Achilles Cools schrijft boeken waarin je eindeloos kunt rondwandelen. De kunstenaar en legendarische kauwenkenner blijft ons onvermoeibaar verwonderen over dat wat zomaar aan onze voeten ligt: de wereld. “We moeten gewoon opnieuw leren kijken”, zegt hij van op zijn Kempense “zandkasteeltje”.
Guinevere Claeys – De Standaard
30 juli 2026
Leestijd: 18 min
De plek
In de reeks ‘De plek’
zoeken we auteurs en hun landschap op,
om over hun schouder mee te kijken
naar wat ze zien wanneer ze schrijven.
“Kauwenkoppels maken elkaars zinnen af,
prachtig toch?”
Achilles Cools
Achilles Cools laat zich niet zomaar vinden.
Hier in het natuurgebied De Liereman in Oud-Turnhout is de gps zijn almacht kwijt, je hebt de routebeschrijving nodig die hij zorgvuldig heeft opgesteld.
Best confronterend hoezeer het weer wennen is om niet langer simpelweg de blauwe lijn op het scherm te kunnen volgen.
Ik moet letten op een witte bungalow links, daar net achter een zandpad inslaan en dat “door dennen en heide 900 meter blijven volgen” (hoe ver is 900 meter nu weer?), later moet ik “100 meter verderop” (ook dat schat ik te kort in) rechts een weg inslaan “tegenover een heide met boomopslag”.
Wanneer ik aankom, heb ik me al de ogen uit de kop gekeken.
Alsof de routebeschrijving deel is van het plan van de man die al een halve eeuw, en nu meer dan ooit, zijn medemens net daarin probeert te herprogrammeren: in kijken. Echt kijken.
“Naar buiten gaan en de aandacht richten op wat daar leeft. Daar daadwerkelijk naar kijken. Dichter bij het geluk kun je nooit komen.”

Als een bezetene
Achilles Cools knippert met de ogen wanneer hij me buiten aan de poort verwelkomt, hij komt rechtstreeks van de schrijftafel.
Al de hele dag heeft hij zitten werken aan zijn volgende boek. Over de vink, deze keer, “het is zo goed als af”.
Hij kan het zelf niet verklaren, zegt hij, maar al de hele julimaand is hij als een bezetene aan het schrijven.
“Ik kan aan niets anders denken. Soms begin ik om zes uur en ben ik nog altijd bezig wanneer het donker wordt.
“Ik ben zowat met drie boeken tegelijk bezig. Straks word ik 77, ik schrijf al zo’n veertig jaar, maar nog nooit zo obsessief als nu. Ik moet gewoon nog zo veel vertellen. Er is nog zo veel dat ik wil delen.”
Achilles Cools
- (1949)
- Is kunstschilder, beeldhouwer, graficus, schrijver, dichter en natuurfilosoof.
- In zijn kunst staat de natuur centraal, net als in zijn boeken.
- Zo schreef hij onder meer De vogelserie, over de kauw, de goudvink …

Pas verscheen Door de ogen van een vogel, dat net als zijn vorige boeken leest als een weldadige buitenwandeling, hand in hand met iemand die al een leven lang de natuur observeert en bestudeert.
“Ik ben een autodidact”, benadrukt hij, en misschien zit daar wel net het onderscheid: autodidacten houden nooit op, want autodidacten voelen zich nooit volleerd.
Over heggenmussen, grutto’s, raven, roodmussen, kraanvogels, parelduikers, wevervogels, bijeneters, bonte vliegenvangers, en de vele andere vogels waarover Cools in dit boek vertelt, denk je nooit nog op dezelfde manier (als je er ooit al aan had gedacht).
De toon waarmee hij schrijft, is niet anders dan de toon waarop hij praat: zacht en popelend, en met een vergevingsgezinde ondertoon voor die hedendaagse slechtziendheid en onwetendheid van ons.
Geen wrevel of verbittering daarover, alleen maar mededogen, want “wat een gemis”.
