Dagen zonder broer – Jeroen Meus – Ik ben al mijn onschuld kwijt en vind geen naïviteit meer in mezelf


Het was het noodlot – kleine pik, maar een op roof voorzien gebit – dat Wim Meus kwam jatten op de laatste dag van 2021. Hij was 44, al bij al slechts een paar puffen ver in het leven, maar darmkanker is een woord dat in de Van Dale staat en geen optimistisch rijmwoord verdraagt. Sindsdien is Jeroen Meus – nu ook 44, en meer dan ooit de broer, het broertje – een kok die geen recepten meer vertrouwt. Vanaf woensdag 25 januari duwt hij Dagen zonder broer op Eén, een driedelige reeks waarin Meus onderzoekt hoeveel letters er nodig zijn om rouw te spellen: meer dan vier.

Jeroen Maris

De Morgen/Humo


In de zomer van 2018 werd je broer ziek.

Jeroen Meus: “Ik was bij het gesprek waarin de diagnose viel. ‘U bent ongeneeslijk ziek’, zei de oncoloog tegen Wim. Darmkanker.

“Mijn broer verzette zich meteen heftig tegen het woord ‘ongeneeslijk’. Dat mocht niemand nog gebruiken. Hij weigerde om te praten over de dood.

“De werkelijke betekenis van die diagnose heeft hij bewust verdrongen, denk ik nu. Het was zijn manier om toch te proberen wat niet kon: genezen.

“Die houding had heel zichtbare gevolgen.

Wim werd iemand die hij tevoren niet geweest was: een kordate optimist. Er ging een grote kracht van hem uit, een hardnekkigheid die ik alleen maar kon bewonderen.”

Was dat besmettelijke levenslust?

“Ik heb nooit écht geloofd in zijn genezing, maar ik ging wel mee in zijn trip. Om dat te begrijpen, moet je iets over onze verhouding weten.

Wim is altijd de slimste van de drie broers geweest. Dan heb ik het over zuivere intelligentie, maar ook over wijsheid: hij was een levenskunstenaar. Ik vertrouwde blindelings op hem, want hij was de man met het heldere zicht en met de zuivere intenties.

“Wilde ik naar rechts maar zei hij dat ik beter naar links zou gaan, dan koos ik voor links, zonder een spatje twijfel.

Wim was degene die er altijd voor zorgde dat ik niet verloren liep in de wereld. Dus ja, toen die broer vol overtuiging zei dat het goed zou komen met hem, geloofde ik dat.

“Of nee: probéérde ik dat te geloven. Want ik zou nooit een vraagteken plaatsen bij iets wat Wim zei.

“En los daarvan: je moet iemand met kanker het verhaal van zijn ziekte laten bepalen. Ik had, als broer naast het ziekbed, niet het recht om hem te corrigeren met de prozaïsche waarheid.”

Wordt afscheid nemen zo niet heel moeilijk?

“Eén keer heb ik Wim toch naar de dood gevraagd – of hij er bang voor was.

‘Ja’, zei hij.

“Maar daar bleef het bij: tot zijn laatste zucht heeft hij gezwegen over sterven. Op het einde liet hij ook alleen nog bezoek van zijn dichte familie toe. Een stoet van mensen aan zijn bed leek hem te veel op afscheid nemen. (Denkt na) 

“Diep vanbinnen wist hij het natuurlijk wel. Maar alleen op die manier – denken: volgende week breng ik de kinderen weer naar school – was het voor hem draaglijk.

Wim is als de mooiste versie van zichzelf gestorven. Steeds meer denk ik dat dát is wat zo’n akelige ziekte met een mens doet.

“Met het mes op de keel word je empathisch en meelevend, iemand die z’n familie en vrienden voor pijn wil behoeden. Misschien geldt het niet voor iedereen, maar toch: met de dood om de hoek komt de goedheid van een mens bloot te liggen.”

KOKEN IS PRATEN

Je noemt Wim ‘mijn magnifieke broer’. Probeer eens in woorden te krijgen wat hem zo bijzonder maakte?

