Apache – De depressie-epidemie en de mythe van het gelukshormoon


Belgen zijn massaal verslingerd aan ‘benzo’s’, antidepressiva en andere psychofarmaca. Bij kinderen en jongeren is het gebruik van antidepressiva bezig aan een steile opmars. Heel veel mensen blijven ervan overtuigd dat een tekort aan het ‘gelukshormoon’ serotonine de oorzaak van depressie is en dat een pil dé oplossing is. We zetten daarom nog even de puntjes op de i: waar komt die hardnekkige mythe van het gelukshormoon vandaan en waarom moeten we die blijven doorprikken?

Liesbet De Kock – Apache


Van slaap- en kalmeerpillen tot antidepressiva: het gebruik van psychofarmaca onder de Belgische bevolking ligt al jaren bijzonder hoog. Zowat 25% van de Belgen grijpt naar medicatie om de dag en/of de nacht door te komen. Vooral chronisch gebruik baart zorgen.

Het eerste voorschrift effent bij velen het pad voor jaren- of zelfs levenslang pillen slikken.

Naast de opmars van zogeheten benzodiazepines – middelen tegen angst en slapeloosheid – gaan ook antidepressiva vlot over de toonbank.

Zo’n 13% van de volwassen Belgen krijgt ze voorgeschreven, maar ook kinderen en jongeren stuwen het gebruik de hoogte in.

In 2022 werd liefst 60% meer antidepressiva voorgeschreven aan 12- tot 18-jarigen dan in 2018.

In 2022 werd 60% meer antidepressiva voorgeschreven aan 12- tot 18-jarigen dan in 2018

Om de overconsumptie van psychoactieve medicatie in te dijken lanceerde minister van Volksgezondheid Frank Vandenbroucke (Vooruit) enkele weken geleden de campagne Psychofarmaca: welke risico’s lopen uw patiënten? Samen zorgen voor een gepast gebruik.

Die actie mikt in de eerste plaats op zorgprofessionals en legt terecht de nadruk op de risico’s en (vaak ernstige) bijwerkingen van de middelen.

Ook het belang van psycho-educatie wordt onderstreept in de campagne: patiënten en hun omgeving correct informeren over de aard en oorzaken van psychische problemen en over de mogelijkheden en grenzen van psychofarmaca.

Ook dat is hard nodig. Zo blijkt uit nationaal en internationaal onderzoek dat het (overdadige) gebruik van psychofarmaca mee wordt aangevuurd door een achterhaalde, strikt medische kijk op psychisch onwelzijn.

Wie ervan overtuigd is dat de oorzaak van psychisch onwelzijn ligt bij genetische aanleg of een chemisch onevenwicht in de hersenen, grijpt nu eenmaal makkelijker naar pillen en … is geneigd ze langer te gebruiken.

Vooral het idee dat depressie wortelt in een tekort aan het ‘gelukshormoon’ serotonine blijft een onweerstaanbare aantrekkingskracht uitoefenen. Nochtans overstijgt die theorie nauwelijks het niveau van een urban legend en is er amper nog een hulpverlener te vinden die er de hand voor in het vuur wil steken.

Toch blijft de opvatting welig tieren bij het brede publiek. Dit werkt mee de (over-) consumptie van antidepressiva in de hand. De kloof tussen wat leken geloven over depressie en wat de wetenschap er (niet) over te zeggen heeft, blijft erg groot.

Wie zich afvraagt hoe dat komt, belandt in een kluwen van sociale, culturele, en marktgedreven motieven, waar de wetenschap al snel bij inschiet.

De geboorte van een mythe

Zwaarmoedigheid, ook van de invaliderende soort, is zo oud als de mens zelf. Nu eens werd het gezien als een spiritueel probleem of zelfs een vorm van bezetenheid, dan weer als een lichamelijke kwaal veroorzaakt door een teveel aan zwarte gal.

De komst van de biologische psychiatrie in de negentiende eeuw luidde andermaal een nieuw denkkader in. De terminologie verschoof van melancholie naar depressie en artsen en psychiaters gingen verwoed op zoek naar een biologische oorzaak.

