegt in Paradise lost, maar hij heeft wel een punt. Als je niet oplet, kan je in je gedachten even onvrij zijn als achter tralies.

Ester Naomi Perquin
- (1980)
- Is dichter en schrijver.
- Voor haar eerste bundel, Servetten halfstok (2007), kreeg ze de Debuutprijs Het Liegend Konijn,
- Van 2017 tot 2018 was ze Nederlands Dichter des Vaderlands
- In 2025 kreeg ze de Paul Snoekprijs voor Ongevraagd advies
- Dat jaar verscheen ook haar prozadebuut Tot alles in beweging komt
Perquin schrijft over allerlei vormen van gevangenschap in Tot alles in beweging komt.
We volgen Ela – net als Perquin een voormalige cipier en nu schrijfster – die zwanger is van een dochter en terugkijkt op haar jeugd en haar jaren in de gevangenis.
Alle personages in het boek zitten vast:
- Ela’s vader lijdt na zijn beroerte aan het locked-insyndroom
- Haar moeder vlucht in boeken
- Haar broertje David belandt in een psychiatrische kliniek
- Ela zelf raakt verstrikt in haar eigen gedachten
Steeds vaker spoken de vreselijkste flarden uit haar tijd als gevangenisbewaarder door haar hoofd.
“‘Dat ze zo bang was maakte me geil’, ‘mijn maat hield haar beentjes uit elkaar en ik ging als eerste’, ‘we besloten ze allebei in de kuil te gooien’.”
Ela werkt aan een “ontsnappingsboek”, vol spectaculaire verhalen over “mensen die hun lot wisten te ontlopen, die hun leven aan het toeval te danken hadden of iets opmerkelijks hadden gepresteerd om weg te komen”.
Maar ze merkt dat ze niet kan ontsnappen aan haar verleden, dat het tijd is om over zichzelf te schrijven.
Dus dwingt ze zichzelf te kijken naar de vormen van gevangenschap waarmee ze te maken kreeg, en haar eigen rol daarin:
“Nooit schreef ik over mijn eigen opvattingen, over (…) de angsten die ik leerde onderdrukken, de vormen van agressie die ik had ontdekt.
“Nooit over mijn behaagzucht, mijn gebrek aan morele ruggengraat.
“Nooit over dehumaniseren-kun-je-leren.”


Voor deze roman putte je onder meer uit de minder fraaie kanten van jezelf. Was dat moeilijk?
“Ik heb er lang naartoe gewerkt. Als ik over machtsmisbruik in de gevangenis sprak, kreeg ik vaak de reactie: schaam je je daar niet voor?
“Impliciet was de vraag: waarom praat je erover als je je ervoor schaamt?
“Toen dacht ik: hier gaat iets helemaal mis. Ik begrijp het, want we associëren schaamte met stil blijven.
“Maar ik vind het net je verantwoordelijkheid om dan wél iets te zeggen. En dat hoeft dus niet te conflicteren met schaamte.”
Wat heb je precies gedaan waarvoor je je schaamt?
“Ik werd een fanatiek onderdeel van een apparaat dat ik niet doorgrond had.
“Als een moeder één minuut te laat was voor het bezoekuur, liet ik haar niet binnen, dan mocht ze haar zoon niet zien.
“Toen zag ik helemaal niet in wat daar mis mee was. Ik zag vooral wat er mis was met haar.
“Zij had een kind gekregen dat een boef was, dus ze was een slechte moeder.
“Ik miste veel context en kennis over het leven, en er stond niemand naast me die me kon zeggen: luister, dit bezoekje van deze moeder is misschien wel het belangrijkste wat we kunnen doen om te maken dat de jongen straks de juiste keuzes maakt.
“Als jij haar de toegang weigert omdat ze een minuut te laat is, ga je de wereld op geen enkele manier beter maken.”
“Intussen weet ik: iedereen is in staat tot machtsmisbruik.
“Natuurlijk denken mensen dat ze nooit zoiets zouden doen, dat ze ertegen zouden protesteren. Ik gun hun dat idee, maar ik weet wel beter.
