Niña Weijers – Zelf doen – Boon genomineerde


Met Zelf doen geeft Niña Weijers een handleiding bij het kijken, leven en lezen. ‘Het interessante zit hem vaak in de dingen waar je geneigd bent over te kijken omdat ze zo vanzelfsprekend zijn.’

Lieve Van de Velde – De Standaard



Op 30 maart wordt de winnaar van de Boon bekendgemaakt in Gent. Tot dan spreken we elke week af met een van de genomineerden op een door hen gekozen plek. Via www.standaard.be/deboon kunt u mee beslissen wie de publieksprijs krijgt.


‘Blijkbaar zat er diep in mij een verlangen naar vloerverwarming’

Niña Weijers


‘Ik had van mijn huis aan het park gehouden, heel erg veel zelfs, en de jaren dat ik er woonde had ik de dag gevreesd dat ik eruit zou moeten.

‘Natuurlijk ging het niet om de bestaande, objectieve, in stenen uitgedrukte realiteit van het huis zelf. Het ging om de manier waarop mijn leven zich om die ­stenen had gevormd, om hoe de stenen de tijd bij­hielden, zo vanzelfsprekend dat de tijd zelf was gaan lijken op het huis, een ruimte met stevige muren hoog boven de straat, een schip dat kalm de seizoenen aan zich voorbij liet trekken.’

Dit stukje staat ergens op de laatste bladzijden van Zelf doen, het boek waarmee Niña Weijers de shortlist voor de Boon haalde.

De zinnen zijn min of meer het touwtje waarmee het boek wordt dichtgebonden. Ze markeren het moment waarop ze vertrekt uit de schrijversflat in het statige huis aan het Amsterdamse Oosterpark, de plek waar ze vijf jaar ‘doodgraag’ woonde, en verhuist naar iets wat ze zelf ietwat oog­rollend ‘het yuppeneiland’ noemt, aan de rand van de stad. 

Zelf doen bundelt niet alleen de columns en essays die ze in die periode schreef voor De Groene Amsterdammer, maar ook een belangrijke brok uit haar ­eigen ­leven, een leven dat zich dus voor een groot deel in en aan dat park afspeelde, richting volwassenheid – al is dat laatste nog maar de vraag.

Ook dat blijkt uit haar stukken.

Wie wint de Boon: Filip Joos en Lieve Van de Velde over ‘Zelf doen’ van Niña Weijers

Het is het park waar we nu doorwandelen, op een gure zondagnamiddag. Als de plek al een echte charme heeft, zit die nu verborgen onder grijze wolken­sluiers en een vervelende ijsregen.

Toch hangt er dankzij een winterse dansles en een paar opwaaiende winterjurken in de parkkiosk toch nog iets van vrolijkheid in de lucht. Intussen gaan onze blikken vol medelijden naar de doorweekte buikharen van Jerom, de wijfjesteckel van Niña Weijers.

Het beest lijkt er zelf niet onder te lijden, want prompt springt ze de parkvijver in. ‘Klein maar dapper’, zegt een voorbijgangster lachend. Weijers lacht terug.

‘Grappig, ik ben hier twee jaar weg, en toch herken ik nog altijd mensen die hier rondwandelen. Ik heb geen idee hoe ze heten. We kenden elkaars gezichten en de namen van de honden, niet de namen van de baasjes. Het heeft iets bizars. Alsof je in een ­parallel universum zit.’

Als een stadsgids geeft ze uitleg over haar park. Ze wijst de paadjes aan die we moeten volgen om geen rechtsomkeer in onze wandeling te krijgen.

‘In de ­zomer is het hier één groot picknickveld, en de gemeenschappelijke tuin van veel Amsterdammers. Soms hangt er echt een festivalsfeertje. Maar zoals elk park is dit ook een verkleinde afspiegeling van de wereld daarbuiten.