“De mentale verstedelijking”, zo noemt hij dat, “is al jaren aan het oprukken.
“‘De buiten’ lijkt iets van vroeger.
“Vraag iemand op straat om vijf automerken te noemen en die zal dat kunnen. Vraag diezelfde mens om vijf bomen of struiken uit zijn straat te noemen, en dat wordt al veel moeilijker.
“We moeten opnieuw naar de wereld leren kijken, en niet langer alleen naar onszelf. Er is zo veel om te ontdekken daarbuiten.
“Ik kan je zo tien verhalen vertellen over al wat hier nu aan onze voeten staat.” Hij kijkt me even aan.
“Wil je er eentje horen?”
Heel graag.
“Ik zie je naar die heldergele bloemetjes kijken, dat is blaasjeskruid, dat wist je vast wel. Welnu, dat blaasjeskruid, een zogeheten vleesetende plant, is het snelste levende wezen dat er bestaat.
“Elk microscopisch diertje dat voorbij zwemt, kan die plant met een ruk naar binnen zuigen aan een snelheid die onmogelijk geëvenaard kan worden. Geen cheeta of slechtvalk die dat haalt.
“Blaasjeskruid is de absolute wereldwijde snelheidskampioen. En dat staat hier gewoon aan onze voeten!”
We zijn na een kwartier nog altijd maar vijf meter verder geraakt in de tuin.
Twintig jaar intussen wonen hij en zijn vrouw (en kunstenaar) Brénine hier in het hart van De Liereman, in een indertijd zeldzaam vergunde woning.
“Een hut in een uitgeholde heiduin is het in feite, maar je kunt het net zo goed als een zandkasteeltje zien.”
Het is een wonderlijk overwoekerd huisje dat zich lijkt te schamen voor de eigen aanwezigheid en zijn uiterste best doet om volledig op te lossen in het groen.
Het eist zelf amper ruimte op en gunt nagenoeg alle 3.500 vierkante meter van het domein aan de zorgvuldig beheerde ‘sponstuin’, met vele aangelegde plassen die het koppel gestaag blijft aanvullen, zeker in deze aanhoudende droogte.

“De Liereman is dramatisch uitgedroogd, ons sponstuintje is een toevluchtsoord voor veel soorten.
“We hebben puttertjes, goudvinken, gekraagde roodstaarten, bonte en grauwe vliegenvangers die broeden.
“IJsvogeltjes komen hier vissen, en ’s avonds en ’s nachts komen nachtzwaluwen drinken, samen met hele hordes vleermuizen.
“Het fungeert hier als een mini-oase, ook voor planten.
“Kijk hier, koningsvaren en schroeforchissen, daar het heftige geurende moerashertshooi, ginder zie je de dopheide een beetje bloeien, hier nog schermhavikskruid, en die blauwe verderop, dat is natuurlijk klokjesgentiaan.
“Veel soorten staan op de rode lijst van bedreigde en dus beschermde planten.
“Van de waterlobelia, daar midden in het water, blijven in België nog maar twee natuurlijke vindplaatsen over, waaronder het vennengebied hier in De Liereman.
“Daar staan een twintigtal plantjes, hier in mijn plas staan er 1.583.”

© Elke Pannier
U hebt ze geteld?
“Ik ben in het water gaan staan om ze te tellen, ja. Valt mee, hoor. In een halfuurtje was ik klaar.”
Achilles Cools noemt elk levend wezen bij naam, en dat doet hij met een confronterende vanzelfsprekendheid.
“Waarom willen we alleen mensen bij naam kennen?
“Hoe weten we welke wereld we moeten beschermen als we geen idee hebben hoe die eruitziet?
“Weten wat en wie ons omringt, daar begint het mee. De soorten herkennen. Maar daar houdt het nog niet op. Na de herkenning moeten we ze ook echt willen leren kénnen.