Nog voor de hypothese over een tekort aan serotonine als oorzaak voor depressie de wetenschappelijke toetsing doorstond, gingen wetenschappers spreken over ‘het gelukshormoon’

In de tweede helft van de twintigste eeuw ontdekten wetenschappers eerder toevallig dat het toedienen van de stof serotonine bij sommige – maar lang niet alle – mensen een gunstige invloed heeft op de stemming. Zonder twijfel een interessante vaststelling of op zijn minst de moeite waard om verder uit te pluizen.

De conclusie leek onweerstaanbaar in haar eenvoud: een depressief gemoed is het gevolg van een serotoninetekort. Depressie werkt dan een beetje zoals suikerziekte: door een tekort aan bepaalde stofjes. Als dat klopt, dan ligt ook de remedie voor de hand: we dienen het ontbrekende stofje toe en daarmee is de kous af.

Om de serotoninehypothese wetenschappelijk hard te maken moet je echter nog een aantal zaken kunnen aantonen.

Dat het serotoninegehalte van mensen met een depressie systematisch lager ligt dan bij mensen zonder depressie bijvoorbeeld.

Of dat het kunstmatig verlagen van het serotoninegehalte depressieve klachten veroorzaakt.

Enkel dan zou het ziekteproces dat aan de grondslag ligt van depressieve klachten enigszins te vergelijken zijn met iets als suikerziekte.

Advertenties voor antidepressiva gingen steeds verder afstaan van de wetenschappelijke evidentie

Nog voor de hypothese die toetsing doorstond, gingen wetenschappers spreken over ‘het gelukshormoon’ en werd het startschot gegeven voor de ontwikkeling van zogeheten SSRI’s (selective serotonin reuptake inhibitors), die het serotoninegehalte in de hersenen kunstmatig verhogen.

Nog steeds is het veruit de meest voorgeschreven klasse van antidepressiva.

De bekendste is zonder twijfel fluoxetine, beter bekend onder de merknaam Prozac. Toen dat middel in 1987 op de markt kwam in de VS, had niemand het succes ervan kunnen voorzien. Mensen gingen massaal overstag voor het middel, met veertig miljoen gebruikers wereldwijd tegen 2002. Dit was goed voor een omzet van 22 miljard dollar.

In de vaak agressieve marketingcampagnes in de Verenigde Staten stond de serotonine hypothese centraal: wie depressief is heeft een stofje tekort en antidepressiva vullen dat stofje aan. Een miraculeuze oplossing voor een ernstig en wijdverspreid probleem.

Alleen: die advertenties stonden steeds verder af van de wetenschappelijke evidentie.

Onderzoek trappelt ter plaatse

Na meer dan vijftig jaar wetenschappelijk onderzoek blijft het verhoopte bewijs voor de serotonine hypothese uit.

Onderzoeksresultaten blinken vooral uit in grilligheid. Depressieve klachten blijken geen gelijke tred te houden met serotoninegehaltes en het kunstmatig verlagen van serotonine leidt niet consistent tot depressieve klachten.

Bovendien levert het gebruik van SSRI’s – in tegenstelling tot pakweg insuline bij suikerziekte –  bij patiënten wisselende resultaten op: voor sommigen maken ze effectief een verschil, voor anderen doen ze niets en bij nog een andere groep leiden ze tot een plotse verergering van de klachten.

Een verhoogd risico op zelfdoding is intussen opgenomen in de meeste bijsluiters.

Antidepressiva die werken op het serotoninegehalte in de hersenen doen soms iets, maar we weten niet precies wat, en al zeker niet hoe of waarom

Ook het gebrek aan wetenschappelijk inzicht in de precieze werking van antidepressiva staat daarin zelfs gewoon vermeld: “Het is nog niet helemaal duidelijk hoe […] SSRI’s werken”, lezen we bijvoorbeeld in de bijsluiter van het vaak voorgeschreven Seroxat.

Hoe het komt dat de middelen bij sommigen wel het verhoopte resultaat opleveren is intussen opnieuw het voorwerp van onderzoek.

