Het leven – Een gebruiksaanwijzing – Astrid Haerens

Astrid Haerens © Nick Somers

Met haar bundel Oerhert wint Astrid Haerens de Poëziedebuutprijs 2023. Op haar 33ste verovert ze zo niet alleen terrein in de poëzie, maar komt ze ook stilaan thuis in haar leven. ‘Het is een delicate oefening.’

Jelle Van Riet – De Standaard


“Hier zit geen hond op te wachten, dacht ik toen ik aan de bundel schreef.”

Astrid Haerens


Mensen zijn altijd onderweg. Vreemd is het dus niet dat Astrid Haerens, anderhalf jaar na de publicatie van haar debuutbundel Oerhert, zich er alweer van verwijderd heeft.

Ze is verveld, een deel van haar oude huid heeft ze in die bundel achtergelaten.

Nu ze ervoor wordt bekroond met de Poëziedebuutprijs 2023 en er weer over moet praten, wringt de afstand. Maar wij zijn meedogenloos. Had ze maar niet zo’n krachtige bundel moeten schrijven.

Oerhert was ook al genomineerd voor de Herman de Coninckprijs en de C. Buddingh’-prijs, een bekroning zat er dus aan te komen. Dit keer haalde ze het van de andere genomineerden Laura Broekhuysen en Emma van Hooff.

Astrid Haerens, die in 1989 in Zwevegem uit het ei is gekropen, weet zich behalve in de poëzie ook thuis in Brussel. Bij mijn visite heeft ze net haar koffers uitgepakt van een vakantie op Wangerooge, het Oost-Friese Waddeneiland waar je barnsteen kunt vinden.

Een oeroud reliek; in de film Jurassic Parc ligt de vondst van barnsteen met daarin een mug met een druppel dinosaurusbloed ten grondslag aan de plot.

‘Ik wilde ernaar zoeken omdat ik uitgeput was en het verhaal wil dat barnsteen, ook wel amber genoemd, beschermt en ontspant.

‘Urenlang heb ik op verlaten stranden tussen massa’s stenen zitten schiften. Telkens als ik iemand vroeg waar ik het meeste kans maakte, kreeg ik ander advies: in het wier, bij de vloedlijn, na een storm.

‘Barnsteen vond ik niet, maar ik kreeg iets anders in de schoot geworpen: ik vond rozenkwarts, een zeldzame steen die staat voor het kind en voor de kunstenaar.’

Urenlang ziften om uiteindelijk in het zeef iets onvoorspelbaars en geladen met betekenis aan te treffen, het lijkt wel poëzieschrijven.

Ze lacht. ‘Kennelijk schenk ik graag veel tijd en energie aan het nutteloze. Want wat blijft er over? Hooguit een paar woorden.’

Zorgvuldig gekozen woorden dan toch. De jury van de Poëziedebuutprijs spreekt over ‘een condens vlechtwerk van taal’ en ‘voldragen verzen die aan de ribben plakken’.

In Oerhert zoekt een lyrisch ik een veilige haven voor pijn en kwetsuren, opgelopen in onder de duim houdende structuren: het gezin, de school, de patriarchale samenleving.

De beelden zijn heftig en springerig, de gedichten fysiek, alles draait om het detail, blijkt uit het motto, een citaat uit Rayuela van de Argentijnse schrijver Julio Cortázar:

‘“Ik zou geen detail overslaan als ik jou was”, zei Oliveira. / “Och, een algemene indruk is voldoende”, zei Gregorovius. / “Algemene indrukken bestaan niet”, zei Oliveira.’

Dat u een springerig denker bent, bleek al uit uw debuutroman Stadspanters. Is het druk in uw hoofd?

‘Het is vooral druk in mijn lichaam. Ik ben een zintuigelijk wezen: er komt veel binnen via mijn lichaam, eer het zich een uitweg zoekt via mijn hoofd.

‘Eerst zijn er de fysieke gewaarwordingen, pas daarna begin ik erover na te denken en het te ontleden in de hoop het te begrijpen.

‘In mijn poëzie vertrek ik van wat ik lichamelijk voel en probeer ik de dingen fysiek, intuïtief en vrij uitwaaierend aan elkaar te koppelen, niet cerebraal.