“Al zijn rollen – die van echtgenoot, van vader, van zoon, van broer, van vriend, van leraar – zaten hem zo onthutsend góéd. Het leek altijd alsof Wim iets van het leven en de wereld doorgrond had waar ik nog niet bij kon.

“Ik denk zelfs dat hij een betere vader van me heeft gemaakt. Wim kon uren op de mat met autootjes spelen en daar evenveel plezier in vinden als zijn kinderen – terwijl ik dat na tien minuten zat was.

“Hij was zich er heel erg van bewust dat je kinderen herinneringen moet meegeven. Dat je ervoor kunt zorgen dat ze, wanneer ze later terugkijken, in een bassin vol gelukzaligheid tasten.

“Veel meer dan vroeger probeer ik dat nu ook te doen met Georges, mijn zoon van 10.

’s Avonds moet het thuis knus zijn: ik kook, of we spelen gezelschapsspelletjes, of we kijken samen naar E.T. of Back to the Future. Die warmte heb ik van Wim geleerd.

“Het is geen toeval dat hij een leraar was, en nog minder dat hij in het vierde leerjaar stond. Want daar kreeg hij kinderen voor zich op die prachtige grenslijn: ze hebben al een eigen persoonlijkheid, ze lopen de wereld al in, maar ze zijn nog geen pubers.

“Wat hij in die nieuwsgierige hoofdjes plantte, dat was zo mooi.

“Het eenvoudigst kan ik het zo uitleggen: Wim was waardevol. Voor mij en voor iedereen die zijn pad kruiste.”

Wat typeerde jullie band het meest?

(denkt na) “De totale afwezigheid van competitie, misschien? Er hing nooit iets van jaloezie tussen ons. Er was alleen maar wederzijdse aanmoediging. We konden ook heel goed naar elkaar kijken.

“Toen ik succes kreeg, had Wim meteen gezien dat ik, euh, misschien toch iets te parmantig met m’n kop in de wolken liep. Daar wees hij me dan op, en van hem aanvaardde ik dat.”

Hij reikte je ook voortdurend nieuwe muziek aan.

Wim was een dealer in schoonheid. Hij was voortdurend op zoek naar wat hem ontroerde en deelde dat vervolgens met anderen.

“Volgens mij was Wim de laatste die, in tijden van Spotify en YouTube, nog elke week naar de mediatheek ging om er de nieuwe muziek te ontlenen.

“Ik denk dat ze daar alleen nog de dingen kochten waarvan ze dachten: dit is iets voor Wim (lacht).

“Op woensdag beluisterde hij thuis zijn buit, koptelefoon op, en vervolgens kreeg ik het relaas: wat er was uitgekomen, wat hij mooi vond, wat ik zeker moest beluisteren.

“En elke maand maakte hij een playlist – die van december 2021 is de laatste.

“Ik luister nu nog vaak naar al de schoonheid die hij samenbracht. Zo spreekt hij nog met mij. Ik kan zijn liefde voelen in alles wat hij met mij deelde.

“We belden ook altijd heel lang met elkaar, zo’n telefoongesprek duurde standaard langer dan een uur, en heel vaak ging het dan over muziek.

“In november werd ik overvallen door een zuchtend verlangen: om nog eens zo’n telefoongesprek te kunnen voeren. Eén keer, gewoon één keer!

“Een absurde wens, natuurlijk: het kan niet meer, en bovendien zou zo’n gesprek alleen maar leiden tot het verlangen naar nóg.”

Jij deed voor Wim wat je zo goed kunt: eten bereiden.

“Toen hij ziek werd, was dat mijn eerste reflex: ik ga koken voor hem. Ik regelde een frigootje naast zijn ziekbed en laadde dat vol. Wanneer hij zich, te midden van een chemokuur, ellendig voelde, kon hij zo ten minste kiezen wat hij at.

“Koken voor Wim voelde heel intiem. Langoustines en kaviaar serveren als chef-kok, dat is het makkelijkste. Dat is het pronken.

“Maar het mooiste en moeilijkste is: koken voor wie eten nodig heeft. Het voelde essentieel.”

Waren het ook manieren om met elkaar te communiceren – jij met je eten, hij met zijn muziek?

“Zeker: koken is praten. En muziek delen al evenzeer. Maar die rituelen waren er niet omdat we te beschroomd waren om écht met elkaar te praten.

