Johanna Pas – Ik ben waar ik wil zijn – En ook dit zal ik intens beleven


Dichter Johanna Pas, tot voor kort het hart van de Antwerpse lgbti-boekhandel Kartonnen Dozen, resideerde onlangs in Watou. Ze schreef er over hoe te leven met de wetenschap dat je maar weinig tijd meer rest. ‘Ook hiervoor zal ik woorden zoeken, zelfs al ontsnappen ze me nu.’

Johanna Pas – De Standaard


´Ik ben waar ik wil zijn. En ook dit zal ik intens beleven´

Johanna Pas


Het licht valt laag en lang over de bevroren velden. De schaduw van de bomen trekt strepen op het witte gras. Twee mutsen houden mijn kale hoofd warm, maar het is spekglad en ik ben blij dat ik een stok heb om de gevoelloosheid in mijn tenen te compenseren als ik vanaf Het Huis van de Dichter naar het dorpsplein van Watou loop.

Dit is een oer-Vlaams dorp – de kerk, de cafeetjes, de kasseien – maar het onderscheidt zich van gelijkaardige dorpen door de overvloed aan poëzie en kunst op elke straathoek, restanten van het Kunstenfestival dat hier elke zomer plaatsvindt.

Het is de ideale plek om de stad even de rug toe te keren en te ­focussen op mijn eigen gedichten. In dit dorp vol poëzie, in Het Huis van de Dichter, waar ik de aanwezigheid van illustere voorgangers voel.

Hier lijkt de tijd stil te staan, maar het contrast met de vorige keer dat ik hier was kan nauwelijks groter zijn.

Het is de zomer van 2017. Het is bloedheet. In het Festivalhuis hangt een gedicht van mijn alter ego, Violante Juarez Oliveira, bij een werk van Seunghwui Koo. 

People bestaat uit 12.000 met de hand gemaakte terracotta varkentjes en verbeeldt zowel de anonimiteit van een massa als de uniciteit van elk individu.

Al is het niet onder mijn eigen naam, toch ben ik blij en trots om op dit festival ­aanwezig te zijn met een gedicht.

Ik herstel van borstkanker: ik heb een volledige borstamputatie en een ovariëctomie achter de rug en neem hormoon­remmers.

Er is goede hoop dat de kanker niet zal terugkomen. Die hoop voel ik wanneer ik door Watou wandel en me laat overweldigen door de gedichten, de kunstwerken en de zomerse hitte.

Ik heb de draad van mijn leven weer op­gepakt, met mijn ­nieuwe lichaam, mijn jongenslichaam, dat vreemd ­genoeg beter bij me past dan het ongehavende ­lichaam dat ik had.

In de jaren die volgen, vind ik een nieuw soort evenwicht. Kanker heeft me een aantal jaren gedwongen om vooral met mezelf bezig te zijn. Mijn empathie heeft minimale vormen aangenomen en dat voelt tegennatuurlijk.

Al sinds ik als kind naar de antiraketten betogingen trok en op school met ­petities rondging, zit in mij een drang om de wereld te veranderen, er een betere plek van te maken.

Als lgbti-boekhandelaar schep ik er genoegen in om naar mensen te luisteren, bezig te zijn met anderen, te achterhalen wat ze nodig hebben. Alleen met mezelf bezig zijn voelt dan ook als een amputatie van een deel van wie ik ben.

Langzaam herstel ik zowel fysiek als mentaal en kan ik opnieuw mijn aandacht naar buiten richten, op de samenleving. De boekhandel die ik in 2016 heb overgenomen, doet het – mede dankzij covid-19 – steeds beter. Er is een nieuw elan. Mensen weten ons weer te vinden, appreciëren de lokale handel meer, vinden het verfrissend om een lgbti-boekhandel binnen te stappen en een ander perspectief op de wereld te ontdekken.

Ook steeds meer jonge mensen vinden de weg naar onze boeken­rekken. Het blijft worstelen, maar in de lente van 2022 lijkt het erop dat een boekhandel als de onze een goede kans maakt om te blijven bestaan.

Handleiding

En dan verandert alles. De rust, die zes jaar na de eerste kanker eindelijk was teruggekeerd, verdwijnt volkomen als de huisarts me opbelt. Ik heb mijn bloed laten onderzoeken omdat ik pijn heb in mijn lever en mijn heup, moe ben, afval.