‘De inspiratie en het vertrouwen om zo te schrijven vond ik in het essay ‘Le rire de la Méduse’(1975) van Hélène Cixous.

‘Waar zij voor pleit druist in tegen de stelregel waarmee ik ben grootgebracht, namelijk dat poëzie karig en uitgepuurd moet zijn.

‘Aangezien Cixous het over écriture feminine heeft, doet het mij plezier dat mijn bundel ook veel mannen wist te raken.

‘Ik hoop dat Oerhert leest als een uitnodiging om sensualiteit toe te laten.’

In Poëziekrant noemt u uw kat Marcelle uw grote voorbeeld, onder meer omdat ze zo sensueel is. Benadert u stilaan uw ideaal?

‘In een poging het sensuele van Marcelle te benaderen, schenk ik veel aandacht aan zintuiglijkheid: ik probeer intens te kijken, te horen, te proeven, te voelen.

‘Door de manier waarop onze samenleving, onze schoolsystemen en onze levens zijn ingericht – alles loopt via schermen, de focus ligt op het intellectuele – benaderen we het leven vanuit het hoofd.

‘We willen het cognitief vatten, maar ook hoe je kookt, vrijt en danst zijn uitingen van intelligentie.

‘Ik ambieer de in sensualiteit opgeslagen slimheid, omdat deze je dichter bij de ander brengt.

‘Toen je vroeger een boek terugbracht naar de bibliotheek, raakte je soms per ongeluk een vinger van de baliemedewerkster aan, wat voor fysiek ongemak zorgde. Vandaag is dat uitgesloten, alles is gedigitaliseerd.

‘Ik zoek het fysieke ongemak juist op.’

Valt barnsteen jutten op Wangerooge daaronder?

‘Als je, blootgesteld aan weer en wind en met voor je die immense zee, totaal gefocust barnsteen zit te zoeken, dan word je een puur zintuiglijk wezen.

‘Onlangs zag ik The ecstatic truth, de retrospectieve van het werk van filmregisseur Werner Herzog. Toen hij een waterval zag, wist hij: dit is mijn innerlijk landschap.

‘Dat gevoel heb ik op eilanden, in de Westhoek en aan zee. Weidse landschappen passen bij me en grijpen me aan omdat ik er opga in de kosmos.

‘Op Wangerooge legden het landschap en de weersomstandigheden mijn woelige binnenste het zwijgen op.

‘In Oerhert heb ik geprobeerd landschappen te creëren waarin mensen vrij kunnen rondlopen. Ik wilde geen afgelijnd verhaal, maar gedichten als canvas waarop de ontvanger zelf van alles kan projecteren. Ik heb mijn poëzie te geef.’

De lezer moet wel door een beeldenmist eer de betekenislagen zich vrijgeven. Laat u zich net als uw poëzie niet makkelijk kennen?

‘Ik ben niet extreem introvert, maar pijn, teleurstellingen en kwetsuren vinden toch vooral hun weg via de poëzie.

‘In Oerhert heb ik een oude identiteit tegen het licht gehouden en gekeken wat ik ervan kon achterlaten. Let wel, die bundel is geen autobiografie.

‘Hij is opgebouwd uit verhalen en zintuigelijke herinneringen van mezelf en van anderen, wat per definitie verdraaiingen en verdichtingen zijn. Ik onderzoek dus ook de herinnering an sich.

‘Eigenlijk was ik aan een ander manuscript aan het werken, maar eerst moest deze bundel eruit. Het is natuurlijk een illusie te denken dat je eerst het een uit de weg moet hebben, om vrij te zijn voor het ander. Je bent nooit vrij.’

Misschien bent u wel bevrijd van de woede die uit Oerhert walmt?

‘Toen ik aan de bundel begon, voelde ik veel woede en frustratie. Maar dat was ook de motor om er vorm aan te geven, waardoor ik er nu naar kan kijken als naar een beeldhouwwerk.

‘Door de kwaadheid te benoemen en zintuigelijke eigenschappen te geven, zet je haar naast je, waardoor ze je niet langer verzwelgt.

‘We ervaren dat nogal snel als melodramatisch, maar waar moeten we er anders mee naartoe?

