Portret – Bernard Dewulf


Bernard Dewulf is in de nacht van woensdag op donderdag plots overleden. De literatuur en de journalistiek verliezen met hem een stilist en een begenadigd waarnemer van kleine en late dagen. ‘Een scheelziener, ja, iemand die twee dingen tegelijk ziet.’
Een in memoriam.

Filip Rogiers – De Standaard


Bernard Dewulf,
de man die zo graag zag


Bernard Dewulf is vorige nacht door zichzelf gezakt. Over een maand zou hij 62 jaar geworden zijn. Hij had het al langer aan zijn rug en daardoor ook aan zijn benen. De aandoening heette neurogene claudicatio, veroorzaakt door een vernauwing van de wervelkolom. Poëtischer: de etalageziekte.

‘Je moet er eens op letten hoe ouderen die een eindje proberen te wandelen halfweg moeten stilstaan door de kramp’, vertelde gerontoloog Dominique Verté hier onlangs nog over die aandoening.

‘Dan doen ze alsof ze naar gevels en etalages staan te staren.’ Het beeld trof Dewulf danig

‘Dat heb ik dus op mijn 61’, verzuchtte hij – dat hij er een van zijn laatste columns voor DS Weekblad over schreef.

Pijn maakte zijn wereld de jongste tijd te klein. Daar schreef hij dan over, met weemoed, maar ook met prachtig verdichte woede.

Wat de jongste jaren ook almaar vaker binnensloop in zijn toch altijd al melancholische miniaturen die hij voor DS Weekblad schreef: het herfsten van dingen en mensen, het vallen en vervallen.

‘Hoe laat is ’t aan den tijd?’, regel van P.C. Boutens, was hem op het lijf geschreven. Hij koos het als motto voor de bundeling van zijn stukjes in Late dagen (2016), dat samen met het in 2010 met de Librisprijs bekroonde Kleine dagen een tweeluik vormt.

Ikjes

Het zijn miniatuurtjes die alleen op het eerste gezicht erg privé zijn. Hij voert er zichzelf, zijn vrouw, vrienden, de diep betreurde moeder en vooral de steeds weidser hun vleugels uitslaande kinderen in op.

De oudste zoon Elias was genoemd naar Elias of het gevecht met de nachtegalen, de roman van Maurice Gilliams in wiens poëtica Dewulf zich vast herkende: zoals Gilliams wilde ook hij altijd dat zijn schrijven even perfect af en op zichzelf zou kunnen bestaan als een kei.

Hij noemde zijn twee bundels met stukjes niet voor niets novellen. Ze ontstegen de krant. En ook het ik.

Dewulf posteerde nooit stellige, maar altijd wel heel herkenbare, universele waarheden over het vaderschap, leven en liefde, eros en tanatos.

Zijn stukjes waren ikjes, zeker en ze leverden hem een trouwe schare fans op, maar het was autobiografie zonder voyeurisme. En altijd stond de verdichting voorop.

In alles wat hij schreef – cursiefjes, essays en talrijke kunstbeschouwingen, gebundeld in Toewijdingen (2014) en Tuimelingen (2020), bleef hij altijd eerst en vooral de dichter.

In 1987 debuteerde hij in de beruchte bloemlezing van Dirk van Bastelaere Twist met ons.

Benno Barnard schreef in een voorwoord dat hij ‘de gehele West-Vlaamse poëzie sedert Gezelle’ veil had voor het handvol gedichten van Spinoy en Dewulf.

Zij aan zij stonden ze daar, de nog net niet dertigers Van Bastelaere en Spinoy en Charles Ducal en Dewulf.

Het ene duo schreef ‘hermetische’, het andere ‘toegankelijke’ poëzie. Ze hadden gemeen dat het weer ergens mocht over gáán, de poëzie. Ze vormden de poëtische tegenhanger van de ´Mooie jonge goden´ in het proza.

‘Een generatie!’ schreef Barnard nog. Maar Dewulf heeft zich nooit door poëticale en andere programmatorische hokjes willen laten kooien.

Hij was als dichter van de school, die geen school wilde zijn, van Herman de Coninck.

Die publiceerde Dewulf graag en vaak in het door hem geleide Nieuw Wereldtijdschrift, dat Dewulf na de dood van De Coninck in 1997 nog twee jaar in leven heeft gehouden met zijn goede vriend en auteur Frank Albers.