‘Ik zie u graag’: dat zeiden we altijd al gewoon tegen elkaar.

“Die kanker zorgde wel voor een nieuw soort intimiteit tussen ons. Voordien lééfden we gewoon, hè: een beetje achteloos, zonder benul van de mogelijkheid dat er wolken voor de zon zouden schuiven.

“Zodra Wim ziek werd, veranderde dat volkomen. Ik ging met hem mee naar elke afspraak met een arts en bleef op het einde heel vaak bij hem slapen in het ziekenhuis.

“We werden brothers in arms.”

‘Ik ben al mijn onschuld kwijt, vind geen naïviteit meer in mezelf. Ik ben een volgroeide, volwassen man die je niets meer
wijsmaakt.’ Beeld Johan Jacobs
‘Ik ben al mijn onschuld kwijt, vind geen naïviteit meer in mezelf. Ik ben een volgroeide, volwassen man die je niets meerwijsmaakt.’ Beeld Johan Jacobs

ZOETZURE NOSTALGIE

In de eerste aflevering van Dagen zonder broer zeg je dat je bang bent om je verdriet te verwerken. Leg eens uit?

“Intussen sta ik verder, maar aanvankelijk was dat een grote angst, ja. Je moet je verdriet een plaats geven, zeggen mensen altijd.

“Maar wat is dat, ‘je verdriet een plaats geven’? Hoe doe je dat? En vooral: ik wílde dat verdriet helemaal geen plaats geven, want ik wás dat verdriet.”

Had je het gevoel dat je je broer zou verraden als dat verdriet niet rauw en lillend bleef?

“Hm, nee, verraad is een te groot woord, en Wim zou het zeker niet zo noemen. Hij zou net niet willen dat dat verdriet zo massief blijft.

“Dat is een heel geruststellende gedachte: wat ik ook doe tijdens het rouwproces, hoe ik het ook aanpak, hij zou het me nooit kwalijk nemen.

“Nee, het gaat niet over verraad, wel over de angst om hem helemaal kwijt te raken.

“Het is een bijna kinderlijke redenering: als ik mijn verdriet verwerk, zal ik dan ook mijn herinneringen verliezen en zo mijn broer vergeten?

“Het ultieme schrikbeeld is dat ik ooit niet meer zal kunnen oproepen hoe hij klonk. Daarom heb ik in zijn laatste weken onze gesprekken opgenomen. Ik wilde zijn stem bewaren.”

Wat je onthoudt, wat je vergeet: een mens kiest z’n herinneringen niet.

“Precies, en dat vind ik behoorlijk gruwelijk. Ik herinnerde me aanvankelijk vooral zijn einde, het sterven. Heel lang is dát de flits geweest waarmee ik de dag begon en eindigde.

“Intussen heb ik dat spookbeeld gelukkig wat kunnen verjagen. Want wat er ook beweerd wordt: er is niets moois of rustgevends aan je broer zien sterven.

“Het verzoent je niet makkelijker met de dood, integendeel.

“Op dit moment zijn mijn herinneringen aan de zieke jaren heel prominent. En ook die maken me droef, natuurlijk. De viewmaster mag stilletjesaan doorklikken: ik wil het volgende beeld.

“Ik zou meer aan onze kindertijd willen terugdenken, aan de jaren waarin we gewoon vrolijke onnozelaars waren. Langzaamaan komen die jeugdherinneringen terug, maar het gaat traag en moeizaam. Het is alsof ik een videoband aan het terugspoelen ben, maar niet kan kiezen hoe snel ik dat doe.”

In mijn hoofd ga ik weleens binnen in het huis waarin mijn grootouders in mijn kindertijd woonden. Deur voor deur, kamer voor kamer. En altijd schieten me er dan details te binnen die vanonder een dikke stoflaag komen.

“Ja, zo’n reconstructie in het eigen hoofd werkt soms, hè.

“Op kerstavond 2021 zat ik aan het ziekenhuisbed van Wim, en toen zijn we helemaal teruggereisd naar onze kindertijd, naar hoe we toen Kerstmis vierden.