‘Veel gevaarlijker is het om pijn, rouw en trauma’s te laten betijen. Dan keert het gif zich naar binnen en zoekt het daar een uitweg.

‘Ik geloof in de kracht van poëzie en van kunst als een vuur dat wordt doorgegeven, want tot die gedichten kunnen ook anderen zich verhouden.

Oerhert is allang niet meer van mij. Er is nu zelfs een plaat met bijna frivole popsongs uit ontstaan. (‘Anger’s family tree’, met geluidskunstenares Mariske Broeckmeyer (MARIS) en celliste Jasmijn Lootens, red).

‘Het bewijst nog maar eens dat de ontvanger het werk voltooit.

‘Dat Oerhert breed wordt gelezen en voortleeft in nieuwe vormen is het grootste geschenk.

‘Hier zit geen hond op te wachten, dacht ik toen ik aan de bundel schreef. Het schrijfproces was echt een worsteling.’

Was het de taal die zich niet liet temmen of saboteerde u zelf de boel?

‘Er kwam veel naar boven en ik vond het moeilijk daar iets van te maken wat artistiek ergens op sloeg.

‘Aangezien er in het Nederlandse taalgebied weinig tolerantie is voor pathetiek, zieligheid en barok, was ik als de dood dat het te sentimenteel zou worden, terwijl ik mij daar in mijn lezen en schrijven juist toe aangetrokken voel.

‘Inmiddels heb ik aanvaard dat ik er de ruimte aan mag geven, maar toen zocht ik nog de juiste toon.

‘Hoe schrijf je slim over grensoverschrijdend gedrag en seksueel geweld zonder dat het te journalistiek dan wel te veel Flair wordt?

‘Uiteindelijk moest alles erin: mijn woede, mijn kwetsbaarheid, mijn schaamteloosheid, zelfs de hele worsteling tijdens het schrijven zelf. Je moet die onzekerheid tackelen, anders stop je.

‘In de dagen voor de boekvoorstelling kreeg ik koorts en uitslag over mijn hele lichaam, zoveel stress had ik om het te laten lezen. Maar nu is het in de wereld en bestaat het los van mij.’

Is het zo’n fysieke bundel, omdat u taal zocht voor wat taalloos in het lichaam ligt opgeslagen?

‘Inderdaad. Ik word een beetje korzelig telkens als ik lees dat Oerhert een “vrouwelijke” bundel is of over vrouw-zijn en vrouwelijkheid gaat.

‘Ik schrijf vanuit mijn lichaam, wat nu eenmaal het lichaam is van een vrouw. Het gaat om het oprekken van de taal, waar de poëzie zich perfect toe leent.

‘Poëzie is een fantastisch genre omdat je de meest wilde, vrije vormen kunt aftasten. Maar het blijft taal. Zo abstract als schilderkunst of muziek kunnen woorden nooit worden. Ze dragen betekenis in zich.’

Kunnen woorden het geheugen van het lichaam overschrijven? De muren van het huis weer zacht maken, zoals u schrijft?

‘Ik kan mezelf afkrabben en overschrijven als bij palimpsest, maar dat betekent niet dat ik stuk was en nu weer heel ben. Of dat ik gevangen was en nu vrij ben.

‘Kunst en literatuur lossen niks op, ze sublimeren.

‘Ik beschrijf wat in het gareel houdende structuren en grensoverschrijding met een lichaam kunnen doen, maar tussen al wat daar ligt opgeslagen zitten ook veel mooie herinneringen.

‘Het oerhert – in de bundel duikt het soms als wachter of beschermengel op – is een metafoor voor die ambivalentie. Het ware herstel zit in de gedichten zelf.

‘In het laatste deel van de bundel, ‘Exit’, staan gedichten als hutten van collectief herstel. Voor mij zijn het veilige plekken waar ik tot rust kan komen en herstellen, en ik schrijf in de hoop dat mijn poëzie ook zo’n hutje mag zijn voor anderen.

‘De slotregel van de bundel – “de zee is bevroren // uit het ijsoppervlak steekt / het kolossale gewei van het hert” – zegt alles: het hert zit vast. Het kan niet weg, het is niet opgelost.’