Na het telefoontje is niets nog hetzelfde. De huisarts laat me weten dat mijn tumormerkers onrustwekkend hoog zijn en dat ik meteen een afspraak moet maken bij de oncoloog.

Het ene onderzoek volgt het andere op, in sneltreinvaart. Na elk onderzoek en bij elk gesprek blijkt de situatie erger dan ik in mijn optimisme heb verwacht.

Toch zeggen mijn lief en ik, als we weer buiten staan en in het park op een bankje zitten te bekomen en huilen: ‘Wij kunnen dit.’

Het is pas enkele dagen later, als ik na een onrustige nacht wakker word, dat ik denk: hoe doe je dit? Is hier een hand­leiding voor?

Wanhopig zoek ik naar een analogie, iets waaraan ik me kan vasthouden, iets dat me helpt, een landkaart, een beeld van iets vertrouwds. Maar het is er niet. Er is alleen maar ondoordringbaar­ struikgewas, er zijn bramen, en ik heb slechte schoenen aan en een te korte broek. Niets heeft me hierop voor­bereid. Niemand kan mijn hand vasthouden.

Ik weet niet hoe ik dit moet doen: berusten én vechten in één ­beweging. Mijn eindigheid accep­teren en tegelijkertijd proberen om nog zo lang mogelijk­ in dit lichaam te blijven, dit kwetsbare lichaam, dit geliefde lichaam. Het is een oefening die ik de komende maanden, hopelijk jaren, zal moeten maken.

Wat je in ziekenhuisseries niet ziet, zijn de uren die je doorbrengt op stoelen of in bedden, wachtend op een ­onderzoek, een gesprek met een arts, een behandeling­. De tijd is als stroop. De wereld daar­buiten lijkt niet te ­bestaan.

Wat me in die talloze wacht­kamers van ziekenhuizen nog het meest verbijstert, is dat er niet vaker iemand huilend en jammerend over de grond rolt.

(Wat ik zelf het liefst zou doen en wat ik thuis ook doe als niemand kijkt.)

Of in razernij de ­lawaaierige airco stukgooit met een van de lelijke stoelen waarop we ­allemaal veel te lang moeten zitten wachten tot we aan de beurt zijn om ons slechte nieuws te horen – in het gezelschap van onze angst, onze onzekerheid, en in het beste geval een liefhebbende vriend of partner.

Foto Sebastian Steveniers

Ik bewonder de zelfbeheersing van de anderen. Maar ik veracht ze ook. Want is het kracht of lafheid die ons dwingt om onze wanhoop zo onzichtbaar te dragen?

Zelf merk ik dat ik steeds vaker mijn vingers in elkaar verstrengel. Het is geen bidden wat ik doe, maar ik begrijp opeens het gebaar. Het vastgrijpen, houvast zoeken bij mezelf. Want ondanks de steun en de liefde uit mijn omgeving is dit iets wat ik uiteindelijk alleen zal moeten doen.

Deze angst is voor iedereen immens­ en onbevattelijk, maar als je alles intens ervaart, is hij soms bijna ondraaglijk. Het is de prijs die ik betaal voor leven met al mijn zintuigen op scherp, voor leven­ in mijn lichaam, en niet op automatische piloot. Ik zou het niet anders willen.

Ik ben waar ik wil zijn. En ook dit zal ik intens beleven. Al wens ik soms dat ik iets minder overweldigd werd door alles.

De eerste weken zijn bevreemdend en zwaar. Het dringt stilaan tot me door: ik kan het nooit meer níét weten. En het is ‘het weten’ dat alles anders maakt, dat een mentale hel creëert.

Tegelijk is het dat ‘weten’, en de mogelijkheid om in te grijpen, dat me een kans op overleving geeft.

Vacuüm

De meeste mensen kunnen zich min of meer een voorstelling maken van borstkanker: de littekens, de bestraling, de chemo.

Bij uitgezaaide borstkanker wordt het iets moeilijker.

De Think Pink-beelden van lachende vrouwen die na hun herstel de Mont Blanc beklimmen, maken het er niet eenvoudiger op om een realistisch beeld te geven van het punt waar ik nu sta: in de groep ­hervallers met uitzaaiingen, van wie 50 procent de drie jaar niet haalt, onder de pijnstillers om de pijn rond de tumor onder controle te houden, moe van het gevecht dat mijn lichaam al voert tegen de kanker, uitgeput door de mentale ­oefening om mijn ziekte te accepteren en me er tegelijkertijd tegen te verzetten.