Dewulf vond, zoals De Coninck, dat taal geen groter programma behoefde dan schoonheid. Zo eenvoudig dat klonk en klinkt, zo moeilijk is het – dat men zich niet vergisse: die lat lag voor iemand als Dewulf ergens in het zenit.

Zoals De Coninck zelf dichtte en over poëzie schreef, zou Dewulf later ook over kunst beginnen te schrijven. Juister, over kíjken, want daar ging het altijd al om.

Zienvoelen

Bernard Dewulf was de man die zág. Hij was ontvankelijk als een open zenuw. En daar schreef hij dan uiterst toegankelijk over.

Hij had dat met het leven in de kleine en late dagen, zoals gezegd, maar ook met de misschien niet zo perfecte en juist daarom perfecte rondingen van een vrouw, op straat en in de kunst.

Verder ook met het ‘stug en tegendraads bestaan’ van dingen die, zoals het in zijn favoriete gedicht van J.Bernlef heet:

‘onverminderd staren in het zicht/ van de mij toegemeten jaren’.

Kijken, zien en inzicht had hij ook in het nieuws van zijn tijd: hij was en bleef journalist, gulzig naar nieuws. In de rubriek Reflector verbond hij beelden uit de actualiteit met kunstwerken. Ook hier: geen hokjes.

Als chef cultuur op De Morgen verwonderde hij zich gaandeweg over de taaiheid van kunstkritieken. Vooral ergerde hij zich aan de vreemde paradox dat in menig stuk over schilders en doeken au fond toch zo weinig te zien was.

Niet toevallig waren die ‘blinde’ stukken ook het slechtst geschreven:

‘Men schreef (dus) in een medium, taal, dat men matig beheerste over een ander medium, de beeldende kunst, dat men niet opriep.’

Hij deed het anders. De lezer ziet – voelt in zijn teksten de schilderijen waarover hij schrijft.

Dewulf plaatste zich met zijn kunstbeschouwingen in een internationale galerij naast andere begenadigde ‘kijkers-zieners’ als Cees Nooteboom, Simon Schama en Julian Barnes. Kijken, verdichten, hertalen.

Sleutelgaten

Dat kijken bracht hem almaar verder. De poëzie schoot er soms bij in. Tussen zijn drie bundels zit telkens ongeveer tien jaar. Ook in zijn laatste bundel, Naar het gras (2018), nam het kijken alle plaats in.

‘Door de sleutelgaten heb ik haar bekeken / van de deuren die ons scheiden. / In de kamers heb ik haar begluurd, alle uren / die wij er niet samenkwamen.’

Dewulf had krassen op zijn ziel.

Zijn ontslag bij De Morgen in 2009 bleef nazinderen, zijn passage als dramaturg bij NT Gent – hij bewerkte en vertaalde ook een tiental theaterstukken.

Met zijn eigen tekst, Een lolita, won hij in 2013 de Taalunie Toneelschrijfprijs –, zijn vele trouwe lezers en de lof maakten dat niet elke dag goed.

En er was dus zijn etalageziekte. Hij hield behalve van kijken en zien van nicotine, roes en goed gezelschap. Hij had een prachtige lach, de melancholie in zijn stukjes stond de pret niet in de weg. Zijn taal likte aan het leven en vice versa.

Hij was wat Herman de Coninck in De flaptekstlezer schreef over de (goede) dichter in het algemeen:

‘Een scheelziener, ja, iemand die twee dingen tegelijk ziet.’

Twee? Méér.

Zoals Dewulf schreef over een geel vlekje op de flank van de naakte vrouw in bad van de door hem zo bewonderde Pierre Bonnard:

‘Het is middelpuntzoekend en middelpuntvliedend tegelijk. Een onmogelijke draaikolk.’

Hij wist het, hij heeft het altijd geweten, dat het daarom ging. Zien en zeggen wat toch niet gezien en gezegd kan worden, zoals bij Herman Gorter:

´Zie je (…), ik hou zo vrees’lijk van je, / ik wou het helemaal zeggen – / maar ik kan het toch niet zeggen.’



Late dagen
Kleine dagen
Toewijdingen
Tuimelingen
Naar het gras
Kleine dagen
Late dagen
Jaargetijden

  Foto:  Fred Debrock

Wikipedia


Lees ook

Klik hier of op de hyperlink hieronder en vind meer berichten over

Bernard Dewulf


Bekijk alle beschikbare portretten

Portretten



Bron: De Standaard

Welkom op Facebook

Naar de website


Scroll naar boven