Tinneke Beeckman – Taylor Swift willen zijn


Waarom zouden jonge mensen Taylor Swift willen zijn? Het is al moeilijk genoeg om te proberen jezelf te worden, schrijft Tinneke Beeckman.

Tinneke Beeckman – De Standaard


De dochter van een kennis wilde Taylor Swift zijn. Dat leek een bevlieging tot bleek dat ze het meende en zeer ongelukkig werd.

‘Jij bent vrij om te worden wie jij wilt zijn’, klinkt het vandaag.

Men ziet er de logica van een kapitalistisch individualisme in: je mogelijkheden zijn onbegrensd, je beslist alles zelf en dus ben je ook zelf verantwoordelijk voor je succes en je mislukking.

Dat individualisme heeft nog een ander facet, dat vanaf de moderniteit opduikt: jij bepaalt jezelf vanuit je hoofd. Ongeacht hoe je in de materiële wereld bestaat. Je werd op een bepaald ogenblik geboren, je leeft in een bepaalde context. Je hebt een ­lichaam met kwaliteiten, maar ook beperkingen.

De moderniteit begint met de filosofie van Descartes (1596-1650).

Die poneert twee ­opmerkelijke ideeën over geest en ­lichaam:

  • je bestaat eerst in je hoofd,
  • je lichaam en geest zijn radicaal gescheiden.

Op zoek naar zekere kennis poneert hij het bekende ‘je pense, donc je suis’ (ik denk, dus ik ben).

Descartes wil weten wat hij met zekerheid kan bevestigen. Met traditionele kennis – retoriek, literatuur, religie – komt hij nergens.

Hij begint met een schone lei.

Wat weet hij? Dat als hij denkt, iemand denkt, en die iemand bestaat. En zo bouwt Descartes verder. Hij weet met zekerheid dat God bestaat. De filosoof neemt dan pas aan dat de ervaringen van het lichaam en de wereld ook reëel zijn.

Eén godsbewijs luidt dat God een perfect wezen is. Als je het perfecte kunt denken, moet er een perfect wezen zijn dat die gedachte in je hoofd mogelijk heeft gemaakt.

En een perfect wezen zou je niet doelbewust misleiden. Je kunt er dus op vertrouwen dat je zintuigen je niet bedriegen: je lichaam bestaat, de wereld is echt.

In Les passions de l’âme werkt Descartes het dualisme tussen ziel en lichaam verder uit.

Ziel en lichaam zijn van een radicaal andere orde. De ziel is een ding dat denkt, een ‘res cogitans’, immaterieel en onsterfelijk.

In de ziel huist je vrije wil, je morele verantwoordelijkheid, kortom, wie je bent.

De mens heeft ook een lichaam, dat een uitgebreid ding is, ‘res extensa’.

Die lichamelijkheid hebben dieren ook. Elk lichaam is een complexe machine, onderworpen aan de wetten van de natuur.

Om vrij te zijn, moet je greep krijgen op die machine.

Descartes onderzoekt daarom welke lichamelijke effecten de passies hebben. Hij ontwerpt een soort neurofysiologische beschrijving.

Daarbij wordt het dualisme tussen geest en lichaam maar in één hersenorgaantje opgeheven: de pijnappelklier.

Zo wisselen geest en lichaam informatie uit. Voor Descartes is de geest het superieure deel, dat er idealiter in slaagt het lichaam te beheersen.

Het lijkt erop dat Descartes’ ‘ik denk, dus ik ben’ een modernere variant heeft gekregen:

‘Ik ben wat ik denk dat ik ben.’

Alsof je kunt worden wat je je voorstelt dat je bent. En dankzij technologische ontwikkelingen is dat voor een deeltje waar. De mens slaagt er inderdaad steeds meer in om te worden wie hij wil zijn.

In de virtuele wereld kun je bovendien een aparte identiteit, een avatar creëren. Natuurlijk komt die visuele en virtuele representatie maar gedeeltelijk overeen met de werkelijkheid, maar de grenzen vervagen.

Dat het lichaam vooral beheerst moet worden, blijkt ook elders. De fitnessindustrie praatte iedereen het maakbare, perfecte lichaam aan.

In de jaren 80 lanceerde Jane Fonda video’s waarin ze voordoet hoe je het lichaam moet trainen. Gewoon bewegen is niet voldoende: je lichaam is een massa die je in de juiste vorm moet gieten.

Het werd een meedogenloze hype.

Ook in ziektebeelden valt de harde houding tegenover het lichaam op.

Onlangs zag ik de documentaire Anorexic. Enkele jonge anorexiapatiënten vertellen over hun moeizame herstel.

Tijdens hun ziekte horen ze een stem in hun hoofd die hen opdraagt hoe ze het lichaam tot een bepaald gewicht moeten terugbrengen. Zelfs al lijdt dat lichaam helse pijnen en loopt het levensbedreigende schade op.

Die ziektebeelden zijn enorm complex, ik pretendeer niet ze te begrijpen. ­Alleen valt me op hoe sterk het lichaam wordt ervaren als iets dat de geest moet kunnen gebieden.

In de moderniteit raakt de christelijke lichaamsopvatting – als bron van zonde – op de achtergrond.

Descartes introduceert een andere visie: het lichaam als een machine. Je ziel is daarentegen de zetel van je identiteit.

Het lichaam wordt zo niet langer het vertrekpunt van je bestaan, van je kwaliteiten, maar ook van je beperkingen.

Taylor Swift willen worden is geen mooie droom, maar een desillusie, een hersenschim die je verhindert te zien waartoe je wel in staat zou zijn.

Je moet niet proberen te worden wat je je kunt voorstellen, zonder rekening te houden met de realiteit. Je moet, naar het woord van Nietzsche, worden wat je bent.


Taylor Swift: ik zing, dus ik ben. © ap

Tinneke Beeckman is filosofe en schrijfster. Haar column verschijnt tweewekelijks op donderdag in De Standaard.


Luister ook naar

Podcast – Het inzicht – Tinneke Beeckman 


Lees ook

Klik hier of op de hyperlink hieronder en vind andere columns van

Tinneke Beeckman


Bron: De Standaard

Naar Facebook

Naar de website


Scroll naar boven