Maar vooral: totaal gefocust op het hanteren ervan. Er is geen ruimte voor iets anders.

Uit alles is de zuurstof ge­zogen, weinig dingen zijn nog relevant. Mijn werk – dat een obsessie voor me was en me elk uur van elke dag en soms ook nacht bezighield – en mijn talloze interesses en kennissen zijn naar de achtergrond verschoven.

Er ontstaat een soort cocon rondom mij, mijn vriendin en mijn naaste vrienden, en een tunnelvisie waarin ruimte is voor maar een ding: de pijn hanteren, me mentaal voorbereiden op de chemo, en in elke dag een reden zoeken om hier te zijn en hier te willen blijven.

Wanhopig zoek ik naar een analogie, iets waaraan ik me kan vasthouden, maar het is er niet. Er is alleen maar ondoordringbaar struikgewas, er zijn bramen, en ik heb slechte schoenen aan en een te korte broek

Johanna Pas

Ik heb nooit ver vooruitgedacht. Toch is alles anders sinds ik weet dat ik opnieuw kanker heb.

Ik heb altijd de ­balans gezocht tussen willen leven en klaar zijn voor de dood. Maar zoals bij elke balans zit het evenwicht in de ­beweging. De oefening is nooit klaar. Net wanneer je denkt dat je het onder de knie hebt, dient de volgende uit­daging zich aan.

In mij is een strijd aan de gang. Niet alleen tussen mijn gezonde cellen en de kankercellen, maar ook dieper: tussen het verlangen om me over te geven aan wat natuurlijk aanvoelt – de onvermijdelijkheid van de dood – en het verlangen om te ‘strijden’, om mezelf nog een paar jaar te gunnen.

Extra time

In de traagheid van de dagen, rommelend tussen ­oude spullen in mijn huis, vind ik een fragment uit mijn verleden terug: een gedicht van Hendrik Marsman dat ooit in mijn chaotische studentenkamer aan de muur hing, boven een van de matrassen die ik van de straat had geplukt en die dienstdeden als zetel of als bed voor de mensen die in mijn kamer verloren liepen – en dat waren er nogal wat.

Lex barbarorum

Geef mij een mes.
ik wil deze zwarte zieke plek
uit mijn lichaam wegsnijden.
ik heb mij langzaam recht overeind ­gezet.
ik heb gehoord, dat ik heb gezegd
in een huiverend, donker beven:
ik erken maar één wet:
léven.
allen, die wegkwijnen aan een verdriet
verraden het en dat wíl ik niet.

Het gedicht paste perfect bij mijn toenmalige dramatische zelf. Al wist ik toen niet hoe veel toepasselijker het ooit nog zou worden.

Het verdriet waarnaar het toen verwees, was de pijn van de geest. Ik was een losgeslagen schip.

Nu kan ik nog nauwelijks begrijpen welke drama’s zich toen afspeelden. Ze lijken allemaal futiel. Maar op dat moment waren ze ontzettend en overweldigend reëel.

Het gedicht bood me een anker om met mijn periodes van diepe melancholie om te gaan, er niet aan ten onder te gaan, maar ze te zien als een kracht die maakte dat ik de intensiteit van het leven kon proeven. Met alles erop en ­eraan. In goede en kwade dagen.

Ik had nog geen idee hoe accuraat de tekst zou beschrijven welke beslissing ik op mijn 46ste en opnieuw­ op mijn 52ste zou moeten nemen: de zieke plek in mijn lichaam haar gang laten gaan, of ingrijpen.

Nu hangt het gedicht boven mijn ­bureau. In al zijn dubbelzinnigheid. Want al geeft het me moed, ik ben het ook diep oneens met de toon van het ­gedicht.

Enerzijds is het perfect voor mij. Omdat het me strijdlustig maakt, omdat het aan deze toestand een soort heldhaftigheid verleent en ik het nodig heb om me een held te voelen in dit verhaal.

Maar daarom is het nog geen ­­algemene waarheid die hier wordt geponeerd.