“De uitwendige moraal functioneert heel anders dan de inwendige. Al is het ingewikkeld om daarover te praten, want dingen genuanceerd bekijken kost tijd en energie en de hoeveelheid informatie die op ons wordt afgevuurd is dermate groot dat mensen behoefte hebben aan orde in de chaos.
“Ze willen gewoon weten: is iets goed of fout? Zijn we hier voor of tegen?
“Elke sterke leider, elke demagoog weet dat.”
“Het heeft te maken met efficiëntie, je energie sparen voor alle informatie die je nog meer moet verwerken die dag. Dat is die verharding die we met z’n allen vaststellen.
“Maar eigenlijk is het meer een gebrek aan energie: de meeste mensen zijn gewoon heel erg aan het ploeteren. Twijfel is bijna een luxeproduct geworden. Het is een privilege om te kunnen twijfelen.”
Is het dat gebrek aan energie dat mensen zo zwart-wit doet denken over gedetineerden?
“Als je bij elke vieze man gelijk zegt: ‘pik eraf’, bespaart dat je veel denkcapaciteit. Je hoeft je er niet in te verdiepen, je hoeft jezelf geen ingewikkelde vragen te stellen.
“Het beeld dat mensen van kindermisbruikers hebben, is heel zwart-wit. Het zouden enge mannen zijn, terwijl het is bewezen dat het meestal die aardige buurman is.
“Die leuke conciërge op school of die lieve docent aardrijkskunde die altijd bereid is om de leerlingen extra te helpen, dát zijn statistisch gezien de mensen voor wie je moet oppassen.
“Dat is natuurlijk kennis waar je als ouder heel nerveus van wordt.”

Het is een onderwerp dat bij jou naar boven kwam toen je zwanger was van een meisje.
“Meisjes zijn eerst meisje en dan pas kind, en jongens zijn altijd eerst kind en dan pas jongen.
“In het boek beschrijf ik een scène die ik zelf heb meegemaakt. Mijn dochter zat in de trein met één been opgetrokken te kleuren. Haar onderbroekje was zichtbaar en ik zag een man ernaar staren.
“Op dat moment raasden de gedachten door mijn hoofd, inclusief oordelen over mezelf.
“Zie ik het wel goed? Ben ik hysterisch? Ik heb natuurlijk te veel gruwelijke dossiers gelezen.”
Je twijfelt of het een geseksualiseerde blik was?
“Die vraag is onmogelijk te beantwoorden. Ik weet zéker dat het een geseksualiseerde blik was, maar ik kan het niet bewijzen. Er is natuurlijk niets gebeurd, er is geen strafbaar feit gepleegd, er is eigenlijk geen verhaal.
“Dus ik ga aan mezelf twijfelen. Waarom registreer ik dit, wat zegt dat over mij? En ook: had ik iets moeten doen, had ik dat jurkje naar beneden moeten trekken?”
Wat leer je je dochter dán?
“Dat zij zich op zesjarige leeftijd moet aanpassen omdat er iemand is die haar seksualiseert.
“Dat ze dus niet met een opgetrokken been eenhoorns kan zitten kleuren in de trein omdat je dan haar onderbroek kan zien.
“Ik denk dat ik de goede beslissing heb genomen door niet in te grijpen, zij heeft er niets van gemerkt.”
“Met dat soort dingen hoefde ik me aanzienlijk minder bezig te houden toen ik zonen kreeg.
“Alleen al het gesprek voeren: welk woord geven we onze dochter om haar … om hét aan te duiden?
“Bij een jongen hebben we daar nooit over moeten nadenken. Piemel is een onschuldig woord. Voor meisjes is er bijna geen neutraal woord te vinden.
“Ofwel klinkt het wetenschappelijk en afstandelijk, ofwel is het pornografisch.
“En de juiste woorden kunnen gebruiken, is ook een vorm van macht.”
Hoe kun je kinderen beschermen zonder ze bang te maken?
“Het belangrijkste lijkt me om hun zo vroeg mogelijk te leren wat normaal is. En daar horen ook het genot en de vrolijkheid bij.
“Mijn moeder heeft het eigenlijk heel goed gedaan. Zij zei: seks is heerlijk.
“Ik had een heel positief beeld van seks. Ze zei er wel bij: het is zo leuk, dat moet je alleen doen met iemand die je ontzettend vertrouwt.”