“We zaten weer in de Skoda van ons ma, op weg naar West-Vlaanderen, en hoorden onze grootvader zijn vaste kunstje opvoeren vanachter het luikje in de deur – ‘Wie is daar?’

“De kalkoen, de kroketten, de erwten. De middernachtmis. Het bed in de koude kamer, de flanellen dekens. Het was heel mooi om met z’n tweeën zo’n klein stukje verleden minutieus af te tasten. En tegelijk ook pijnlijk, want het is allemaal weg. Nostalgie is zoetzuur.”

Nog iets wat opvalt in de eerste aflevering van Dagen zonder broer: aanvankelijk ging je niet graag naar het graf van Wim.

“Wanneer we in mijn jeugd het graf van mijn bomma bezochten, vond ik dat een akelige bedoening. Die sacrale stilte, die verplichte somberheid…

“Er werd nooit over de dood gepraat, en daar, op die treurige plaats, was ze plots wel heel aanwezig.

“Dat werkte nog altijd een beetje door toen ik de eerste keren naar het graf van mijn broer ging. Jonge mensen gaan daar nu veel beter mee om. De kinderen van Wim picknicken met hun vriendjes bij zijn graf. Zo wordt het een plek waar je hem viert.

“We zijn alleen maar bezig met het leven, en daardoor zo slecht voorbereid op de dood.

“Ik probeer om mezelf nu voor te houden dat de dood niet buiten het leven staat, dat ze geen schaduw is die boven alles hangt, maar gewoon bij dat leven hoort.

“Met Hans, mijn oudere broer, discussieer ik daar weleens over. Hij blijft het moeilijk hebben met die zienswijze. Ik ook, hoor – het is voorlopig nog niet meer dan een theorietje in mijn hoofd.”

Dat begrijp ik. Bovendien: jullie broer is zo jong gestorven, vóór jullie ouders.

“Dat is nog zoiets waar ik vaak over loop na te denken: hoe naïef – misschien zelfs arrogant – is het om te geloven dat je recht hebt op een bepaalde volgorde?

“Eerst de grootouders, dan de ouders, dan de kinderen – zo willen we het. Maar zo is het dus niet gegaan, en nu denk ik: had iemand me maar geleerd dat de dood geen wetten volgt, en dat alles onvoorspelbaar en onzeker is. Misschien had ik nu dan minder pijn gevoeld?”

‘Het is een bijna kinderlijke redenering: als ik mijn verdriet verwerk, zal ik dan mijn herinneringen verliezen en mijn broer vergeten?’ Beeld Johan Jacobs
‘Het is een bijna kinderlijke redenering: als ik mijn verdriet verwerk, zal ik dan mijn herinneringen verliezen en mijn broer vergeten?’ Beeld Johan Jacobs

VECHTEN EN VLUCHTEN

Je leeft al een jaar zonder Wim. Heeft de tijd je iets van winst gebracht?

“Ja: dat ik, wanneer ik me slecht voel, weet dat het weer beter wordt.

“Er zijn nog veel momenten waarop ik helemaal wegzink in het verdriet, maar de ervaring heeft me intussen geleerd dat er dan ook wel weer een dag komt waarop ik me goed voel.

“In de eerste helft van vorig jaar wist ik dat nog niet. Toen was het zo aan het stormen dat ik dacht: dit is het einde van de wereld. Je kunt dat pathetisch vinden, maar zo voelde het echt.

“Ik was zo teleurgesteld in hoe plots en lukraak de dood was komen klauwen. Hoe onbenullig het klaarblijkelijk allemaal is: iemand kan zo z’n best doen om een prachtig mens te zijn, zo’n grote waarde hebben voor iedereen die hij ontmoet, en toch is het mogelijk dat dat leven plots – flits! – weg is.

“Daardoor begon ik ook de zin van m’n eigen leven te relativeren. Als het toch maar zoiets willekeurigs is, sterven, zou het dan erg zijn als ik van een balkon donderde?

“Ik kreeg in die tijd ook paniekaanvallen. Nu weet ik hoe dat komt: een lichaam reageert op heftig verdriet, en ontwikkelt een vecht-of-vluchtreactie.