Wie ten onder gaat aan een verdriet of een ziekte, een mentale of een fysieke aandoening, verraadt die niet. Die was alleen te groot. Dat accepteren is ook het leven vieren zoals het is.

Het is een ander soort gevecht. Er is geen winnaar of verliezer. Soms getuigt het van meer kracht om een situatie te aanvaarden zoals ze is in plaats van je er­tegen te verzetten.

Het is vreemd hoe snel de omslag komt: van de kanker als iets buiten mij dat me aanvalt, overweldigt, naar de kanker als iets binnenin, een deel van mij, niet geliefd, maar wel van mij.

Daarom is het geen gevecht, geen strijd tussen twee partijen. Het is een krachtmeting, een veerkrachtmeting met het ­leven: kom ik dit te boven, of niet?

De dagen en onderzoeken gaan voorbij en stap voor stap kom ik tot mijn ­beslissing: ik kies om me nog niet over te leveren aan het onvermijdelijke. Zes jaar geleden kreeg ik extra time door in te grijpen in de keuze van mijn lichaam. Nu wil ik opnieuw extra time.

En ik zoek troost in het lezen van dit gedicht, maar ook in het schrijven van gedichten. Want zowel het schrijven als het lezen is een soort bezwering van mijn lot, een ritueel – een gebed zonder god.

Van het kerkplein van Watou loop ik door de snijdende kou terug naar Het Huis van de Dichter, en er voorbij.

Achter het huis is een klein kerkhof waar het monument voor Eddy Van Vliet het dorp met het landschap verbindt. De ijsbloemen maken het raam waarop zijn gedicht is aangebracht wit en maken de tekst beter leesbaar dan in die zomer ­jaren geleden:

‘Dood. Heb geen angst. Talm niet/ voor mijn deur. Kom binnen./ Lees mijn boeken. In negen van de tien/ kom je voor. Je bent geen onbekende.’

Ook deze regels troosten me, stellen me gerust. Als het moment komt, zal ik het accepteren. De dood zal welkom zijn. Maar voorlopig ben ik het nog oneens met de tekst. Op dat punt ben ik nog lang niet.

Waarom ik?

In diezelfde rommelige studentenkamer, waarin het gedicht van Marsman aan de muur hing, waarin overal kussens lagen en ik in grote letters op de muur had geschilderd ‘je voudrais avoir le courage de mes rêves’, hing ook een uitvergrote versie van een cartoon­ van Hägar.

Daarop is Hägar verwikkeld in een storm en roept hij – vanop zijn zinkende schip – wanhopig uit: ‘Waarom ik?’

Op het volgende plaatje antwoordt een stem uit de wolken: ‘Waarom niet?’

Ik verzamel momenten. Als ik in het park wandel en het licht net zó door de bomen valt, als ik vrienden ontmoet, als iemand me doet lachen, als ik even vergeet wat er in de kern van mijn lichaam woekert, dan bén ik er

Johanna Pas

Want naast het dramatische gedicht heb ik ook deze ironische blik nodig. Ik denk niet: waarom ik, of waarom nu? Wat heeft dit veroorzaakt? Wat wil mijn ziekte me vertellen?

Nee, ik denk: dit is hoe het leven is. Onvoorspelbaar. Gul en terughoudend en soms ronduit wreed. Nooit hetzelfde. Ik vraag niet ‘waarom?’ als het goede me overvalt. Ik zal niet ‘waarom?’ vragen nu dit mij overkomt.

Ook als kind en jongvolwassene al werd ik op de meest onhandige momenten ziek, misselijk, ongesteld of raar in mijn hoofd.

Ik leerde om niet om mijn ziektes heen te leven, maar met mijn ziektes mee te bewegen – zij het vaak vloekend en tierend. Ze maken deel uit van het leven, van mijn leven.

Vanaf­ het moment dat we geboren worden, worden we door alles in ons en om ons heen belaagd. Verzet daartegen is futiel en zinloos.

Uit mijn omgeving en uit boeken over kanker krijg ik de tip om ‘in het nu te leven’, het dag per dag te nemen. Ik vind het een belabberd advies. En ik vraag me af of iemand die die tip geeft zelf goed weet hoe dat moet, wat ‘in het nu leven’ inhoudt.