“Ik vind het soms een beetje jammer dat het veel vogelliefhebbers alleen om het ‘spotten’ te doen is. Zo veel mogelijk soorten zien, en nog het liefst de zeldzaamste. Alsof de zeldzaamheid van een vogel zijn belang bepaalt.
“Élke soort is zeldzaam als je zijn verhaal kent. Zoals dit blaasjeskruid, dat het snelste ter wereld is.
“Ik ben net erg gehecht aan het alledaagse. Want daarin schuilt het wonder. De wereld is overal. Ook vlakbij.”
Tussen de kauwen
Er is één soort, de kauw, die Cools als weinig anderen heeft leren kennen.
Hij schreef er in 1992 zijn allereerste boek over, Kauwen in de spiegel, dat talloze herdrukken blijft krijgen – dit najaar opnieuw, onder de titel De kauw – en dat zeker in Nederland is uitgegroeid tot een standaardwerk – onder andere Tommy Wieringa blijft enthousiast citeren.
Jarenlang leefde Cools tussen een kolonie kauwen die hij nauwgezet bestudeerde. De kolonie, met op haar hoogtepunt zeventig kauwenkoppels, huisde in een vijf meter hoge toren die hij bovenop zijn toenmalige huis in Geel had gebouwd.
De kolonie was gestaag blijven aangroeien omdat Cools wijd en zijd bekendstond als de man die tamme kauwen kon rehabiliteren.

“Het is lang niet ongewoon geweest om thuis een tamme kauw te hebben. Ik had er zelf een toen ik veertien was. Die volgde mij werkelijk overal.
“Een kauw die in zijn eerste jaren door mensen is opgevoed, en dus een menselijke imprint heeft, die voelt zich geen vogel, die voelt zich mens.
“Hij volgt de mens, baltst voor de mens, hecht zich aan de mens, en hij zou uiteindelijk ook met hem willen paren.
“Hij wordt erg jaloers op iedereen die in de buurt komt, en kan al eens agressief uithalen.
“Het vergt ontzettend veel moeite, en geduld, en tijd, soms jaren, om zo’n kauw weer te helpen integreren in een kolonie soortgenoten.
“Honderden van die tamme kauwen, die mensen en vogelopvangcentra mij kwamen brengen, heb ik zo begeleid.
“En mij gaf dat intussen het unieke perspectief om ze van heel nabij te leren kennen.”
Het is een liefde die zou blijven duren. In elk boek, ook nu weer, komt de kauw nadrukkelijk terug. Wat maakt hem zo bijzonder voor u?
“(Zucht en glimlacht) Ik weet niet waar te beginnen.
“Kauwen hebben me zo ontzettend veel geleerd, over hen, ook over mezelf. Ik heb ze als uitgesproken individuen leren kennen, elk heeft zijn eigen persoonlijkheid.
“Alleen al hun liefdesleven is zo bijzonder. Ze zijn strikt monogaam, maar gaan ook door echtscheidingen, beleven driehoeksverhoudingen. En ze zijn razend intelligent.
“Ooit zette ik een grote spiegel naast hun toren om te zien of ze zichzelf herkenden, en dat bleek onmiskenbaar het geval. Sommige genoten er zelfs echt van om zichzelf bezig te zien.
“Dat bewees op zijn minst al dat ze een vorm van zelfbesef hebben, misschien zelfs van zelfbewustzijn.
“Ook hun taal is indrukwekkend. Met duizenden opnames en sonogrammen heb ik hun communicatietaal geregistreerd en zo veertig verschillende roepen kunnen onderscheiden.
“Koppels maken zelfs elkaars zinnen af, dat is prachtig om te horen.”
“Oh (hij kijkt omhoog)!
“Ik hoor een raaf. Hier moet ergens een raaf vliegen. Ja, ginder, zie je hem? Daar vliegt hij. En ik hoor er nog een. Ja kijk, daar is een tweede. Schitterend toch. Het blijft me ontroeren om ze te zien. Zeker ook om ze te horen, wat een machtige klanken.”