“Maar hoe open je ook met je kinderen spreekt, ze hebben al jong hun eigen opvattingen over schaamte, schuld, verantwoordelijkheid en wat normaal is.
“Die grenzen bepaal jij niet alleen, die kunnen andere volwassenen mee bepalen.
“Daarom probeer ik mijn kinderen goed uit te leggen dat ze nare geheimen altijd aan mama en papa mogen vertellen, ook al zegt iemand dat het niet mag.
“En dan geef ik een voorbeeld uit mijn kindertijd: ik speelde op een bouwterrein waar ik niet mocht komen en stapte in een spijker. Drie dagen heb ik met die spijker in mijn voet rondgelopen voordat ik het aan mijn moeder vertelde.
“Ik wist: als ik dit vertel, moet ik ook zeggen waar ik ben geweest.
“Met dat verhaal maak ik hun duidelijk: soms denk je dat je iets fouts hebt gedaan, waarvan je de consequenties niet kunt delen.
“Dat is precies de tactiek die bij misbruik het meest wordt ingezet.
“En zo komen we weer uit bij zwijgen en schaamte. Die constructie is heel problematisch.
“Ik vind schaamte een van de gevaarlijkste emoties.”
Poppetjes
Intussen lopen we van Perquins woning naar de Noordsingel, waar het negentiende-eeuwse gevangenisgebouw waar ze 25 jaar geleden werkte, werd verbouwd tot Tuin van Noord, een woonsite met een publiek toegankelijke tuin.
“Een beetje idyllisch én een beetje eng hier, met al die tralies”, merkt Perquin op.

De oorspronkelijke functie van het gebouw is nog duidelijk leesbaar, op de muur rond de tuin is zelfs nog prikkeldraad gespannen, maar je loopt er nu vrij in en uit.
Het voormalige panopticum werd één gigantische woning. Bij de opening van de nieuwe site in 2022 werd Perquin gevraagd een gedicht voor te lezen.
“Een man sprak me toen aan. ‘Vreemd hé’, zei hij, nu woont hier de crème de la crème.
“Ik antwoordde: ‘Nou, in mijn tijd woonde hier ook de crème de la crème. We hadden de beste verkrachters, briljante overvallers, de top van de inbrekers.’ We hadden het beste van het beste, dus eigenlijk is er niks veranderd.” (lacht)
Het gebouw heeft de vorm van een ster: klassieke galerijen boven op elkaar, die samen kwamen bij een Centraal Post, een groot commandocentrum met een glazen plafond.
“In principe kon je elkaar dus altijd zien. Maar toen ik er begon te werken, rookte iedereen nog, dus als je pech had, keek je omhoog en zag je de boeven niet meer omdat er een dikke rookwolk hing.” (lacht)
De Noordsingel was een Huis van Bewaring, waar mensen in voorlopige hechtenis zaten.
“Dat maakte het wat risicovoller dan een gevangenis, waar gedetineerden hun straf al kennen.
“Het publiek in een Huis van Bewaring is zeer uiteenlopend: plegers van eenvoudige diefstallen, maar evengoed daders die waarschijnlijk 18 jaar zullen krijgen, of mensen die terbeschikkingstelling opgelegd zullen krijgen.
“Er heerst veel onzekerheid en spanning, daarom was het regime er vrij strikt. Soms liep het wel eens mis, maar doorgaans gebeurde er niks. De meeste boeven zijn heel normale mensen.”


Het is opvallend dat je, ook in het boek, spreekt van “boeven”.
“Onderling zeiden wij ‘poppetjes’. Maar ‘boeven’ kon ook. Dat zijn natuurlijk dehumaniserende termen.”
“Je wordt er niet per se een vrolijker mens van, maar ik heb ook prachtige dingen gezien in de gevangenis. De menselijke geest is tot zo veel in staat, ook in positieve zin.
“In de gevangenis merkte ik: in wezen willen alle mensen hetzelfde en dat is goed zijn. Alleen: wat ‘goed’ is, verschilt.
“Is goed ‘groot, sterk, stoer, veel geld’? Is goed ‘nuttig voor de organisatie’?
“Ik was bijvoorbeeld zo’n ambtenaar die heel graag goed wilde zijn. En dat zijn de allergevaarlijkste mensen die je maar kunt treffen.
