Jonathan Franzen keert terug naar zijn jeugd – Ik schaam me om wie ik ben


‘Ik heb het gevoel dat ik me helemaal heb uitgewrongen’. En toch is Kruispunt nog maar het eerste deel van een trilogie, waarin Jonathan Franzen (62) vijftig jaar Amerikaanse geschiedenis wil beschrijven.

De Morgen


Ik schrijf elke roman alsof het mijn laatste is en gebruik daarbij alles wat ik in mij heb om tot een zo goed mogelijk boek te komen. Toen mijn laatste boek, Zuiverheid (2015), af was had ik het gevoel dat ik klaar was, dat ik niets meer over had. Misschien nog één boek. Maar ja, dan gaat het leven door en ontdek je dingen in jezelf die je nog niet nader hebt uitgediept.”

BIO 

  • geboren in 1952 in Western Springs (VS)
  • grootvader was im­migrant uit Zweden
  • studeerde ook twee jaar in Duitsland
  • debuteerde in 1988 met de roman De 27ste stad (The 27th City)
  • breekt in 2001 inter­nationaal door met De correcties (The Corrections), bekroond met Na­tio­nal Book Award
  • Vrijheid (Freedom, 2010) en Zuiverheid (Purity, 2015) ontvingen eveneens juichende kritieken
  • Crossroads (Kruis­punt) is nu uit

Drie jaar geleden liet Jonathan Franzen in een interview met The New York Times weten dat zijn volgende, zesde roman wel eens zijn laatste zou kunnen zijn omdat hij twijfelde of hij meer dan zes romans in zich had. Verbazing alom dus toen zijn uitgever eerder dit jaar het eerste deel van een trilogie aankondigde: Crossroads, in het Nederlands vertaald als Kruispunt.

Waarom wilde u dit boek schrijven?

“In de periode na Zuiverheid begon ik mij te realiseren dat ik nooit over de jaren 1970, de periode van mijn jeugd, heb geschreven. Ik heb een geweldige hoeveelheid herinneringen aan het belangrijkste decennium van mijn leven, maar daar had ik nooit wat mee gedaan. Of ik nog genoeg in mij heb om twee vervolgdelen te schrijven zal moeten blijken. Want toen ik Kruispunt vorig jaar voltooide, had ik opnieuw het gevoel dat ik mijzelf helemaal had uitgewrongen.”

In Kruispunt voert Franzen de lezer terug naar de vroege jaren 70. Het boek bestaat uit twee delen. Het eerste, Advent getiteld, beslaat bijna twee derde van de roman en speelt zich af op één dag: 23 december 1971. Het tweede deel heet Pasen en is gesitueerd tijdens de Goede Week van 1972.

Crossroads of Kruispunt?

Crossroads is de naam van de religieuze jeugdgroep die een belangrijke rol speelt in de roman. De groep is vernoemd naar de ­gelijknamige bluessong van Robert Johnson, later gecoverd door Cream. In de Nederlandse vertaling heeft de jeugdgroep zijn ­Engelse naam behouden, maar is bij de boektitel voor ­Kruispunt gekozen, ­vanwege de sterk christelijke lading van dit woord.

Franzen vertelt het verhaal via de perspectieven van vijf personages, en hoewel in alle gevallen de derde persoon wordt gebruikt, dringen we zeer diep tot hun persoonlijkheden door. De roman kan zonder aarzeling een triomf in karakterisering worden genoemd. Vader Russ (47) is een matig succesvolle hulppredikant. Hij heeft een gespannen relatie met de leider (en de leden) van de jeugdgroep van zijn kerk: Crossroads. Zijn echtgenote Marion (50) heeft een verleden met psychische problemen die ze weerspiegeld ziet in het gedrag van haar drugs en alcohol gebruikende, hyperintelligente zoon Perry (15). Oudste zoon Clem (20), sinds een half jaar het huis uit, overweegt te stoppen met zijn studie, en zal daarom wellicht worden opgeroepen voor Vietnam. Zijn vanouds zo hechte band met zus Becky (18) heeft averij opgelopen en Becky zelf zit midden in haar allereerste, verwarrende liefdesaffaire.

Zullen de vervolgdelen verder­gaan in de jaren 70 of komen er tijdssprongen, bijvoorbeeld naar volgende generaties?

“Mijn plan is van meet af aan geweest om, aan de hand van een aantal terugkerende personages, een periode van ongeveer vijftig jaar van de Amerikaanse geschiedenis te ­beschrijven. Een echte familie­roman. Ook mijn vorige boeken beschrijven gezinnen, families, maar gaan daarnaast ook over allerlei andere zaken.