Foto Sebastian Steveniers

Mensen die me kennen, weten dat ik geen toekomstplanner ben. Mijn agenda vult zich pas in de week waarin ik zit. Verder vooruit kan ik moeilijk denken.

Ik heb dieptezicht voor plaats noch tijd. Ik vind de toekomst te onvoorspelbaar om er luchtig mee om te gaan en zomaar wilde plannen te maken in een verte die ik niet kan zien.

Tegelijkertijd was ik nooit goed in de beleving van het nu. Als kind ­genoot ik pas van mooie dingen als ik ze later ­beschreef in mijn dagboek. Mijn melancholische ­inborst verkoos het verleden boven het heden.

(Al kan ik sinds mijn veertigste steeds beter genieten op het moment zelf.)

Hoe dan ook, als ik in de chemozaal ben – tussen het gebliep en gepiep van de apparaten, mensen die praten, de ­radio aan, heen-en-weergeloop – en ik het vergif via een lichaamsvreemd poortje door mijn aders voel stromen, dan weet ik: ik wíl niet hier zijn. Ik wil niet in dit nu zijn.

Wat me op dat moment redt, is mijn vermogen om me mijn verleden te herinneren­ en mijn vermogen om nu wél aan de toekomst­ te denken en me daarin te verplaatsen, plannen te maken.

Wat ik ook doe, is momenten verzamelen. Als ik in het park wandel en het licht net zó door de bomen valt, als ik vrienden ontmoet, als iemand me doet lachen, als ik even vergeet wat er in de kern van mijn lichaam woekert, dan bén ik er.

Maar vooral omdat ik dat moment wil opslaan. Voor later, als ik het nodig heb om het op te roepen.

In de kerk van Watou heb ik daarnet een kaars aangestoken bij het beeld van Maria. Nu wandel ik de velden in, naar een plek waar mijn andere goden zijn.

Het is niet alleen smeken wat ik doe, bij de votiefkaarsen en in de velden. Het is ook een manier om mijn dankbaarheid te uiten. Want het is niet alleen kommer en kwel. Er is ook vreugde en dankbaarheid om wat er was en om wat er nog steeds is.

Het is moeilijk uit te leggen, maar er zijn ook goede dagen – of elke dag is ook een goede dag. Er is geen achteloosheid meer. Elk moment is een Moment. Ik neem de dingen waar. En ook de mensen in mijn omgeving lijken te vertragen.

Wie ten onder gaat aan een verdriet of een ziekte, een mentale of een fysieke aandoening, verraadt die niet. Die was alleen te groot. Dat accepteren is ook het leven vieren zoals het is

Johanna Pas

Ik ben geen boekverkoper meer en mijn activisme beperkt zich nood­gedwongen tot een minimum, mijn ­lichaam is gehavend, mijn vingers en ­tenen zijn gevoelloos … maar ik ben nog steeds een dichter.

Ook hiervoor zal ik woorden zoeken, zelfs al ontsnappen ze me nu.

Watou revisited

Dus nu ben ik weer hier, in Watou, in een uithoek van Vlaanderen, in een dorp vervuld van poëzie, ­tussen de velden. Hier voel ik geen druk meer om ­iemand te zijn.

Hier, tussen het gras en de bomen, raakt de lucht mijn huid aan en weet ik: ik ben al iemand. Ik heb niets te bewijzen.

Ik ben een organisme, tegelijkertijd eindig (ik zal sterven) en eeuwig (ik zal weer opgenomen worden in de kringloop der dingen).

Al zal ik over enkele dagen weer transformeren. Want zodra ik terug in de stad uit de auto stap, zal ik meteen weer niet meer genoeg zijn, zal ik de drang voelen om iemand te zijn, iets te dóén, me te manifesteren als schrijver.

Maar tot die tijd laat ik me drijven op de traagheid en de stilte die hier heersen. 

De tijd is slepend, groot
en breed, legt lichte
vingertoppen op mijn
huid – duwt niet, port niet
spoort niet aan om
verder hoger dieper
laat me langzaam gaan

Op 8 februari verschijnt Johanna Pas’ bundel WAS of hoe ik mijn huid verloor bij Poëziecentrum.

WAS, of hoe ik mijn huis verloor

Johanna Pas Foto Sebastian Steveniers

Meer interviews

Mentaal welzijn



Bron: De Standaard

Naar Facebook

Naar de website


Scroll naar boven