“Ik kan mij geen mooiere comeback van een vogel voorstellen”, schrijft u in uw boek.
“Ik had nooit durven te geloven dat ik in mijn leven nog raven zou zien. Hier in Vlaanderen toch.
“De helft van het jaar wonen mijn vrouw en ik op onze finca in het Spaanse Extremadura en daar zijn ze nooit weggeweest. Maar hier wel, hier was de raaf helemaal verdwenen. Uitgeroeid.
“De raaf werd gezien als onheilsbrenger. Elke manier om ‘de vogel des doods’ af te maken, was legitiem.
“Dat de soort versneld is uitgedund, had ook te maken met de levenslange trouw van de raaf aan zijn partner. Als een raaf werd afgemaakt, dan bleef de andere voor altijd treuren. Die ging niet meer op zoek naar een nieuwe partner, en dus stopte ook de voortplanting.
“Dat hij nu toch terug is, maakt me oprecht gelukkig. De raaf is verreweg de slimste van alle vogels. De kauw heeft veertig woorden, de raaf heeft er tachtig.
“Raven geven elkaar zelfs namen via een persoonlijke herkenningsroep. Als ze ergens na een lange tijd komen aangevlogen dan roepen ze al van ver hun naam. Aan de manier waarop de andere antwoordt – blij of nors – weet hij of hij welkom is of niet.”
Mogen we de terugkeer van de raaf als een hoopvol teken zien?
“Er zijn enkele iconische soorten die hier door de mens waren uitgeroeid, en die we de laatste jaren zien terugkeren.
“De raaf, de oehoe, de zeearend, kijk ook naar de wolf.
“Dat vind ik op zich hoopvol. Ik geloof dat ik als zeventiger tot een generatie behoor die het dieptepunt heeft meegemaakt.
“De biodiversiteit zal nog een tijdlang blijven dalen, maar ik denk dat er een kentering kan komen zodra de vee-industrie verdwijnt – die stille misdaad van de mensheid die maar elke dag blijft doorgaan.
“Ooit kijken we daar met diepe schaamte op terug.
“Zodra de vee-industrie zoals we die nu kennen verdwijnt, gaan we heel veel landschap terugkrijgen.
“Alleen al die vele maïsvelden kunnen dan weer worden ingeruild voor natuur en natuurvriendelijke landbouwgronden.”
U bent al lang vegetariër?
“Vijfenvijftig jaar intussen. Aanvankelijk was dat niet evident. Mensen vonden me maar raar. Op feesten kreeg ik alleen sla om te eten. Dat kon ik altijd wel begrijpen, hoor, ik vond dat niet erg.
“De laatste jaren is dat natuurlijk helemaal veranderd. Wat een schitterend alternatief aanbod er bestaat.
“Ook dat is iets wat me hoopvol stemt. Het begint meer en meer mensen te dagen dat de vee-industrie onhoudbaar is.
“Ik wil de schouders niet laten hangen. Alles is nog niet verloren. We hebben de kracht en de mogelijkheid om het tij te keren, alleen moeten we dat ook echt willen.
“Daarvoor zullen allicht eerst nog rampen moeten gebeuren, en die zullen gebeuren. Maar dan kan het rap keren.
“Kijk waartoe de mens allemaal in staat was tijdens de coronacrisis. En zelf blijf ik graag geloven dat niet alleen rampen ons wakker kunnen helpen schudden, maar ook schoonheid.
“Daarom blijf ik maar mensen aanmoedigen om te kijken naar al die pracht die zich daarbuiten zomaar aandient.
“Helaas is de natuur gratis, denk ik soms. Wat gratis is, wordt in ons systeem niet gewaardeerd.”

Kijken is een rode draad in uw leven. Bent u er als kunstschilder bovengemiddeld in getraind?
“Tekenen is altijd mijn manier geweest om naar de wereld te kijken. Ik kon eerder een paard tekenen dan dat ik het woord kon uitspreken.