“Maar toen voelde het alsof mijn brein werd bestuurd door een joystick die ik zelf niet in handen had. Ze kwamen vaak ’s nachts, die aanvallen – dat waren geen mooie uren.

“Ik ben blij dat Stéphanie, mijn vrouw, er telkens bij was.

“Nu weet ik: na de wilde komt de kalme zee. Het gaat allemaal veel beter dan in die eerste maanden. De weerbaarheid van een mens is fenomenaal: je kunt daarop vertrouwen.”

Je bent ook in therapie gegaan.

“Een goeie vriend zag me met al m’n verdriet en kwam met misschien wel het waardevolste advies dat ik ooit heb gekregen:

‘Ik kan niets voor je doen, Jerre, maar ik kan wel een afspraak regelen met mijn therapeut.’

“Dat heeft hij gedaan en in enkele gesprekken heeft die therapeut me op het juiste spoor gezet.

“Hij zei niet: ‘Je moet het verdriet een plaats geven.’ Wel: ‘Je moet iets dóén met het verdriet.’ En dat is dus Dagen zonder broer geworden.”

Ben je er blij mee? Of is dat onmogelijk?

“Toch wel. De mensen van De chinezen, het productiehuis dat het programma gemaakt heeft, hebben me in een zachte zetel laten zitten.

“Ze waren heel voorzichtig en teder met me, en ik vind het resultaat prachtig. Dat is niet zo evident als het klinkt: zo’n opzet kan al snel tot slecht gemaakte televisie leiden, tot een makkelijke tearjerker. En dat mocht het absoluut niet worden.

“Ik heb, toen het idee vorm kreeg, meteen gezegd: ‘Mijn broer mag op mijn schouder zitten, maar het mag niet alleen over hem gaan, laat staan over mij. Het moet over verdriet gaan, over rouw en over liefde.’

“Tegelijk is het natuurlijk óók wel een kleine hommage aan Wim. Ik had het er onlangs over met Hans: zou hij dat wel gewild hebben?

“Vast niet, concludeerden we. Maar hij zou er wel op vertrouwd hebben dat ik er iets moois van zou maken. En ik heb ook nooit gewild dat hij zou sterven. (Klein lachje) Dus nu staan we quitte.

“Ernstig: ik móést dit doen. Een begenadigd schrijnwerker zou in mijn geval een mooi houten beeldje frezen, een voetballer zou z’n elegantste dribbel aan Wim opdragen, iemand als jij zou een fraai requiem schrijven.

“Maar ik ben een televisiemaker, en dus heb ik er een programma over gemaakt.”

‘Vroeger wilde ik overal bij zijn, maar nu hou ik het graag rustig. En sinds de dood van Wim is die hang naar afzondering alleen maar groter geworden.’ Beeld Johan Jacobs
‘Vroeger wilde ik overal bij zijn, maar nu hou ik het graag rustig. En sinds de dood van Wim is die hang naar afzondering alleen maar groter geworden.’ Beeld Johan Jacobs

LIEVER LIEF

In Dagen zonder broer zoek je mensen op die door een vergelijkbaar verdriet moeten. Daar komen mooie gesprekken van.

“Die hebben me doen beseffen hoe iederéén op dit soort verdriet loopt. Ga ik in mijn straat op elk nummer aanbellen, dan zal ik overal een verhaal van rouw vinden.

“Dat is de paradox van verdriet om iemand die er niet meer is: het voelt heel particulier, maar eigenlijk deel je het met iedereen.

“Ook op dat vlak was Wim me voor met zijn grote inzicht in de dingen. Toen hij ziek werd, was ik boos. Waarom hij? Waarom wij? (Verontschuldigend lachje) 

“Er woont wel een calimero in mij, ja. Maar Wim duwde dat sentiment meteen opzij. ‘Kijk eens rond’, zei hij, en hij wees op de wachtzaal in het ziekenhuis. ‘Het zit hier vol. Elke dag.’

“Het volgende besef dat indaalde: als alles goed gaat en ik dus nog een poos blijf leven, zal ik nog veel mensen verliezen.