“In dit geval wilde ik een familie­portret schetsen over meerdere generaties. Daarbij wil ik mijzelf het genoegen schenken om zaken te exploreren die in mijn eerdere boeken niet aan de orde kwamen. Ik denk daarbij aan personages die in hun leven echt dramatische veranderingen doormaken: je verwacht dat hij of zij zich in een bepaalde richting zal ontwikkelen en dan blijken er dingen te gebeuren die zo’n leven een totaal andere kant opsturen.”

Wat is er zo aantrekkelijk aan het schrijven over gezinnen, families?

“Verwantschap tussen ouders en kinderen stelt ons in staat personages te vergelijken en tegenover elkaar te plaatsen. Je ziet bepaalde eigenschappen van Russ terug in zijn oudste zoon Clem, maar tegelijkertijd is er Clem veel aan gelegen om anders te zijn dan zijn vader. Dat is een extra dimensie die je in de schoot krijgt geworpen wanneer er sprake is van ouder-kindrelaties.”

“Die relaties zijn bovendien doorgaans erg intens. Stel, je gaat een lunchrestaurant binnen en ziet daar een moeder en haar tienerzoon zitten. Die zoon is duidelijk zeer ongelukkig, zegt geen woord, en alles wat zijn moeder doet om de jongen zich beter te laten voelen maakt hem alleen maar ongelukkiger. En die zitten dan alleen maar een broodje te eten. Maar in die schijnbaar triviale scène schuilt een heel drama. Laat staan wanneer er sprake is van een serieus conflict over zaken die er echt toe doen.”

Religie speelt een belangrijke rol in Kruispunt. Alle vijf hoofdpersonen hebben er sterke opvattingen over – pro of contra – en alle gebeurtenissen spelen zich af rond belangrijke dagen van de religieuze kalender.

“Ik weet niet meer waarom ik Russ predikant maakte, maar feit is dat ik zelf ben opgegroeid met de kerk. Ik ben twaalf jaar naar dezelfde kerk gegaan en was zes jaar lid van de jongerengroep van die kerk. Wat de kerk en de jeugdgroep betreft, hoefde ik voor dit boek niets te verzinnen. Mijn project in Kruispunt en de twee vervolgdelen is het onderzoeken van verschillende soorten mythologieën die mensen kiezen als richtsnoer in hun leven of waarmee ze zijn opgevoed.”

“In de jaren 70 had religie een ­totaal andere status dan tegen­woordig en het leek mij logisch om bij mijn onderzoek naar mytho­logieën met het christendom te ­beginnen. Dat speelt in Kruispunt een belangrijke rol. In de vervolgdelen zal dat niet het geval zijn. In 1971 was het in Amerika mogelijk om zowel progressief als christen te zijn. Vandaag de dag is dat zo goed als onmogelijk. Het christendom is de thuishaven geworden van de Republikeinen – van boze, rechtse lieden die andersdenkenden veroor­delen.”

Dit moet een onderwerp zijn dat u al langere tijd bezighoudt. In 2006 publiceerde u de essay­bundel The Discomfort Zone (De onbe­haaglijkheidsfactor), waarin u schrijft over de religieuze jongerengroep Fellowship waar­van u deel uitmaakte. Ook beschrijft u enkele figuren en gebeurtenissen die in Kruispunt in bijna dezelfde gedaante terugkeren. En we lezen hoe u in die tijd Robert Pirsig las, naar wie in Kruispunt de hoofdstraat is vernoemd van de voorstad waarin het boek speelt.

“Ik was vergeten dat Robert Pirsig voorkomt in The Discomfort Zone. Pirsig was belangrijk voor me toen ik 17 was en eigenlijk is hij nog steeds belangrijk. Hij was meer proces- dan productgericht, wat een typische jarenzeventigopvatting is: het gaat niet om het eindresultaat maar om de ervaring die je ondergaat terwijl je aan iets werkt. En dat is waarom ik ben blijven schrijven: omdat ik van het proces houd om aan een roman te werken. Niet omdat ik er een beloning voor wil, al heb ik daar op zichzelf geen bezwaar tegen.”

‘Het christendom is de thuishaven geworden van boze, rechtse lieden die anders­denkenden veroordelen.’ Beeld Contour by Getty Images
‘Het christendom is de thuishaven geworden van boze, rechtse lieden die anders­denkenden veroordelen.’ Beeld Contour by Getty Images

The Discomfort Zone gaat heel erg over mij, over de zaken waarvoor ik mij schaam, vooral in mijn jonge jaren. In verband met de research voor dat essay heb ik veel van de pakweg dertig mensen die destijds lid waren van Fellowship geïnterviewd. Dat werd mogelijk gemaakt door The New Yorker, waarin het essay oorspronkelijk werd gepubliceerd. Veel van het materiaal dat ik verzamelde kon ik niet voor het essay gebruiken. Denk aan de gang van zaken tijdens de wekelijkse bijeenkomsten van de jeugdgroep, het typische taalgebruik dat daarbij hoorde en wat die bijeenkomsten precies voor ons jonge mensen betekenden. Dat materiaal heb ik dankbaar gebruikt in mijn roman.”