De hele tijd steekt het verlangen om het lichaam te verlaten de kop op. Zou u een nieuw lichaam aannemen, mocht u er een worden aangeboden?

‘God, nee! Dan moet ik daar weer mee aan de slag, terwijl het al zo’n levensproces is om met dit lichaam te leven.

‘Mijn lichaam is op mijn 33ste anders dan tien jaar geleden en zal over tien jaar wéér anders zijn.

‘Volgens de conventionele schoonheidsnormen wordt het minder, maar ik leer het steeds beter kennen, ook in de verhouding tot andere lichamen.

‘Dertig zijn betekent ook dat er meer duidelijkheid is, of in elk geval meer rust in de onduidelijkheid. Al blijft de verzoening met mezelf iets van elke dag.

‘Doordat ik lang ben, heb ik vaak het gevoel dat ik te veel ruimte inneem. Soms zou ik klein willen zijn en verdwijnen. Aanwezig zijn met alleen maar twee ogen.’

Moest u zich voor de verzoening met uzelf onttrekken aan ‘het gewicht van heel West-Vlaanderen’?

(lacht) ‘Ook die verzoening is een eeuwige beweging en inspanning. Het gaat niet vanzelf. Je moet contact maken. Ik voel steeds meer liefde voor waar ik vandaan kom en ben er voor Iedereen Dichter (een multimediale poëzie plattegrond, red) ook naar teruggekeerd.

‘Ik wilde mijn roots onderzoeken en achterhalen waarom ik voelde wat ik voelde.

‘Ik houd van West-Vlaanderen, maar hier in Brussel voel ik me tegelijkertijd vrij en gestut, deel van een gemeenschap die mij een gevoel van belonging geeft.

‘Een beladen term, zoals alles wat wortels aangaat, maar ook een interessante.

‘Hoe kunnen we in een stad als Brussel, waar veel alleenstaanden leven en postbodes pakjes leveren zonder dat je ze ziet, hernieuwde communities creëren?

‘Een stad leent zich er beter toe om de samenleving heruit te vinden dan een dorp, waar je amper alternatieven voor het heteronormatieve patroon ziet.

‘Misschien verklaart dat er de hoge cijfers van verslaving, depressie en zelfdoding.’

Pogingen om de controle over jezelf te heroveren?

‘Precies, want als alles om je heen voortdurend verandert en onvoorspelbaar is, dan wil je minstens je lichaam controleren.

‘Ook mensen die seksueel geweld hebben meegemaakt, tasten allerlei manieren af om daarmee om te gaan: drank, pillen, eetstoornissen, tot doodsverlangen toe.

‘Maar controle over jezelf is een illusie, want zelfs de keuze voor de dood kan nooit de ultieme verlossing bieden.

‘Als mens ben je deel van een netwerk. Zelfdoding veroorzaakt veel pijn bij anderen. Dood ben je nog meer aanwezig dan levend.

‘Hoewel ik heel graag leef, wil ik de dood niet ontkennen. Hij bestaat. Eerder dit jaar is een vriend van mij gestorven en dat zet de dingen op scherp.

‘Het cadeau van de dood is dat hij je dwingt om na te denken over wat ertoe doet. Welke keuzes maak ik wel en niet? Niet meer?’

Oerhert barst van het verlangen naar intimiteit en verbinding. Lukt dat beter via de taal of via het lichaam?

‘Mijn eerste pogingen lopen via de taal, maar ik zoek snel verbinding en bevestiging via het lichaam.

‘Mijn vriendschappen zijn zeer fysiek, intiem en erotisch in de brede zin van het woord, zeker met vrouwen. Ik ken de borsten van mijn vriendinnen en hou ook van hun lichamen.

‘Ook van gebroken vriendschappen komen me soms herinneringen aan hun lichaam aanwaaien: de handen, het gezicht, de stemklank.

‘Vriendschappen zijn voor mij belangrijke relaties, die weliswaar evolueren, net als mijn idee over vriendschap. Met mijn exen ben ik nog steeds goed bevriend, want uiteindelijk blijf je elkaar graag zien en gun je mekaar het allerbeste.

‘Misschien is ook dat wel weer problematisch, betekent het feit dat ik ze dicht bij me wil houden dat ik angst heb om verlaten te worden.’