‘Het ligt op een kruispunt van een ­burgerlijke buurt en de multiculturele Indische buurt. Die mensen komen hier allemaal wandelen. De junks en daklozen hangen hier rond. Soms is het opletten voor heroïnepoep en naalden. En daar, kijk tussen die ­bomen, woonde ik.’

Uw boek begint met een column rond de vraag of u als kind een vrije rebel of een bang vaderskindje was en eindigt met het moment dat u zwanger bent en hier uw boeltje pakt. Hebt u als een regisseur uw stukken samengebracht?

‘Ja, Ik wou echt die eerste jaren als dertiger vangen. Dat klinkt banaal, ik besef het. Maar die zwangerschap en die verhuizing vielen min of meer samen, en dat was voor mij een goede reden om een selectie van de columns uit die tijd bij elkaar te brengen en uit te ­geven.

‘Ik wou niet zoals sommige columnisten gewoon willekeurig wat stukken verzamelen en daar dan een kaft omheen gooien, maar die hele periode tot ­object maken. En deze locatie hoort daarbij.’

De locatie werkte duidelijk inspirerend, in uw boeken voel je meer dan eens hoe u wandelend tot inzichten komt.

‘Klopt. Ik had toen net een hondje en dat dwong me in een fijne dagelijkse wandelroutine. Bijna altijd ging Maartje Wortel mee. Zij is mijn beste vriendin, ook schrijfster, en ze woonde hier toen achter de hoek.

‘Elke dag voerden we hetzelfde soort gesprekken terwijl we dezelfde rondjes wandelden, en toch veranderde er de hele tijd van alles op de achtergrond, in onze relaties, en het leven.

‘Die wandelingen waren een vast ankerpunt, de omgeving het decor waartegen mijn leven zich afspeelde. Naar die gedachte heeft Maartje overigens een wandelboek geschreven: De Groef. Als een elpeegroef waarin wij onze rondjes liepen.’

Verkeerd gewassen

De kilte doet onze stemmen bibberen. We duiken een van de landmarks in het park in: het café van ­Hotel Arena.

Het haardvuur voelt exotisch warm. ­Jerom krijgt een bakje water, haar baasje een flat white. Ze vertelt over wat haar aan het schrijven zet. Hoe ze door de joggers in dit park te observeren uitkomt bij de staat van onze wereld, bijvoorbeeld.

‘Als je er even over nadenkt, dan …’: dat is de insteek die ik bij uw stukken voel. Door dieper na te denken over vaak stomme dingen, zoals een vervelende jogger in dit park of de instructies van Ikea, komt u telkens tot een filosofisch essay.

‘De meeste stukken beginnen inderdaad niet vanuit een heel grote gebeurtenis of een grote gedachte, maar gaan over iets heel banaals. Een nieuwe plant kopen. Een trui die verkeerd gewassen is.

‘Het heeft allemaal te maken met aandacht. Waaraan ben je bereid je aandacht te geven? En waar kijk je onvermijdelijk over wanneer je iets aandacht geeft? Voor mij zijn dat wezenlijke vragen.

‘Aandacht is een megafoon die dingen heel hard uitvergroot. Je ziet dat ook in het bredere plaatje: in de politiek en de media, hoe populistisch rechts door hun manier van actievoeren en communiceren veel aandacht opeist en krijgt.

‘Je ziet het net zo goed in de discussie over de canon: wie bepaalt wat we lezen? Tot voor kort, en dat is echt niet lang geleden, waren dat witte oude mannen. Op mijn leeslijst op school stond zelfs nog weinig anders. Er was niemand die zei dat dat raar was, of dat er iets niet klopte.

‘Dat is pas veel later gekomen, toen we er aandacht voor hadden.’

‘Aandacht, denken, lezen, leven. Dat is een associatieve keten in mijn hoofd. Iets zien, daarbij blijven hangen, en errond lezen. Vooral dat laatste. Literatuur is een belangrijk onderdeel van het boek. Vandaar ook die leeslijst op het einde.’