Hoe bent u aan die vijf verschillende en uit­gesproken stemmen gekomen?

“Ik denk dat ik een natuurlijke aanleg heb om mijzelf te verdiepen en zelfs te verliezen in een persoon die ik niet ben. Het is lastig om uit te leggen hoe dat precies gaat. Van het meest getroebleerde personage, Perry, vertel ik dat hij een IQ van 160 heeft. Het lag dus voor de hand dat hij vaak in lange zinnen met veel moeilijke woorden spreekt en dat hij gecompliceerde redeneringen op touw zet. Becky is het populaire meisje op school, ze is niet zo geïnteresseerd in studeren, dus zij heeft een heel ander taalgebruik. Maar ik denk dat de stem van een personage minder te maken heeft met taalgebruik dan met de wijze waarop zijn of haar problemen worden uit­gelegd.”

Altijd in de derde persoon.

“Ik ben van mening dat je dichter bij een personage komt wanneer hij of zij in de derde persoon tot je komt, dan via de ik-vorm. Als regel schept de eerste persoon juist afstand, omdat er die verwarring is tussen auteur en personage. In de derde persoon is het duidelijk: er is een auteur, maar die is totaal onzichtbaar, dus je wordt als lezer op directe wijze met het bewustzijn van een andere persoon in contact gebracht. Ik denk dat vertellen in de derde persoon een van de geweldigste artistieke uitvindingen in de geschiedenis van de mensheid is.”

Maakt u voordat u aan een roman begint uitvoerige profielen van de hoofdpersonen?

“Ja. En daarin gaat de meeste tijd zitten: jaren. Het ontwikkelen van de personages is voor mij hét grote werk bij het schrijven van een roman. Het is daarbij heel behulpzaam als je een duidelijk beeld hebt van hoe iemand eruitziet. Russ is bijvoorbeeld qua uiterlijk gebaseerd op de man die in mijn jeugd de solopartijen in de kerk zong. Ik kende hem niet buitengewoon goed, maar had veel sympathie voor hem, en daarmee meteen ook voor Russ. Dat is belangrijk.”

“Een van de taken van de schrijver is altijd een bepaalde hoeveelheid sympathie voor een personage ontwikkelen. Want ze zullen zich in de loop van je boek niet altijd even goed gedragen. Je wilt niet lezen over een persoon met wie je geen enkele affiniteit hebt en die dan vervolgens ook nog onaangename dingen doet.”

Dat is een van uw regels als schrijver: ‘Je moet liefhebben alvorens je meedogenloos kunt zijn.’

“Absoluut. En zodra je hebt bepaald waarnaar een personage streeft, gaat de lezer zich daarmee identificeren. Hoe dat precies werkt, is mij nog altijd niet helemaal duidelijk, maar op de een of andere manier ontstaat er bij de lezer sympathie met het streven van dat personage.”

Twee derde van Kruispunt speelt zich af in enkele uren tijd, op 23 december 1971. In die korte periode gebeurt er ontzettend veel en alle vijf de verhaallijnen die zich ontwikkelen hebben consequenties voor elkaar. Het structureren en orkestreren daarvan moet een herculische klus zijn geweest, waarbij u van alle personages bijna van minuut tot minuut moet hebben bepaald waar ze op welk moment precies zijn en wat ze doen.

“Ik ben niet begonnen met een tijdlijn, maar toen ik ongeveer 200 pagina’s had geschreven werd het belangrijk om bepaalde zaken exact vast te stellen. Op welk moment gaat de moeder naar de bibliotheek, op welk moment komt de dochter thuis et cetera. Want als je dat niet heel nauwkeurig plant, zullen de lezers je daarop betrappen.”

“Dat het grootste deel van het boek zich op één dag zou afspelen, werd pas gaandeweg duidelijk, maar was voor mij als schrijver een geweldige ­stimulans. Ik wil als schrijver het idee hebben dat ik met iets bezig ben dat ik nog niet eerder heb gedaan. Want ik mag als verteller dan wel 19de-eeuwse wortels hebben, een belangrijk deel van mijn schrijverschap is ook het modernisme. Voor mij betekent modernisme een ­affiniteit met vormtechnisch experimenteren, de erkenning dat vorm net zo belangrijk is als inhoud. Natuurlijk ben ik niet de eerste romanschrijver die een boek op één dag laat afspelen, maar het is wel voor mij de eerste keer en dat is genoeg.”

Een andere schrijfregel die u ooit hebt geformuleerd, luidt: ‘De zuiverste autobiografische fictie vereist pure fictie. Kafka’s De gedaanteverwisseling is het meest autobiografische boek ter wereld.’