“Mijn ouders waren arbeiders, er hing helemaal geen creatieve of intellectuele sfeer in huis, en toch deden wij, de vier kinderen, niets anders dan tekenen.
“We hadden geen wit papier in huis, dus tekenden we de randen van de krant vol. Of op de onderkant van het tafelblad. En als er een doodsbrief kwam, dan was het pas echt feest: dik sneeuwwit papier met een kader rond. Daar vochten we voor. We gebruikten alles wat we konden vinden.
“Dicht bij ons huis was een stortplaats, en soms denk ik dat daar mijn drang tot maken en creëren pas echt is geboren. Met alles wat ik daar vond aan afval maakte ik dingen, haringkoppen of varkensblazen, het maakte niet uit.
“Zelfs met ‘bezoars’ ging ik aan de slag, dat waren haarballen die in de maag van kalveren zaten en die er in de slachterij werden uitgehaald.
“Hele bergen van die harde ballen lagen er op het stort en daar maakte ik allerlei constructies mee.
“Ik heb het later stevig bij mijn ouders moeten bepleiten om naar de academie in Antwerpen te mogen gaan, en tijdens mijn studies stond ik er grotendeels alleen voor, maar het had niet anders kunnen lopen.
“Alleen in een creërend bestaan zou ik aarden, wist ik.”
Hoe is het schrijven erbij gekomen?
“Ha. Dat dank ik aan wijlen filosoof Jaap Kruithof.
“Hij had een pluralistische denkgroep opgericht die in de jaren tachtig maandelijks bij hem thuis samenkwam om over allerlei mondiale onderwerpen te discussiëren.
“Er waren nog andere filosofen bij, onder wie Etienne Vermeersch, en schrijvers zoals Ward Ruyslinck, economen, wetenschappers, en één kunstenaar. En dat was ik.
“Iemand bracht een exposé, en daarna bediscussieerden we dat tot diep in de nacht. Ongelooflijk hoeveel ik daar heb geleerd.
“Op een bepaald moment werd besloten om een boek te maken, waarvoor iedereen een bijdrage van zestien pagina’s moest leveren.
“Ik had geen benul waarover ik het moest hebben, en het was Kruithof die me aanspoorde om het over mijn kauwen te hebben. Zo ben ik beginnen te schrijven en voor ik het wist, had ik zestig pagina’s.
“Dan maak je er maar een boek van!”, zei Kruithof.
“Dat gezamenlijke boek is er nooit gekomen, maar mijn debuut dus wel. (glimlacht)
“Uit die denkgroep, waartoe toen ook de jonge moraalwetenschapper Michel Vandenbosch behoorde, is later de dierenrechtenorganisatie Gaia gegroeid.
“Vandenbosch had mij bij de oprichting tot voorzitter gebombardeerd, maar ik heb dat uiteindelijk maar drie jaar gedaan. Ik verkoos toch weer de luwte en de stilte van het kunstenaarschap.”

En dan veert hij plots op van de tuintafel.
“Ik hoor een wespendief.” Hij neemt zijn verrekijker. Knikt.
“Daar. Recht boven ons nu. Hij is nog jong.”
Hij geeft me de verrekijker en maant me aan goed op de dwarse strepen te letten.
“Helemaal anders dan bij een buizerd.”
Hij vertelt nog een tijdlang over de wespendief en na amper twee antwoorden over zichzelf zijn we dus alweer bij de vogel beland.
Hij glimlacht.
“We hebben het al zo vaak over onszelf. Waarom willen we het altijd maar weer over de mens hebben?
“Zet de televisie op en je ziet mensen. Lees kranten en je leest over mensen. Kijk op sociale media en natuurlijk: mensen.
“We maken onze wereld zo klein. Terwijl er zoveel andere soorten bestaan.
“Van de 2,1 miljoen levende soorten die zijn beschreven, zijn amper 5.500 soorten zoogdieren, en één, één!, daarvan is de mens.