Voorlopige verklaringen gaan van een placebo-effect, over een algehele afvlakking van emoties (en dus ook zwaarmoedigheid), tot een soort shockeffect in de hersenen dat bij sommigen heilzame en bij anderen rampzalige effecten sorteert.

De voorlopige conclusie is dan wel weer duidelijk: SSRI’s doen soms iets, maar we weten niet precies wat, en al zeker niet hoe of waarom. Dat hoeft trouwens allerminst aanleiding te geven voor pillshaming.

Depressie kan bijzonder invaliderend zijn en dan is elke mogelijke reddingsboei welkom.

Vorsers versus vloggers

Doordat sluitend bewijs uitblijft, staat de geldigheid van de serotoninehypothese in wetenschappelijke kringen al jaren ter discussie. Ze verliest ook steeds meer aanhang.

Vorig jaar nog maakte een internationaal team van gezondheidswetenschappers een balans op van de stand van het onderzoek in het gerenommeerde wetenschappelijke tijdschrift Nature. Hun besluit was ondubbelzinnig:

“Er is geen bewijs dat depressie veroorzaakt wordt door een laag serotoninegehalte.”

De enige pertinente vraag die dan overblijft is of het tijd is om de hypothese op te bergen, dan wel nog verder te onderzoeken.

Intussen is het onder vorsers steeds meer ingeburgerd om te spreken over de “mythe van het chemische onevenwicht“. 

Sommigen gaan nog een stap verder en hebben het zelfs over een vorm van fraude door farmaceutische bedrijven, die doelbewust desinformatie verspreiden uit winstbejag.

De brede bevolking blijft opvallend in de ban van ontbrekende stofjes en gelukshormonen

Hoe het ook zij: het gros van de academici, beleidsmakers en hulpverleners hebben het idee van psychisch onwelzijn als gevolg van een chemisch onevenwicht intussen achter zich gelaten. Dat psychisch lijden veroorzaakt wordt door een complex samenspel van biologische, psychische en sociale factoren staat amper nog ter discussie.

De brede bevolking blijft echter opvallend in de ban van ontbrekende stofjes en gelukshormonen.

In sommige studies geeft tot 80% van de deelnemers aan dat depressie volgens hen het gevolg is van een chemisch onevenwicht in de hersenen.

Uit een analyse van YouTube-video’s waarin vloggers spreken over (hun) depressie blijkt dat de helft die getuigenis ophangt aan verhalen rond biologische gebreken en chemische onevenwichten. Ook in België heeft het idee nog steeds een groot draagvlak.

Het wijst op een gebrekkige mental health literacy, het brede publiek heeft onvoldoende inzicht in de aard van psychisch onwelzijn . Een gebrek aan kennis dat mee het (langdurige) gebruik van psychofarmaca in het algemeen en antidepressiva in het bijzonder aanzwengelt.

Een leugentje om bestwil

De kloof tussen wetenschappelijke kennis en opinie is zo groot dat ze de laatste jaren zelf het voorwerp werd van onderzoek. Tegenwoordig buigen onderzoeksteams wereldwijd zich over de vraag wat het succes én het voorbestaan van de mythe van ontbrekende stofje kan verklaren.

Naast de invloed van marketing en reclame wordt daarbij wel eens gewezen op het feit dat de mythe naadloos aansluit bij een neoliberaal waardenkader.

Daarin staat individuele verantwoordelijkheid centraal en verwordt psychisch onwelzijn snel tot een strikt persoonlijke aangelegenheid, losgeknipt van de sociale en economische context.

Wie amper nog het bed uit raakt vindt vaak rust in het idee dat er een noodlottige lichamelijke disfunctie in het spel is

Maar ook dat kan het blijvende succes van de theorie niet verklaren. Steeds meer onderzoek wijst op de grote persoonlijke winst van het verhaal voor patiënten.

Het idee dat depressie “een ziekte is als een ander” blijkt bijzonder effectief in het bestrijden van schaamte- en schuldgevoelens.

Wie uitvalt, niet meer kan voldoen aan verplichtingen, of amper nog het bed uit raakt, vindt vaak rust in het idee dat er een noodlottige lichamelijke disfunctie in het spel is.