Aandacht is ook de prooi van de aandachtseconomie. En dat doet denken aan iets wat u schrijft: ‘Het echte geluk dat literatuur oplevert, is dat van concentratie.’ Het plezier van die flow die je met lezen hebt, is iets heel herkenbaars. Maar het is ook iets dat hoe langer hoe moeilijker wordt voor veel mensen.

‘Concentratie is zo’n kostbaar goed geworden. Hoe moeilijk moet het zijn voor mensen die nu opgroeien om een heel boek uit te lezen? Dat vraag ik me vaak af.

‘Pas op, ik ben ook verslaafd aan mijn smartphone, ik moet ook trucjes gebruiken wanneer ik wil schrijven, en een appje inschakelen dat al mijn apps uitzet. Het klinkt heel dom en absurd, maar je kunt niet anders wanneer je aandacht langs alle kanten ­gekaapt wordt.’

‘Waaraan ben je bereid je aandacht te geven? En waar kijk je over wanneer je iets aandacht geeft? Voor mij zijn dat wezenlijke vragen. Aandacht is een megafoon die dingen heel hard uitvergroot’ 

Niña Weijers

Die focus op gewone, banale dingen, is dat een fijne of hinderlijke manier om naar het leven te kijken?

‘Op een rare manier is het een tweede natuur geworden, en tegelijk ben ik het ook niet zelf die zo kijkt. Ik vergroot de dingen uit die voor het schrijven interessant zijn, maar de ik die dat doet, is niet dezelfde ik die nu met jou praat. Het is een soort persona, een vertelstem.

‘Het is die persona die naar de wereld kijkt, dingen uitvergroot, verbanden ziet. Een fijne manier dus, want zo maak ik mijn wereld rijker.

“Als ik het niet opschrijf, heb ik het niet echt meegemaakt.” Zo zegt ­Annie Ernaux het ook altijd. En dat is het.’

Rijmt dat observerend over het leven schrijven met het leven ook écht leven?

‘Oh ja hoor. Ik gooi me best wel in de stroom die het leven is. Ik zit echt niet de hele dag te analyseren en te observeren. Die persona wel, ja (lacht).

‘Die schrijfstem staat veel nadenkender in het leven, en die heeft ook tijd nodig om erop terug te kijken. Die is heel traag. Die moet eerst ergens de betekenis in vinden voor ze er iets over kan zeggen of schrijven.’

Is dat de reden waarom u een heel essay kunt schrijven rond banale dingen maar niets geschreven kreeg over een ingrijpende ervaring als een ayahuascasessie, waar u geïnspireerd door William Burroughs met grote verwachtingen aan begon?

‘Ja, dat is een interessant gegeven. Zo’n ayahuasca wou ik al lang meemaken, en ik wou er heel graag over schrijven. En toen maakte ik het mee en bleek dat ik er lang niets over op papier kreeg.

‘Zo’n trip is intens, iets buiten alle grenzen van wat je normaal doet. Geestverruimend maar een fysieke uitputtingsslag. Dat was zo particulier dat ik daar geen betekenis in kon leggen en dus niets zinnigs over kon schrijven.

‘Het deed me denken aan mensen die per se hun dromen willen vertellen, en hoe dat altijd zo saai en oninteressant is. Zoiets in uitvergrote vorm was dat. De enige manier om die ervaring vast te pakken was om me te focussen op de taal die mensen gebruiken bij het beschrijven van hun trip.

‘Dus schreef ik over hoe ik gedwongen werd om te luisteren naar de ervaringen van die andere mensen in zo’n vreselijk kringgesprek:

“We moeten naar het ik, we moeten naar binnen”, dat soort woorden gebruikten ze dan.

‘De vraag hoe we naar onszelf kijken, fascineerde me daarmee stilaan meer dan mijn particuliere ervaring in die trip. Het heeft twee jaar geduurd voor ik over die ayahuasca begon te schrijven, maar dat leverde wel een ander stuk op dan wanneer ik meteen iets zou hebben geschreven.’