“Ik was tot álles in staat, als ik maar het goede deed. Maar wat het goede was, dat werd door anderen bepaald.”
Dat stelde je nooit in vraag?
“Nee. En daardoor faciliteerde ik een systeem waarin machtsmisbruik kon plaatsvinden.
“Een paar collega’s hadden nare, sadistische trekjes, maar de grote meerderheid was net als ik: stuurbaar. Daar selecteren organisaties als het leger of de politie natuurlijk op.
“Als je dingen in twijfel trekt, ga je eruit. Uiteindelijk blijven alleen de mensen over die zich kunnen aanpassen.”
“Mensen denken dat de gevangenissen in Nederland heel keurig en humaan zijn. Dat klopt. Het is heus niet zo dat je op dag één al begint met waterboarden.
“Maar de beweging die je maakt als je iemand een klap geeft, begint hier (houdt haar hand in de lucht, red.).
“Als je pas begint met registreren op het moment dat een hand een wang raakt, en doet alsof het dáár begon, dan zit je fout.
“Tijdens de héle zwaaibeweging van die hand lang kan je ingrijpen. Als organisatie, als leidinggevende, als omstaander.
“Maar dan komen we terug bij het punt dat het efficiënter is om het op deze manier te doen. Want het kost minder tijd, aandacht, twijfel. We moeten door.”
Toen we mailden om af te spreken voor dit interview schreef je dat je het een gek idee vindt dat iedereen nu zomaar rondloopt in wat voelt als je “ouderlijk huis”.
“Van je ouderlijk huis weet je vaak nog blind waar alles stond, hoe je moest lopen en welke tredes kraakten. Dat heb ik met dit gebouw.
“Bovendien ben ik hier volwassen geworden. Ik was 21 jaar toen ik hier begon te werken. Ik ben hier opgevoed op een manier die mijn eigen moeder nooit voor ogen had.
“Toen mijn vader overleed – ik was acht – bleef zij alleen achter met vier kinderen. Ze besloot toen dat ons gezin een democratie zou worden.
“Zij had geen zin om het staatshoofd uit te hangen, terwijl ik in die periode net veel behoefte had aan iemand die richting gaf, met duidelijke, strakke regels. Mijn moeder was fantastisch, maar dát deed ze niet.”

Het hiërarchische systeem van de gevangenis was ideaal voor jou?
“Ik floreerde er. Achteraf gezien is het eng, maar toen vond ik het heel prettig.
“Ik had een paar beschadigende jaren achter de rug, onder invloed van een oudere man die mij had verteld wie ik was, wat ik kon, en vooral wat ik níét kon.
“Niemand zou ooit van me houden, dat soort dingen. Vier jaar lang heeft hij mijn brein kunnen vormen. Ik was braakliggend terrein.”
Die destructieve liefdesrelatie leek ook een soort gevangenis. Toch heb je lang gedacht dat het iets moois was.
“Ik heb het nog jaren als een romantisch, zelfs literair verantwoord gegeven beschouwd dat hij mijn eerste liefde was.
“Pas toen ik zelf zijn leeftijd had, veranderde dat: ik was 43, en mijn zoon was 17, zo oud als ik was toen de relatie begon. Maar hij was nog een kind! Dat was schokkend.
“Omdat ik mezelf toen natuurlijk helemaal niet beschouwde als een kind. En hij zag – uiteraard – hoe bijzonder ik was.
“Dat is hun troef, dat ze je dát gevoel geven. Het was wat ik het allerliefste wilde: dat iemand mij bijzonder vond.
“Dat ik geen vader had, speelde een grote rol. Al heb ik dat toen altijd ontkend. Ik vond het benepen en burgerlijk als mensen het een vadercomplex noemden.”
“In ieder geval: de gevangenis bood me toen grip, overzicht, stabiliteit, betrouwbaarheid. En, niet te onderschatten: de ongelooflijke charme van het uniform.”
Het feit dat je niet meer hoefde na te denken over wat je moest aantrekken, of de macht van het uniform?
“Macht en niet hoeven nadenken zitten vaak in hetzelfde clubje. Het is heel lekker om niet te hoeven nadenken.