“Dat geldt in elk geval voor mij. Als ik een roman zou schrijven over een personage als mijzelf, zou ik een groot probleem hebben. Om te beginnen ben ik niet interessant genoeg, daarnaast ben ik te gecompliceerd om een personage te kunnen zijn en ten derde voel ik gewoon schaamte om wie ik ben. Dus het is altijd mijn methode geweest om mijn ideeën en gevoelens via een verzonnen personage uit te drukken.”

“Wat Kafka betreft: die voelde zich ellendig, inwonend bij zijn ouders. Als hij een verhaal had geschreven over een getalenteerde jongeman van in de 20 die een saaie baan had en bij zijn ouders woonde, zou dat geen interessant resultaat hebben opgeleverd. Om echt uitdrukking te geven aan de horror van zijn bestaan moest hij zichzelf in een insect veranderen.”

Is er een voorbeeld van zo’n ‘gedaante­verwisseling’ te geven uit Kruispunt?

“Ik zou het onmogelijk vinden om te schrijven over hoe ik voor het eerst verliefd was. Te gênant, vreselijk. Tegelijkertijd levert de ervaring om voor het eerst iemand te kussen een hele reeks interessante gevoelens en gemoedstoestanden op. Dus laat ik in Kruispunt Becky die ervaring hebben. We ontmoeten haar voor het eerst op de ochtend nadat ze haar eerste kus heeft gekregen.”

Maakt het voor u een verschil uit of u vanuit een mannelijk of vrouwelijk perspectief schrijft?

“Vreemd genoeg niet veel, behalve dat het vrouwelijk perspectief iets gemakkelijker is omdat de kans dan kleiner is dat mijn eigen beschaamde ik het personage zal infecteren. Ik ben zo heteroseksueel dat het bij een vrouwelijk personage glashelder is: dit ben ik niet. Hoe meer een personage op mij lijkt, hoe moeilijker ik het heb.”

Op verschillende niveaus lijken ouders cruciale zaken aan hun kinderen door te geven, van religieuze en morele overtuigingen tot zwakheden en kwets­baarheden. Het lijkt een commentaar op het Amerikaanse idee dat je jezelf altijd opnieuw kunt uitvinden.

“Er valt een bijzonder interessante discussie te voeren over de vraag waarom Amerikanen zo aan dat idee zijn gehecht en in hoeverre er sprake is van een collectief schuldgevoel over hoe we de Native Americans hebben behandeld, om nog maar te zwijgen over die driehonderd jaar slavernij.”

‘Ik zou het onmogelijk vinden om te schrijven over hoe ik voor het eerst verliefd was. 
te gênant, vreselijk.’ Beeld Contour by Getty Images
‘Ik zou het onmogelijk vinden om te schrijven over hoe ik voor het eerst verliefd was. te gênant, vreselijk.’ Beeld Contour by Getty Images

“Ik geloof niet dat je jezelf radicaal opnieuw kunt uitvinden. Onderzoek toont aan dat meer dan 50 procent van je persoonlijkheid genetisch wordt bepaald. Omgeving en toeval zijn be­langrijk, maar bepaalde zaken zijn bewijsbaar erfelijk.”

De overkoepelende titel van uw trilogie-in- wording luidt Een sleutel tot alle mytho­logieën. Dat is ook de titel van de studie waaraan het personage Edward Casaubon werkt, de dorre, onsympathieke huis­kamer­geleerde in de roman Middle­march van George Eliot. Casaubons boek raakt nooit af en na zijn overlijden is de conclusie dat al zijn observaties en stellingen achterhaald zijn. Dit lijkt me een pittig staaltje zelfironie.

“Zeker. En misschien probeer ik hiermee ook wel het lot te tarten omdat ik bang ben dat ik mijn ­eigen trilogie ook niet zal kunnen voltooien. Maar feit is dat ik, zoals gezegd, zeer geïnteresseerd ben in uiteenlopende mythologieën. In dit eerste boek is dat het christendom. Casaubon mag dan een verwerpelijke figuur zijn, hij is ook een tragische man die de wereld om zich heen niet echt begrijpt.”

“Toen ik op mijn 22ste Middlemarch las, haatte ik Casaubon, zoals ik op dat moment de hele academische wereld haatte. Toen ik het boek een aantal jaren geleden herlas, zag ik dat hij een indrukwekkende, aangrijpende figuur is. Je hoeft het niet met een personage eens te zijn om medelijden met hem te hebben.”

“Bovendien: de essentie van de ‘sleutel tot alle mythologieën’ is dat dat project gedoemd is te mislukken. Er ís geen sleutel tot alle mythologieën.”

Kruispunt

Bron: De Morgen

Naar Facebook

Naar de website


Scroll naar boven