Ook artsen en psychiaters geven het verhaal van het serotoninetekort daarom nog vaak mee aan hun patiënten, blijkt uit onderzoek en getuigenissen. Zelfs in het volle bewustzijn dat de theorie vanuit wetenschappelijk oogpunt zo lek is als een zeef.

Strikt genomen is dat desinformatie, maar velen beschouwen het als een leugentje om bestwil.

Ook in de context van destigmatiserings campagnes wemelt het om diezelfde reden vaak van strikt medisch taalgebruik.

Alle goede bedoelingen ten spijt, anno 2023 weten we dat die strategie een tweesnijdend zwaard is. Zo voelen depressieve patiënten die vasthouden aan de mythe van het gelukshormoon zich inderdaad minder schuldig.

Depressieve patiënten die vasthouden aan de mythe van het gelukshormoon zijn minder optimistisch over de kans op herstel 

Anderzijds toont onderzoek ook aan dat ze minder optimistisch zijn over de kans op herstel en dat het geloof in het vermogen om zelf emoties te controleren en reguleren vaak afneemt. Dat is allerminst onbelangrijk, zeker bij kinderen en jongeren bij wie die vaardigheden nog volop in ontwikkeling zijn.

Bovendien gaan mensen zo makkelijk geloven dat ze een leven lang afhankelijk zijn van psychofarmaca. Paradoxaal genoeg zwengelen pogingen om stigma, schuld en schaamte op te heffen op die manier indirect de (over-)consumptie van psychofarmaca aan.

Het destigmatiserende potentieel van de mythe blijkt bovendien nogal overschat. Wie door een strikt medische bril kijkt naar psychisch onwelzijn is inderdaad geneigd om patiënten minder verwijten te maken.

Anderzijds cultiveert die bril wel de perceptie van onvoorspelbaarheid en gevaar, waardoor anderen eerder geneigd zijn om op veilige afstand te blijven. De mythe werkt op die manier zelfs inclusie tegen.

Gelukshormonen en status quo

Om het gebruik van psychofarmaca terug te dringen is inzetten op mental health literacy dus een onmisbare stapsteen. Op het eind van de rit gaan blisters antidepressiva nog steeds vaak samen over de toonbank met lang achterhaalde theorieën over de aard en oorzaak van psychisch onwelzijn.

De mythe van het gelukshormoon dient vele belangen, maar alvast niet die van mensen onderaan de socio-economische ladder

En dat is lang niet zo onschuldig, om verschillende redenen. Zeker niet bij kinderen en jongeren. Dat zij steeds meer antidepressiva slikken is misschien ontnuchterend, maar niet geheel onverwacht.

Het welzijn van de Belgische jeugd gaat er al enkele jaren op achteruit, bleek dit jaar nog uit een grootschalige bevraging. Zeker naarmate je afdaalt op de socio-economische ladder werd toen ook duidelijk.

Net in die kwetsbare groepen blijft aan het eind van de maand vaak geen geld meer over om psychotherapie te betalen en wordt sneller naar pillen gegrepen. Zij vallen zo ook sneller ten prooi aan parabels over gelukshormonen en chemische onevenwichten.

Daarbij dreigt de impact van penibele levensomstandigheden en sociaal-economische ongelijkheden op mentaal welzijn naar het achterplan te verdwijnen.

Het levert op de valreep een bijkomend bezwaar op tegen de mythe van het ontbrekende stofje in het brein. Die dient vele belangen, maar alvast niet die van de mensen onderaan de socio-economische ladder.


Liesbet De Kock schrijft sinds 2022 voor Apache. Ze heeft een achtergrond in de klinische psychologie en filosofie. Voordien werkte ze als gastprofessor aan de VUB en het KASK, en als onderwijsassistent aan de UGent.


Waarom we de hardnekkige mythe van het gelukshormoon moeten blijven doorprikken. (Nastya Dulhiier (Unsplash))

Lees ook

Vul hieronder de zoekopdracht Apache in en vind meer berichten.


Bron: Apache

Naar Facebook

Naar de website


Scroll naar boven