‘Waar het op neerkomt: als mensen iets bijzonders hebben meegemaakt, denken ze vaak dat dat ook in­teressant is voor anderen. Maar het interessante zit hem vaak niet daar.

‘Dat zit hem – en dat heeft weer met aandacht te maken – in de dingen waar je geneigd bent overheen te kijken omdat ze zo vanzelf­sprekend zijn.’

Niña Weijers Beeld Renate Beense

Op een debat omschreef een moderator uw ­columns daarom als ‘die van achter het nietje’, iets voor de tweede helft van een blad. Vindt u dat denigrerend?

‘Dat was natuurlijk wel een beetje denigrerend, al had hij dat zelf niet in de gaten (lacht). Maar het kwam er wel op neer: eerst het belangrijke wereldnieuws en de grote opinies, en vanaf halverwege mochten de wat softere stemmen komen. Alsof ik niet geëngageerd zou zijn of geen duidelijke mening zou neerzetten.

‘Ik doe dat wel, maar op een andere manier. Ik vind het fijn om thema’s met een soort omweg te benaderen. Mijn hersenen werken gewoon zo. Over Zwarte Piet of racisme heb ik bijvoorbeeld nog nooit rechtstreeks geschreven, maar die thema’s zitten wel in mijn ­columns.’

‘Ik merk wel dat hoe scherper ik me uitdruk, hoe meer die stukken gelezen worden. Dat is natuurlijk ook een deel van de aandachtseconomie. Stukken die ik er in een gulp van boosheid uitgooi, gaan makkelijk viraal – eentje over de PVV, bijvoorbeeld. De stukken waar ik het langst op puzzel en doordenk, doen dat ­zelden.’

Is dat frustrerend?

‘Tja. Woede is een goede motor. En dat soort stukken moeten er absoluut ook zijn. Maar het zijn niet de stukken die de tijd overleven. Daarom staan ze ook niet in het boek.’

Woede lees je als lezer zelden in uw boek, ironie daarentegen wel. Je neemt de slogan van je yogastudio op de korrel, of mensen die naar een eiland trekken om daar in stilte en eenvoud aan zichzelf te werken. Heel grappig voor wie de scene kent.

‘Ja, er zitten best wel wat belachelijkheden in het leven, en ik kan het niet helpen om dan te zoeken naar de betekenis daarachter. Maar ik hoop dat het ook ­duidelijk is dat ik mezelf daar niet bij spaar, want ik ben er onderdeel van.

‘Ook ik doe yoga, ook ik ga naar zo’n ­eiland of ik verhuis naar zo’n yuppenhuis, zoals Maartje het in het boek noemt. Echt! Plots woon ik in een huis met vloerverwarming. Hoe kom ik daar?

‘Blijkbaar zat er diep in mij een verlangen naar vloerverwarming (lacht). Daar denk ik dan over na: ben ik burgerlijk? Wat is burgerlijk?’

‘Er zit gewoon veel absurditeit in wat we doorgaans zien als best wel een normaal leven (lacht). Dan is het fijn als je schrijver bent en dat af en toe kunt opschrijven.’

Heeft het moederschap uw schrijven beïnvloed?

‘Ik denk het niet. Het is wel een vraag die me bezighoudt. Af en toe schrijf ik over mijn kind, en dat is heel organisch omdat hij onderdeel is van mijn leven. Maar ik ben ook terughoudend. Veel behoefte om over hem of over het moederschap te schrijven heb ik niet, merk ik.’

Het voelt niet als een nieuwe dimensie in het leven?

‘Jawel, in zekere zin wel, maar anderzijds zit ik er nog middenin, en moet ik nog uitvissen wat het allemaal betekent. Er is ook iets in mij dat er niet wil over schrijven.