Als Letterzetter, de Kortrijkse variant van het stadsdichterschap, leidt u een collectief van schrijvers. Denkt u beter met anderen dan alleen?

‘Ik denk het beste alleen, maar lees en beleef poëzie graag samen met anderen.

‘In de academie van Anderlecht heb ik de afgelopen drie jaar elke week driemaal drie uur over literatuur en poëzie gepraat met een heel diverse groep van mensen qua leeftijd, achtergrond en cultureel kapitaal.

‘Ik leidde de groep en zorgde voor veiligheid, maar was verder een van hen.

‘Zo te kunnen samenlezen vind ik uitzonderlijk mooi, intiem en kwetsbaar. En wat heb ik veel geleerd over wat poëzie kan zijn.

‘De schrijver als genie is niet mijn ding, ik heb nood aan samen zoeken. Wel heb ik nu even een loopbaanonderbreking in Anderlecht, want het was heel intens. Ik had weinig vrije avonden, geen tijd voor hobby’s.

‘Ik heb de afgelopen jaren lesgegeven op drie scholen: het RITCS in Brussel, het conservatorium in Antwerpen en de academie van Anderlecht. Ik wil me nu focussen op nieuw werk.’

U koos als curator van het Memento Woordkunstenfestival in Kortrijk niet toevallig het thema ‘werk en productiviteit’. Bent u wijzer geworden?

‘Ik heb vooral geleerd hoe breed dit thema resoneert, hoeveel emotionaliteit ermee gepaard gaat en hoezeer werk onze identiteit bepaalt.

‘In het uur dat Wilfried de Jong het publiek hierover interviewde, begonnen mensen gewoon te huilen.

‘Veel werken, minder werken, werkloos zijn, met pensioen gaan, alle gradaties van werk gaan gepaard met emoties en oordelen, zowel van de maatschappij als van onszelf.

‘Ik wist gewoon niet wat ik hoorde.

‘Werk, huis, gezin – het maakt allemaal deel uit van de mal waarin je wordt verondersteld te passen.

‘Nu veel mensen om mij heen trouwen, huizen kopen en kinderen krijgen, weeg ook ik mijn leven voortdurend af tegen die verwachtingen.’

Voelt u als 33-jarige de druk en de beklemming van ‘dat oeroud plan’?

‘Zeker. Als vrouw leef ik met een deadline: ik heb nog zeven jaar om te beslissen of ik nieuw leven wil maken of niet.

‘Dat is nogal wat om over na te denken, toch? Op dat vlak is de kloof met mannen diep.

‘In de sectie “brieven aan mijn onbestaand kind” verhoud ik me tot een onbestaand kind, dat bestaat, omdat ik nu eenmaal de keuze heb.

‘Ook ik moet me zien te verhouden tot de maatschappij, die van alles voorschrijft. Die mal is zo smal en zo onhaalbaar, dat bijna iedereen teleurgesteld geraakt. Je moet echt sterk zijn, wil je je losschudden en trouw blijven aan jezelf.

‘Het is een delicate evenwichtsoefening: hoe kan ik vrij zijn en mij toch veilig voelen?

‘Op dit moment lukt me dat aardig, omdat ik omringd ben door mensen die evenmin een normatief pad volgen. We begrijpen elkaar en zoeken samen naar nieuwe soorten van gemeenschap, waar minder strenge regels gelden.

‘Ik heb geen partner, geen kinderen, geen huis te verbouwen.’

Heet dat niet vrijheid?

‘Ja, maar die vrijheid wordt niet gevierd. Je krijgt een feest als je trouwt of een kind krijgt, niet als je een moeilijke relatie hebt beëindigd en vrij bent.

‘Maar goed, als je de moed vindt en de juiste mensen om alternatieve paden in te slaan, je eigen leven vast te pakken en vorm te geven, dan is er veel mogelijk, toch?



Oerhert

Astrid Haerens © Nick Somers
Astrid Haerens © Nick Somers

Wikipedia


Lees meer interviews

Het leven – Een gebruiksaanwijzing


Bron: De Standaard

Welkom op Facebook

Naar de website


Scroll naar boven