“Je kunt het lullig vinden dat ik dat pas zo laat heb ontdekt, maar het is gewoon zo: ik was een zondagskind waarop nooit regen viel. Ik ben er nu pas achter dat een mensenleven ook uit ruw verdriet bestaat.”

Iets zegt me dat je je eigen rouw het liefst in de beslotenheid van je gezin te lijf gaat. Dat je je wereld kleiner hebt gemaakt sinds de dood van Wim.

“Dat is juist. Vroeger wilde ik overal bij zijn. Ik hield van het luide kwetteren van de wereld. Met het ouder worden is dat verlangen gaan liggen. Ik hou het nu graag rustig.

“Dat is niet zo gek, hè, want ik heb al een druk en roerig leven achter de rug. En sinds de dood van Wim is die hang naar afzondering alleen maar groter geworden.

“Met mijn gezin thuis op de mat, met mijn honden in de bossen, met mijn beste vrienden aan een tafeltje: dáár wil ik nu zijn.

“In mijn omgeving zie ik ook de omgekeerde reactie: mensen die na de dood van Wim willen losbreken en het rumoer van de grote wereld bewust opzoeken. Dat is even logisch. Maar zelf wil ik m’n wereld dus het liefst zo klein mogelijk maken.”

Durf je te stellen dat je kijk op mens en wereld fundamenteel veranderd is?

“O, ja. Ik vind het onthutsend om te merken hoe één gebeurtenis je hele denken overhoop kan gooien. Iemand die sterft, dat gebeurt in een flits – het duurt maar enkele seconden.

“En toch kunnen die enkele seconden de manier waarop je over de dingen denkt volkomen omgooien.

“Wie je bent, je kijk op het leven, hoe je de wereld ziet: dat is een blauwdruk van jezelf waar je lang aan werkt, hè. En in een vingerknip is die verdwenen.

“Zo is het tenminste bij mij gegaan: sinds 1 januari 2022 sta ik anders in het leven. Dáár ligt de grote cesuur.

“Een deel van mijn onschuld was ik ooit, bij een heel zwaar liefdesverdriet, al kwijtgeraakt. En wat ervan overbleef – dat was nog heel wat – werd een jaar geleden weggeveegd.

“Dat is de eenvoudige, nuchtere vaststelling nu: ik ben al mijn onschuld kwijt.

“Ik vind geen naïviteit meer in mezelf – ik ben een volgroeide, volwassen man die je niets meer wijsmaakt. En ik vind dat jammer.

“Ik sta nog stil bij schoonheid, ik geniet nog van mooi geschreven zinnen en prachtige muziek en de zon die zich ’s ochtends door het wolkendek vecht. Ik vind het leven meer dan ooit de moeite waard om geleefd te worden.

“Maar ik loop niet meer op blote voeten door het bedauwde gras. Ik ben chronisch verdrietig, en dat zal niet meer veranderen.

“Niemand uit ons nest – niet mijn vader, niet mijn moeder, niet mijn oudere broer, niet ikzelf – zal ooit helemaal genezen van dat verdriet.”

Zit er ook iets goeds aan die frontale fractuur?

“Dat ik gevoeliger ben geworden. Liever. Lees ik nu in de krant over iemand die jong gestorven is, dan voel ik het verdriet. Dan weet ik: die familie staat aan de voet van zó’n hoge berg.

“Er is een filter weg. Ik kan geen abstractie meer maken van slecht nieuws dat niet over mezelf gaat.

“Ik ben lang vooral met mezelf bezig geweest. Met m’n ambities, m’n carrière, m’n verlangen om ergens in uit te blinken en daar erkenning voor te krijgen.

“Ik werkte graag hard en veel. En dat heeft me geluk gebracht, zeker, het is een stuk van m’n leven dat ik niet zomaar wil uitgommen.

“Maar nu ben ik ergens anders. Nu vind ik het belangrijk hoe het met mijn moeder gaat, met mijn vader, met Hans.

“Vroeger kon ik dat allemaal afschuiven op Wim: hij was degene die langsging, die kaartjes stuurde, die lijmde wat gebroken was. Maar nu moet – nee: wil – ik dat doen. De posities in het gezin zijn veranderd.”