‘Ik heb ook nooit boeken over het moederschap willen lezen, al weet ik dat er goeie zijn. Dat van Rachel Cusk bijvoorbeeld. Zwanger zijn en moederschap zijn zo dominant aanwezig in mijn leven, ook ­fysiek, dat schrijven voor mij juist een plek was die daar vrij van was, een ruimte waar ik weer kon be­denken wie ik zelf was, los van dat moeder zijn.’

‘Als je van het moederschap heel erg het onderwerp van je schrijven maakt, riskeer je bovendien als een slang in je eigen staart te bijten. Terwijl ik nu besef dat er – goddank! – zoveel in de wereld is dat ik interessant vind en waar ik me wil in verdiepen.’

‘Moederschap is zo dominant aanwezig in mijn leven, ook fysiek, dat schrijven voor mij een plek was die daar vrij van was, een ruimte waar ik weer kon be­denken wie ik zelf was’

Niña Weijers

De kinderwens is een thema dat geregeld en in verschillende vormen terugkomt in het boek. Is dat iets waar u zelf ook mee geworsteld hebt?

‘Het is niet voor niks dat ik erover schrijf. Ja, dus. Al denk ik wel dat ik altijd heb geweten dat ik het wel wou. Ik worstelde vooral met het hardnekkige ­cliché dat nog altijd in de kunst- en cultuurwereld heerst, namelijk dat je niet én kunstenaar én moeder kunt zijn.

‘Lang zag ik het moederschap als een soort bedreiging voor vrij zijn, voor zelf denken en creëren, en voor artistieke autonomie. Maar ik wilde het te graag zelf meemaken, ik was er nieuwsgierig naar. In die zin heb ik er nooit over getwijfeld.

‘Nu ik een kind heb, maak ik me steeds vaker druk over dat vooroordeel dat steeds opnieuw – onterecht – gevoed wordt: “Als je een echte schrijver wil zijn, neen, dan moet je niet aan kinderen beginnen.”

‘Het slaat nergens op. Het hebben van een kind maakt dat je weer met een andere blik naar de wereld kijkt en dat kan alleen maar goed zijn voor wie je bent als kunstenaar. Dat ­hele proces dat je doorloopt voor je gewend geraakt aan moeder zijn, bijvoorbeeld.

‘Toen de baby pas ge­boren was, dacht ik: “wat heb ik gedaan? Ik heb mijn leven hiervoor ingeruild maar wie is dat, wat moet ik? Die is hier nu de hele tijd.” Dat vond ik best shockerend, maar dus ook interessant.’

De vader van uw kind is ook schrijver. Is dat anders bij hem?

‘Hij (Arnon Grunberg, red.) zit op een ander punt in zijn leven, en hij zit ook anders in elkaar.

‘Zijn tempo ligt hoog, hij is ook onverstoorbaarder dan ik, of ­eigenlijk dan iedereen die ik ken. Wat niet betekent dat hij niet verandert door het vaderschap, maar dat is meer een vraag om aan hem te stellen.

‘Ik ben nu halverwege de dertig en heb er meestal vrede mee dat schrijven voor mij een grillig proces is – met of zonder kind. En die traagheid past bij mij.

‘Dat kind kreeg ik op een moment dat dat voor mij duidelijk was. En ­eigenlijk ben ik door het moederschap alleen maar meer geboeid geraakt door de wereld. Anderzijds voelt die wereld plots ook precairder. Je kunt niet meer zomaar naar de wereld kijken en gerust je ogen sluiten.’

 Beeld Renate Beense

Voelt u die ongerustheid sterker nu u moeder bent?

‘Ja, je wordt er extra mee geconfronteerd. En omdat ik ook een soort wanhoop en machteloosheid voelde die ik niet meer wilde voelen, heb ik voor het eerst in mijn leven een activistische rol opgenomen.