“Overal waren regels voor en die volgde ik gewoon. Ik was echt een fanatieke ambtenaar.
“En op papier klopte het: op papier was die vrouw te laat en moest ze dus geweigerd worden.
“Soldaten die bevelen opvolgen denken vaak ook dat ze heel goed bezig zijn.
“Ik wil het niet erger maken dan het is, maar het zijn toch allemaal trekjes van dezelfde narigheid.”
Wanneer ben je er anders over gaan denken?
“Pas jaren later, toen ik er niet meer werkte. Toen ik zelf een kind kreeg en merkte hoe een leven kan lopen. Vergeet niet: je hersenen zijn nog niet eens volledig gevormd als je 21 bent.”
Magisch denken
Vijf jaar werkte Perquin als cipier, daarna werkte ze nog vijf jaar voor justitie in een kantoorfunctie. Intussen schreef ze, “zoals ik sinds mijn achtste altijd had geschreven”: dagboeken, verhalen en gedichten. Eén keer per week ging ze naar de schrijversvakschool in Amsterdam.
“In de gevangenis leer je heel scherp te kijken, en dat is nuttig voor een schrijver. Je kijkt naar lichaamstaal, gezichtsuitdrukkingen, de indeling van de ruimte, je vraagt je af: wat kan er gebruikt worden om mee te gooien?
“Je ziet alles omdat dat noodzakelijk is voor je eigen veiligheid.
“Bovendien is de gevangenis in zekere zin de wereld, maar dan samengebald. Alles wat er gebeurt, is van betekenis. Ieder woord heeft zijn gewicht. Alles heeft gevolgen. Alles heeft invloed op elkaar.
“In die zin lijkt het erg op hoe een gedicht in elkaar zit.”
Je personage Ela werkt aan een “ontsnappingsboek”. In de roman geef je flarden mee van haar research.
“Bijvoorbeeld een krantenbericht over een man die met een pistool het huis van een vrouw binnendringt en haar probeert neer te schieten, maar de kogels vallen uit zijn wapen.
“Dat verhaal maakte diepe indruk op me als kind: er kan dus tussen jou en de dood iets komen te staan. Een technisch mankement. Toeval.”
“Ik was al veel bezig met de dood omdat ik op mijn achtste mijn vader verloor. Misschien zocht ik in dat artikel naar grip, of een manier om me te verzoenen met het idee dat er geen orde is, maar dat het ook ten goede kan keren.
“Elk klein dingetje kan een gevolg hebben. Hoe jij een winkelwagentje terugzet kan er – zonder dat jij de keten van gebeurtenissen ziet – invloed op hebben of iemand vanavond al dan niet levend thuiskomt.
“Het idee dat aan al je daden een kettingreactie vastzit waar je geen zicht op hebt, vond ik beangstigend.”

Verlamde die angst je?
“Nee, want dankzij dat artikel wist ik: er gebeuren ook voortdurend dingen waardoor mensen elkaar redden van een noodlot. Dat stemde me dan weer heel vrolijk. Want dan ben je zonder dat iemand het ziet een superheld.”
“Lange tijd dacht ik: als ik niet bang ben in deze bus, dan botsen we. Dus het was mijn taak om bang te zijn, namens iedereen die gewoon snoepjes zat te eten op het schoolreisje.”
Het magische denken dat kinderen altijd een beetje hebben, werd bij jou versterkt door de dood van je vader?
“Ja. Aan magisch denken zitten natuurlijk wat megalomane aspectjes: dat je in je eentje die hele schoolbus op de weg houdt, is een wonderlijk idee.”
Wat een verantwoordelijkheid voor een kind.
(grappend) “Ja, daar zijn schrijvers vaak heel goed in: verantwoordelijkheid, schuld, piekeren, zelfhaat, alcoholisme, suïcide. Dat zijn, zeg maar, onze hobby’s.”
In het beste geval weerhoudt het schrijven je van de suïcide.
“Schrijven is een goede manier om na te denken. Al schrijvend orden je je gedachten en indrukken.
“Ik denk dat mensen om twee redenen beginnen te schrijven. Er zijn zij die iets nieuws willen creëren – de scheppende schrijvers – en zij die vooral bezig zijn met bewaren, behouden en sorteren, de archiverende types.