“In ons eeuwige zoeken naar betekenis hebben we onszelf wijsgemaakt dat wij het enige dier zijn dat echt van belang is.
“We vinden onszelf zo ontzettend uniek en superieur, maar dat hangt er toch maar vanaf vanuit welk perspectief je het bekijkt.
“De mestkever bijvoorbeeld, die op zijn voorste poten achteruit kan lopen terwijl hij een rollend balletje mest tussen zijn achterpoten houdt, die vindt ons wellicht maar erg matig als hij ons met onze uitwerpselen bezig zou zien.
“Het enige wat de mens echt onderscheidt van de andere soorten is ons vermogen tot soortoverschrijdende empathie.
“Dat is een unieke, en meteen ook de mooiste eigenschap die we hebben. Alleen zouden we er veel meer gebruik van moeten maken.”

De kunst van de wetenschap
Nu we in beweging zijn gekomen, wil hij liever niet weer gaan zitten. Hij stelt voor om een kleine wandeling in De Liereman te maken, hij geeft me een verrekijker.
We zien kruisbekken en groene spechten, “de veldleeuweriken laten zich helaas niet zien vandaag door de felle wind”.
Onderweg vertelt hij nog over de overweldigend mooie bijeneters die hij in Spanje te zien krijgt.
Al meteen bij de aankoop van de finca in 2018 had hij 20 ton zand besteld om voor die bijeneters een broedwand aan te leggen. Het jaar daarop had hij al 44 paartjes te gast.
“Ik lok alles wat ik kan lokken. Op een manier waar de vogels zelf bij winnen, natuurlijk, en ik uiteindelijk ook. Het geeft me de kans ze te bekijken en te bestuderen. Op mijn eigen vrije, vragende manier.
“Mensen vragen me soms of ik niet beter bioloog was geworden. Een gediplomeerde wetenschapper. Maar ik ben net liever een kunstenaar die aan wetenschap doet.
“Bij wetenschap gaat het erom beantwoordbare vragen te beantwoorden met een streven naar waarheid.
“Kunst gaat er net om onbeantwoordbare vragen in een mooie vorm te gieten en die voor altijd onbeantwoord te laten.
“In mijn boeken zitten beide. Net omdat ik geen officiële wetenschapper ben, kan ik me dat permitteren. Die vrijheid is me enorm dierbaar.”
Uiteindelijk, om de cirkel rond te maken, rijden we nog even naar zijn Kauwenhuis in Geel. Daar woont nu, als huisbewaarder, de dochter van Brénine.
“Dit is geen huis om alleen te laten, al zeker niet zes maanden lang. Mijn beelden staan hier in de tuin, mijn atelier en tentoonstellingsruimte zijn hier nog.
“En in de toren wordt nog altijd gebroed, nu door een kerkuil, de kauwenhoogdagen zijn natuurlijk al lang voorbij.”


Op zijn schilderijen in de tentoonstellingsruimte blijft de kauw wel onverminderd de hoofdrol spelen. Af en toe zijn kauwen te zien met mensenbenen.
“Dat is hoe ik mezelf soms zie”, glimlacht hij.
“Als een trans kauw. Ik heb me zo lang zo diep ingeleefd in de kauw dat ik me soms deel van de soort voel.
“Mijn bewondering blijft eindeloos, mijn dankbaarheid ook. Zij zijn het die me finaal geleerd hebben dat je de sensationeelste dingen vaak gewoon in de eigen tuin kunt zien.
“Iedereen vindt een zonsverduistering spectaculair. Maar nog duizend keer spectaculairder vind ik een teunisbloem die zich bij valavond open plooit, vol verlangen naar de nacht.
“Dat is van het adembenemendste dat ik ooit heb gezien. Zomaar bij mijn achterdeur.”


Lees ook
Lees ook
Klik op de hyperlinks hieronder
en vind meer berichten
Bron: De Standaard