‘Sinds kort zit ik bij Extinction Rebellion. De motor daarachter is niet alleen de toekomst van mijn kind, maar ook en meer nog de ontzettende ongelijkheid in deze klimaatcrisis. Het is vreselijk hoe de armste landen de hoogste tol betalen. Maar het hangt samen: wat misschien de toekomst van mijn kind is, is nu al het heden van heel veel kinderen op de wereld.’

‘Als het over de klimaatcrisis gaat, hebben veel mensen de neiging om het allemaal naar de rand van hun bewustzijn te duwen. Precies omdat het te groot is om over na te denken.

‘Ik was op een punt gekomen dat ik dat niet meer kon of wilde, en dat ik bepaalde dingen ook niet meer met elkaar kon verenigen voor mezelf. En dan moet je iets doen, anders wordt die cognitieve dissonantie te groot.’

Dus u bent de snelweg gaan bezetten?

‘Ja. Het was best eng, maar wat er in de wereld aan het gebeuren is, is ook best eng. En schrijven is niet altijd genoeg. Of beter gezegd: schrijven leent zich niet voor alle dingen.’

Past u dan ook uw manier van leven aan?

‘Hangt ervan af. Op een bepaald moment voelde ik echt dat ik het eten van vlees voor mezelf niet meer rechtgebreid kreeg, en dan ben ik ermee gestopt.

‘Maar ik vind niet dat je per se zuiver op de graat moet leven om aan klimaatactivisme te doen. Er zijn veel mensen die van zichzelf vinden dat ze geen actie kunnen of mogen ondernemen omdat ze het vliegtuig nemen, of nog wel vlees eten. Daar ga ik niet mee akkoord.

‘Het kan toch niet de bedoeling zijn de hele tijd elkaar de maat te nemen. Zoals in: “Ik zag je laatst in het vliegtuig zitten en nu zit je hier de A12 te blokkeren?!” Dan zouden we fout bezig zijn. Dan leid je de aandacht en de energie af van de grote kwesties, en dat is pas gevaarlijk.

‘Want het gaat natuurlijk om het aansprakelijk houden van grote bedrijven en industrieën, niet van individuen. Ik denk dat vooral zo veel mogelijk mensen zich tegen het grote onrecht moeten uitspreken.’

Laten we in dat verband eindigen zoals we begonnen zijn, met een citaat uit uw boek: ‘Wat is privilege: zeggen dat je een adempauze nodig hebt van de ellende in de wereld? Of weten dat de ellende niet gepauzeerd hoeft te worden omdat ze de pauze is, de hartverscheurende, maagomdraaiende pauze tussen een deadline en een hond die staat te kwispelen om uitgelaten te worden.’

‘Zo voel ik het. Het gevoel dat je uit die cyclus wil ­breken, een cyclus die voelt als een pauze of een flits, waarna je verder gaat met je eigen leven.

‘In zekere zin kun je niet anders dan het zo zien, je kunt niet het leed van de wereld op je schouders dragen. Het is een ­eeuwige worsteling, maar het is beter om er iets over te denken dan om er helemaal niets over te denken. Of om de kranten niet meer te lezen.

‘Ik ken ook mensen die dat niet meer doen, die afhaken van de kranten en het nieuws omdat ze het allemaal te erg vinden en het niet meer aankunnen. Dat vind ik aanstootgevend. Dat is pas jezelf in een geprivilegieerde hoek verstoppen. Dan neem je voor jezelf de luxe om je in je eigen kleine wereld op te sluiten, en daar kan ik niet tegen.’

Zelf doen

Niña Weijers (36) schreef de romans De consequenties en Kamers antikamers. Met haar Boon-genomineerde bundel Zelf doen stond ze ook op de shortlist van de Boekenbon Literatuurprijs. Weijers schrijft voor De Groene Amsterdammer.


 Niña Weijers Beeld Renate Beense

Lees ook


Bron: De Standaard

Naar boven

Naar de website


Scroll naar boven