“Ik was absoluut van de laatste school. Zo is voor mij het schrijven in ieder geval begonnen: ik wil bewaren wat ik nog heb.”
En terwijl Perquin die woorden uitspreekt, ziet ze op een raam nog de oude letters staan: ‘Huis van Bewaring’. “Dat verzin je toch niet?”
Na een kronkelende wandeling in de tuin zijn we aan de hoofdingang beland.
“Dit is het voorportier, hier heb ik veel diensten gehad. Daar heb je de wachtruimte en de bezoekzaal. Hierboven zitten de directiekamers en de vergaderzaal.”
De deur is gesloten, Perquin gluurt door het raam.
“Zo gek,” zegt ze, “ik zie een man in de gang, alsof er een boef ontsnapt is. Een héél onprettig beeld. Hij hoort daar helemaal niet te lopen.”
De man opent de deur en vraagt of we even willen binnenkomen.
De gang is nauwelijks veranderd, zegt Perquin. Achteraan vinden we drie oude kaders op de grond. Het is de gedragscode voor de cipiers die vroeger aan de muur hing, ter herinnering aan de morele uitmuntendheid die van hen werd verwacht.
We lezen: “Wij gaan respectvol met elkaar om”, “Wij hebben verantwoordelijkheidsgevoel”, en “Wij werken aan een transparante organisatie”.
Perquin lacht. “O ja, ik was zo transparant en respectvol en verantwoordelijk.”
Boevenbingo
Een misdrijf komt meestal niet uit de lucht vallen. Er zijn veel indicatoren voor criminaliteit, schrijft Perquin in haar roman.
“De boevenbingokaart waarop je de armoede, de afwezige vader, verwaarlozing, een achterbuurt en minstens één ontwikkelingsstoornis vrijwel altijd af kon kruisen.
“Als ik de verhaallijn van een willekeurige gedetineerde ver genoeg terug kon volgen – van de plaats delict naar zijn eerste stapjes – waren er zo veel opzichtige aanwijzingen, zo veel overeenkomsten met zijn medegedetineerden, dat het absurd leek dat niemand hem halverwege op de schouder had getikt om te zeggen dat hij de verkeerde kant op bewoog.”
Ingrijpen kan op veel momenten, maar al te vaak wordt er gewacht tot het te laat is.
“Woedend maakt dat me. Preventie is natuurlijk zeer onsexy: je kunt als politicus niet scoren met dingen die níét zijn gebeurd.
“Politieagenten krijgen ook nooit bloemen omdat ze dertig doden hebben voorkomen dat jaar.”

“Politici doen net alsof die boevenbingokaart er niet is. Het klinkt gewoon beter om te zeggen: we gaan keihard straffen.
“Maar als je de criminaliteit wil terugdringen, zit de grootste winst in preventie.
“Het gaat bijvoorbeeld om armoede en bevolkingssamenstelling in een wijk.
“In godsnaam, gebruik de cijfers die we hebben uit de jeugdzorg. Het is zo’n verspilling van menselijk vermogen.”
“Ik heb het zelf meegemaakt met een van mijn zoons. Op een bepaald moment stapte ik naar een hulpverleningsorganisatie met de vraag om in te grijpen, want ik was bang dat het fout zou lopen.
“Hun antwoord: we wachten liever tot het misgaat, dan kunnen we pas actie ondernemen. Bovendien, zeiden ze, bent u een toegewijde moeder, dat is een geruststellende factor.”
De boodschap was: los het zelf op.
“En ik héb het opgelost – hij is een fantastische, lieve jongeman nu.
“Maar als het was misgegaan, zou ik die moeder zijn geworden die haar zoon moest bezoeken in een inrichting.
“Dan zou ik één minuut te laat komen en iemand treffen die zei: u mag er niet in mevrouwtje, u bent te laat, u bent een slechte moeder, want u hebt een boef gebaard.”
“Nu heb je kunnen zien hoe mijn hoofd werkt”, zegt Perquin.
“Als je ergens lang genoeg over praat, zie je overal verbanden, zie je dat alles samenhangt.
“Alles draait om macht.”


Lees ook
Lees ook
Klik op de hyperlinks hieronder
en vind meer berichten
Bron: De Standaard