Dat wordt zichtbaar in de tweede aflevering, waarin je een nieuwe band smeedt met je oudere broer. ‘Het is alsof we samen met twee drie willen zijn’, zeg je dan. De relatie met Hans was altijd woeliger dan die met Wim.

“Dat is het laatste cadeau geweest van Wim: hij heeft ervoor gezorgd dat Hans en ik ons weer helemaal met elkaar verknoopt hebben.

“Niet dat hij daarvoor iets concreets heeft ondernomen: het vloeide gewoon voort uit zijn dood, het was een natuurlijk gevolg.

“Met Hans was ik vaak aan het wedijveren. En nu, nu Wim weg is, mis ik mijn oudste broer wanneer ik hem enkele dagen niet zie of hoor. Het is echte liefde. Broederliefde.”

Je zei het zelf al: je bent…

“…liever geworden. Ja. Ja, dat is eigenlijk het enige dat je moet doen in het leven: lief zijn.

“Ik zou dat graag eens vertellen aan een vorige versie van mezelf.”

Als het iets van troost kan betekenen: ik kijk soms met verbijstering terug op wie ik vroeger was. De luie ongevoeligheid. Het onvermogen om te zien wat de ander verlangde.

“Ja, dát dus. De dood van Wim heeft me veel zachter gemaakt. Maar dat is natuurlijk een veel te groot offer: liever was ik nog altijd een lul geweest, als ik Wim dan nog aan m’n zij had. (Bedenkt zich) 

“Nee, nu ben ik wat te streng voor mezelf. Ik was geen lul, geen bullebak. Maar ik had wel graag het laatste woord. Die grote bek, ja… Ik kon best arrogant zijn, vroeger.

“Onlangs liep ik op iemand met wie ik in het eerste middelbaar zat. ‘Toen was jij echt een eikel’, zei hij me. En ik kon hem alleen maar gelijk geven: ik zat vol manifestatiedrang. Ik wilde het mannetje zijn, me laten gelden.

“Ironisch genoeg zijn dat nu net de mensen die ik niet kan verdragen: de luide roepers, de borst altijd vooruit. Nu loop ik weg zodra ik zo iemand tegenover me heb.

“Veel is bij mij veranderd door het vaderschap: het maakte me weker en weerlozer. Nu goed, dat is wel moeten groeien.

“In de eerste jaren van Georges was ik vooral afwezig: ik bleef rennen en klimmen, en beschouwde elke dag als een verplichting om me aan de wereld te tonen.

“Maar toch: jaar na jaar werd ik zachter en voorzichtiger. Ik had iets geleerd van de chef-koks die hun kinderen niet hadden zien opgroeien.

“In 2018 voelde het alsof ik op de top van de alp zat. Alles was goed. Ik had Luzine, dat ik jarenlang met m’n televisiewerk had gecombineerd, achter me gelaten.

“Er was Georges, en Stéphanie en ik hadden er vrede mee dat hij geen broer of zus zou krijgen, hoe hard we dat ook gewild en geprobeerd hadden.

“Er was evenwicht, eindelijk: ik werkte hard aan Dagelijkse kost, maar tegelijk was er ook tijd voor mijn gezin, voor reizen, voor de dingen die je samen moet doen. Ik kon ademhalen, ik was trots en blij.

“En toen was er dus mijn broer, en de oncoloog met zijn zinnetje: ‘U bent ongeneeslijk ziek.’

“Ik probeer nu om naar hem te leven. Ik kan Wim niet worden, dat weet ik wel, maar ik kan wel proberen om een beetje te zijn zoals hij was. (Stil) 

“Misschien ben ik toch nog altijd een zondagskind. Want ik heb 43 jaar lang een mooie, móóie man mogen kennen.

“Meer nog: die man was gewoon mijn broer.”

‘Dagen zonder broer’
Woensdag om 20.45 uur op Eén

© Humo

Jeroen Meus: ‘Ik vind het leven meer dan ooit de moeite waard om geleefd te worden. Maar ik ben chronisch verdrietig, en dat zal niet meer veranderen.’
Beeld Johan Jacobs

VRT Max


Lees ook

Dagen zonder broer


Bron: De Morgen/Humo

Naar Facebook

Naar de website


Scroll naar boven